Een troostrijk verhaal over leven en dood
~ Herfststormen ~
Vandaag zullen we eindelijk ons huis bereiken. Dat heeft vader vanmorgen bij het ontbijt gezegd. Het voelt onwezenlijk om hier naast hem in de koets te zitten en te weten dat we over een paar uur mijn moeder zullen begraven na een ellenlange reis van zeulen met haar dode lichaam.
De tocht heeft inmiddels bijna een maand geduurd. Vanuit Zwitserland zijn we al vier weken onderweg om zo snel mogelijk terug te keren naar ons grote huis in de lage landen. Sinds mensenheugenis is er waarschijnlijk nooit een langere rouwtocht geweest! De stoet zelf is niet lang; slechts één lijkwagen en twee koetsen. De reis duurde echter eindeloos omdat een dode niet sneller dan stapvoets vervoerd mag worden. Snelwegen konden we daardoor niet gebruiken, dus liep de route zoveel mogelijk over landelijke weggetjes. Volledig in het zwart gehuld hadden we veel bekijks in alle dorpjes waar we langskwamen, al denk ik niet dat vader daar veel van gemerkt heeft. Hij zit alle dagen zwijgend naast mij en staart met lege ogen naar de wagen voor ons, naar de baar waar de kist van mijn moeder op staat, verborgen onder een zwarte doek.
Soms moesten we een stukje over de grote weg, over een brug om een rivier over te steken of door een tunnel in een bergpas. Dat gebeurde dan in het holst van de nacht, terwijl de weg door plaatselijke politieagenten tijdelijk voor alle verkeer werd afgesloten. Vader had alles laten regelen. Hij had geld genoeg, maar geen goud in de wereld had de dood van mijn moeder kunnen voorkomen. De laatste zeven jaren hebben we met haar van land tot land getrokken, heen en weer gereisd tussen de beste ziekenhuizen en sanatoria in de wereld. Niemand kon precies zeggen wat mijn moeder mankeerde. Ze werd alleen maar zieker en zwakker, totdat ze geen schim meer was van de mooie vrouw die ze ooit geweest moet zijn. Voor haar zal de dood als een verlossing zijn gekomen.
Vader zit naast me als een verslagen man. Hij heeft haar lichaam laten balsemen en de tocht geregeld. Moeder zal op ons eigen landgoed begraven worden, dat was haar laatste wens. Tijdens de lange terugreis heb ik vader steeds stiller zien worden. Alle werklust en dadendrang lijken uit hem te zijn gevloeid. Zijn levensdoel is verdwenen. Ook bij mij dringt de harde waarheid met iedere mijl dieper door: mijn moeder leeft niet meer.
Zolang ik me kan herinneren staat mijn leven in het teken van een zieke moeder. Mijn ouders hielden mij thuis van de kleuterschool omdat mijn moeder te zwak was om mij iedere dag te brengen. Tegen de tijd dat ik naar de lagere school moest, bereisden we al de wereld op zoek naar genezing voor mijn lieve kwetsbare moeder. Ik heb meerdere gouvernantes gehad die voor mij zorgden en mij lesgaven. Zelfs toen ik vorig jaar 12 werd en eigenlijk naar de middelbare school had moeten gaan, konden ze het niet over hun hart verkrijgen om mij naar kostschool te sturen. Moeder zei wel dat ze mij graag een eigen leven gunde met vriendinnen en plezier, maar nog liever had ze mij bij zich. Ze voelde wellicht dat ze niet lang meer te leven had. Ik ben blij dat ik dit laatste jaar nog bij haar heb kunnen zijn. Vader verving de laatste gouvernante door een beroemde geleerde, professor Dario. Een statige hoogleraar, die door een verkeerde belegging al zijn geld was kwijtgeraakt en nu na zijn pensioen mij een aantal vakken bijbrengt voor zijn oudedagsvoorziening. Al vraag ik me soms af of Latijn, filosofie en sterrenkunde werkelijk tot mijn gewone schoolpakket behoren. Professor Dario zit al de hele terugweg samen met onze dienster Cockie in de achterste koets.
Zoetjesaan komen we in de buurt van ons huis. Ik merk het aan vader, die naast mij onrustig begint te schuiven op de bank. Toch herken ik de omgeving nog niet. Zelfs niet als de wagen met de baar van de weg afdraait en een lange oprijlaan inslaat. Ook de beide koetsen rijden ons landgoed op en ik kijk gefascineerd naar buiten, maar de landerijen die ik zie zeggen me niets. Aan weerskanten van de brede laan staan statige beukenbomen waar we langzaam tussendoor hobbelen. Het pad is niet goed onderhouden. Er zitten diepe kuilen in de weg en vader en ik schudden telkens flink door elkaar. Zo leggen we de laatste meters af.
Voor de slotgracht aan het einde van de laan staat de lijkwagen stil. Vanaf hier zullen we te voet verder trekken. De koetsiers springen op de grond en vouwen met plechtige gebaren de zwarte doek op. Daaronder komt moeders lichtbruine houten kist tevoorschijn. Ook wij stappen uit onze koets en uit de andere komen de professor en onze huishoudster te voorschijn. Iedereen zwijgt. Onze ledematen zijn stijf. Toch gaan we meteen verder. Nu we er eenmaal zijn lijkt vader haast te hebben. Op een teken van vader neemt elk van de koetsiers een hengsel en zij dragen voorzichtig de kist tussen hen in als een kostbare schat. Moeder woog op het einde bijna niets meer, maar zo’n houten kist is voor de vier mannen toch een hele opgave om voor langere tijd te tillen en goed recht te houden. Langzaam lopen ze over de neergelaten opklapbrug. Wij sluiten aan. Ik loop naast vader. Hij lijkt heel ver weg. Achter ons volgen een zacht snikkende Cockie en de hoogoprijzende professor Dario. Een optocht van een houten kist en vier mensen op een koude winderige dag. Het is allemaal heel onwerkelijk.
De professor is een dunne, wat stijve, rationele man die totaal onbewogen lijkt door het overlijden van mijn moeder. In tegenstelling tot Cockie, de gezette vrouw van middelbare leeftijd die al jaren met ons meegaat. Ze kookt niet alleen, maar doet ook de was, de boodschappen, het huishouden. Cockie is een gezellig rondborstig mens met het hart op de juiste plaats, eentje die altijd zegt waar het op staat. Ze leek alleen niet meer te kunnen ophouden met onbedaarlijk huilen toen mijn moeder uiteindelijk was heengegaan. Ze brulde en jammerde. Ik stikte bijna toen ze zich grienend aan mij vastklampte, telkens luid roepend dat het toch zo erg was. Zo te horen loopt ze nu met roodbetraande ogen en een deppende zakdoek achter ons naast de professor.
Links zie ik een groot huis liggen. Oud en verlaten. De verf bladdert van de muren. Het roept geen herinneringen wakker. Wat had ik dan verwacht? Ik was pas een jaar of vijf toen we vertrokken. Onze kleine stoet trekt met statige stappen aan het huis voorbij en slaat een knotwilgenpad in. De kist wijst de weg. Opeens ruik ik een zoete geur. Als ik opkijk, zie ik dat we de levensgrote achtertuin passeren van het enorme landhuis. Hij staat vol rozen, zover het oog reikt. Het is allang herfst. Toch zie ik overal het prachtige kleurenpalet van zorgvuldig bij elkaar geschikte rozenstruiken en felgekleurde rozenbottels. De bedwelmende geur roept beelden op van een moeder die liefdevol mijn haren kamt en mij neuriënd in slaap wiegt, alles zonovergoten. Ja, die vaagvertrouwde geur roept wél herinneringen wakker.
Een kille herfstwind doet ons dieper in onze kragen wegduiken. Minutenlang lopen we achter de kist aan tot het einde van het knotwilgenpad. Ik wist niet dat wij zo’n groot stuk land hadden. Al die tijd ligt naast ons die enorme verwilderde rozenvallei waaraan meer dan zeven jaar niets is gedaan. Vader kan er niet naar kijken. Hij houdt zijn blik strak op de kist. Maar die bekende geur zal hij toch ook niet kunnen buitensluiten. Beelden schieten aan mijn geestesoog voorbij van een prachtige jonge vrouw die lachend voor haar rozen zorgt, van twee kussende mensen die elkaar omhelzen en mij optillen. Zo heb ik mijn moeder lang niet meer voor me gezien.
Aan het einde van het pad, in de rechter uithoek van het landgoed, is een diep zwart gat gegraven onder een oude eikenboom. Op gepaste afstand leunt een oude man zwaar op zijn schep. Ik ken hem niet. Het is waarschijnlijk de nieuwe tuinman die in de afgelopen uren moeders graf gegraven heeft. De wind rukt de bladeren van de bomen. Geel en roodbruin gekleurde eikenbladen vallen in het graf voordat de koetsiers moeders kist langzaam in het gat laten zakken. Nog een kort moment staan we plechtig in een kring om haar heen. Niemand zegt iets. We hebben al zo vaak afscheid genomen.
Na een hoofdknik van vader begint de tuinman schep voor schep het gat met zware donkere aarde dicht te gooien. Wij kijken toe, terwijl de wind aan onze jassen trekt en de herfstbladeren rond onze hoofden dwarrelen. Professor Dario met een hoge hoed in zijn hand. Cockie telkens haar rode neus snuitend. Het karwei valt de bejaarde tuinman duidelijk zwaar, maar hij werkt dapper door. Als de grond egaal is, draait vader zich resoluut om en loopt terug naar het wilgenpad. Na een paar passen houdt hij stil, kijkt de tuinman indringend aan en zegt, wijzend naar de rozen achter hem: “Bonne, zo snel mogelijk alles omspitten”. Dan verdwijnt vader in de richting van het huis.
De dagen die volgen is Cockie druk in de weer om het huis leefbaar te maken. Het is overal stoffig en muf. Ik heb mijzelf op zolder een knus kamertje toebedeeld aan de achterkant van het huis. Tijdens het soppen en spinrag verwijderen kijk ik af en toe naar buiten, waar de krom lopende tuinman, die blijkbaar Bonne heet, de rozen voorzichtig afknipt en met een teder gebaar in een kruiwagen legt. Waar hij die volle kruiwagens naartoe brengt, kan ik vanuit mijn raam niet zien. Telkens komt hij met een lege wagen terug en begint het hele ritueel opnieuw. Met zijn linkerhand omvat hij een bloeiende rozenknop, schat de afstand en knipt dan met een schaartje in zijn rechterhand alle stengels op ongeveer gelijke afstand af. Komt het door de doornen dat hij de bloemen met zoveel aandacht in de kruiwagen legt? De eerbied waarmee deze voor mij onbekende man mijn moeders rozenstruiken behandelt, vertelt me dat het ook hem aan zijn hart gaat dat hij het hele rosarium moet vernietigen. Met iedere knip van de schaar snijdt hij een stukje van de verbinding met mijn moeder door, zo lijkt het. Toch blijf ik staan.
Er komt een felle kou van het raam af, die diep in al mijn ledematen trekt. Totaal verkleumd sta ik toe te kijken hoe mijn moeders nagedachtenis in het niets verdwijnt. Op een bepaalde manier ben ik mijn moeder lang geleden al verloren, maar met haar dood lijk ik nu ook mijn vader te zijn kwijtgeraakt. De man die altijd de moed erin hield, die van iedere dag het beste probeerde te maken en vol strijdlust zat. Die man lijkt verdwenen. Teruggetrokken in zijn eigen verdriet, onbereikbaar voor mij. Soms weet ik niet wie ik meer mis, mijn moeder of mijn vader. De zon is ondergegaan. Om mij heen voelt mijn zolderkamer donker, koud en eenzaam.
De volgende ochtend loop ik met mijn ziel onder m’n arm door het huis. De lessen van professor Dario zijn nog niet begonnen. Cockie is druk in de weer en kan geen pottenkijkers gebruiken. Vader zit in zijn studeerkamer en wil niet gestoord worden. Ik besluit moeders graf te bezoeken. In mijn hoofd kan ik met haar praten en soms is het net alsof ze antwoordt. Maar hoe langer ze nu weg is, des te moeilijker het wordt. Misschien kan ik bij het graf haar nabijheid meer voelen.
Ik loop de voordeur uit en volg het lange wilgenpad. Het is een heerlijk knisperende ochtend. De tuinman is waarschijnlijk nog steeds bezig om moeders rozen weg te halen. Vandaag wil ik daar niet aan denken en met mijn handen in mijn zakken tuur ik naar de grond. Op het pad liggen de prachtigste herfstbladeren. Slenterend loop ik over het goudgeel roodoranje bruingekleurde bladerdek. Hier en daar trap ik tegen een hoopje bijeen gewaaide bladeren aan.
Als ik opkijk, zie ik aan het eind van het pad plotseling een explosie van kleuren. Ik versnel mijn pas. Wat is er met mijn moeders graf gebeurd? Pas als ik er bijna voor sta, zie ik dat mijn moeder is bedolven onder een manshoge berg van haar eigen rozen. Allemaal netjes afgeknipt en opgestapeld. Ik kan de bovenkant niet zien, zoveel zijn het er. Dat heeft die nieuwe tuinman gedaan. Het ontroert me. Ik staar naar de ontelbaar vele rozen en voel een diepe dankbaarheid in mij opborrelen voor die vreemde oude man, voor Bonne. Daarom vind ik het ook niet vervelend als hij een tijdje later naast me komt staan. Zijn pet in de hand, zijn ogen op de berg met rozen. Zo staan we zwijgend naast elkaar, allebei met onze eigen gedachten. Er hoeft niets gezegd te worden. Zijn nabijheid voelt heel vertrouwd ook al kennen we elkaar niet.
Voordat hij weer aan het werk gaat, pakt hij een roos uit de grote hoop voor ons. Hij draait zich naar mij om en legt hem in mijn handen. “Dit was je moeders lievelingsroos”, zegt hij vriendelijk en met een kleine hoofdknik ten groet verdwijnt hij. Daar sta ik, met een prachtige witte bloem in mijn handen. Er gaat een vreemde troost vanuit. Ik neem de roos mee naar mijn kamertje en zet hem in een vaas.
Na een week zijn alle rozen geknipt en de witte roos op mijn bureau laat haar kopje hangen. Achter het raam zie ik Bonne in de tuin de kale struiken tot op de grond afknippen met een grote heggenschaar. Het gaat er een stuk minder delicaat aan toe. De rozenstruiken worden met een paar flinke houwen aan flarden geknipt. Even ben ik bang dat de tuinman die woeste stekelige takken ook op moeders graf zal dumpen. Dus ik ga naar beneden en volg hem als hij met een overvolle kruiwagen wegrijdt. Maar de oude man gaat met zijn vracht naar de zijkant van ons huis. Dicht bij de keukendeur staan een paar grote houten kratten naast elkaar. Ze zijn wel een meter hoog en ook zoiets in doorsnede. Met dikke handschoenen haalt de tuinman handenvol takkenbossen uit de kruiwagen en gooit ze met een achteloze zwaai in de meest linker afvalbak.
Net als ik gerustgesteld weg wil lopen, ziet hij mij. Bonne beduidt dat ik even moet wachten, doet zijn handschoenen uit en loopt met zijn kromme benen naar het gereedschapsschuurtje even verderop. Hij komt terug met een roodoranje boek in zijn handen. Er staat niets op de kaft. De bladen van binnen zijn ook leeg. “Het is een herbarium”, zegt hij, “daar kun je de rozenblaadjes in drogen”. Ik sta nog verbaasd te kijken als de tuinman zijn handschoenen alweer heeft aangetrokken en met een lege kruiwagen is vertrokken.
Op mijn kamertje bekijk ik het boek nog eens goed. Het is een plakboek met mooie dikke crèmekleurige pagina’s en daartussen prachtig vloeipapier. Voorzichtig plak ik een paar blaadjes van mijn moeders witte lievelingsroos op de eerste bladzijde. Ik ben de onbekende tuinman zeer erkentelijk voor het idee. Op deze manier kan ik iets van mijn moeder bewaren. Tegelijkertijd ben ik boos op vader dat hij de rozentuin niet wil behouden. In mij welt een laaiende woede op. Vooral als ook de takken weg zijn en de tuinman de eerste spade in de grond zet. Dan kan ik er niet meer naar kijken en vlucht het huis uit. Hoewel het buiten guur koud is, zwerf ik hele dagen door de bossen. Weg van vader en van de tuin. Natuurlijk begrijp ik dat hij pijn heeft, maar ik heb ook pijn. Een kille boosheid, kouder dan de late herfstwind, giert door mijn lijf.
Tijdens mijn lange zwerftochten verzamel ik bladeren, mooie gekleurde exemplaren, van alle bomen die ik maar kan vinden en plak ze ’s avonds in mijn boek. Met sierlijke letters schrijf ik de namen erbij: kastanje, esdoorn, populier, linde. Op een ochtend, als de hele tuin is omgespit en afgegraven, zoek ik Bonne om hem het plakboek te laten zien en hem ervoor te bedanken. Ik vind de oude tuinman op een ladder bij de knotwilgen. Hij is druk in de weer om takken af te zagen. Eigenlijk wil ik hem niet storen, maar zodra hij me ziet klimt hij verbazingwekkend snel van de ladder naar beneden. Met een plof staat hij voor me en kijkt me allervriendelijkst aan. Zonder iets te zeggen overhandig ik hem het boek met de roodoranje kaft. Bonne gaat aan de voet van een knoestige brede knotwilg zitten en bladert aandachtig door mijn plakboek. Wanneer hij alle pagina’s instemmend knikkend heeft bekeken, slaat hij het boek dicht met de woorden: “Daar zullen de bomen vast blij mee wezen, Marinke.” Verrast kijk ik hem aan. Natuurlijk kent onze tuinman mijn naam, toch is het nieuw voor mij, we zijn nooit officieel aan elkaar voorgesteld.
Als ik weg wil lopen houdt hij me tegen. “Ik kan wel wat hulp gebruiken”, wijst hij met een breed gebaar naar de lange wilgenrij. Erg veel zin heb ik er niet in, maar ik kan niet weigeren. Dus pak ik een zaag en help Bonne om de wilgen te knotten. Het is zwaar werk. Vooral dikke takken vragen al onze krachten. Verwoed zaag ik door, heen en weer, heen en weer. Uren achtereen werk ik me in het zweet. We spreken niet. Tak na tak valt op de grond. De blaren staan in mijn handen. Toch ga ik door. Het voelt goed om deze oude weerbarstige wilgen onder handen te nemen. Op de één of andere manier koelt het mijn woede. Zou de tuinman dat geweten hebben toen hij me vroeg hem te helpen?
Aan het einde van de dag zoekt Bonne een paar lange buigzame wilgentenen uit. Hij geeft mij er ook een paar en samen slepen we ze naar de rand van het omgespitte veld. Ik weet niet wat Bonne van plan is en ben te moe om het te vragen. De tuinman duwt de takken in een cirkel iets van dertig centimeter in de grond. De bovenkanten bindt hij aan elkaar. Leuk zo’n wigwam van dooie takken. Maar het wordt winter en ik weet niet of ik nog vaak op dit verlaten veld wil komen. Het ligt er kaal en eenzaam bij. Koude rillingen lopen langs mijn rug en ik ga snel naar binnen om me te warmen aan het vuur.
~ Winterkou ~
Het is een koude winter. Het sneeuwt en stormt. De bomen zijn kaal. Het land ligt er stil en verlaten bij. Net als de sfeer in huis. Vader zie ik niet. Hij leeft nog altijd in zijn eentje in de studeerkamer en laat zich amper zien. Tijdens de maaltijd zit hij aan tafel gedachteloos in het niets te staren. De dagen zijn gevuld met saaie lessen van professor Dario. Taal en meetkunde, Franse en Duitse rijtjes. Het interesseert me niet. Soms ga ik iets lekkers bietsen uit de warme keuken, maar ik wil ook altijd weer snel ontsnappen aan de meelijwekkende blikken die Cockie mij toewerpt. Bonne is nog maar zelden om het huis te zien. Hij woont een paar dorpen verderop en komt af en toe alleen even kijken of alles er nog goed bij ligt.
Inmiddels weet ik dat de kratten bij de keukendeur een paar composthopen zijn. Nu het kouder wordt heeft Cockie mij de opdracht gegeven om het keukenafval er iedere dag even naartoe te brengen. Zij vindt zichzelf daar te oud voor. Het pad van vijf meter tussen de keukendeur en de houten kratten is haar te glad nu het buiten vriest. Ik denk eerder dat zij het een vies karweitje vindt, want tussen de groenteresten, de eierschalen en het rottende fruit op de composthoop krioelt het van de beestjes. Meestal kijk ik niet en ren snel terug naar binnen. Bonne is nergens bang voor. Een keer toen ik een hele emmer doppen van een maaltijd tuinbonen kwam brengen, stond hij één zo’n krat met zijn blote handen over te scheppen in de houten bak ernaast. Daar kreeg je goede compost van, zei hij en wilde me een aantal nuttige insecten laten zien. Ik heb de emmer uit mijn handen laten vallen en ben snel weer het huis in gerend. Twee kopjes thee later zat ik nog te rillen alsof er honderd oorwurmen, pissebedden en duizendpoten over mijn rug krioelden.
Daarom was ik een beetje achterdochtig toen ik Bonne een week later bij het wit besneeuwde graf van mijn moeder tegenkwam en hij me iets wilde laten zien. Toch liet ik me meelokken naar de andere kant van ons landgoed. De sneeuw knerpte onder onze laarzen. Daar, aan het einde van een lange lindelaan, stonden vijf hoge houten kisten op een lange tafel. “Dit zijn bijenkorven”, legde Bonne mij uit. De adem kwam als een wolkdampje uit zijn mond. “Valt je iets op?” Ik keek goed naar de korven, maar ik zag geen bijen. Het hout zat strak in de lak en glansde ons mooi groen tegemoet in deze witte wereld. “Hé”, riep ik, “er ligt geen sneeuw op”. Bonne lachte. “Houd je hand er eens bij”, moedigde hij me aan en hield zelf ten voorbeeld zijn linkerhand vlak boven de dichtstbijzijnde kist. Ik deed hem na en voelde dat de bijenkorf warmer was dan de koude buitenlucht. Bonne wenkte me nog dichterbij en legde zijn oor tegen de kist. Toen ik hetzelfde deed hoorde ik een enorm gezoem en gegons binnen in de korf. Het was een prachtig levendig geluid in die stille winterwereld. We bleven een hele tijd samen staan luisteren.
In de keuken bij Cockie boven een mok dampende chocolademelk legde de tuinman mij uit dat bijen in de winter dicht bij elkaar kruipen en hun korf opwarmen door heel hard met hun vleugels te bewegen. Ze werken allemaal samen en voeden zich met de honing die ze in de zomer hebben verzameld. Daarom oogstte Bonne ook nooit hun honing. Hij zorgde alleen goed voor zijn bijen en mocht ze nu van vader op ons landgoed zetten. Ik kon er niet van slapen. Kwam het omdat ik jaloers was op de oude man die mijn vader blijkbaar ergens in de afgelopen tijd gesproken had?
De volgende dag tijdens de avondmaaltijd neuriede ik opeens een liedje. Een oude melodie van vroeger. Het was in mijn hoofd gekropen door het geruststellende gezoem van de bijen en schoot me nu af en toe zomaar te binnen. Het eten was net als anders in stilte verlopen. Enkel vader en ik, gezeten aan een lange tafel. De tuinman at thuis en professor Dario nuttigde samen met Cockie in de keuken de maaltijd. Midden in de stilte van de grote sombere eetkamer welde er ineens dat liedje in me op uit lang vervlogen tijden. Het haalde vader met een schok uit zijn gepeins. Even keek hij me recht aan. Een traan blonk in zijn ogen. Toen stond hij bruusk op. Zijn servet viel op de grond. Vader leek volledig in de war. Hij raapte het ding op en stond ermee te friemelen in zijn handen. Snel liep ik naar mijn lieve vader toe en sloeg mijn armen om hem heen. Voor een moment stonden we dicht tegen elkaar aangedrukt en wiegden heen en weer. Totdat hij zich losscheurde en de kamer uitbeende. De dagen daarna gleed vader weer terug in zijn stilte. Telkens als zijn zwijgen mij teveel werd, ging ik naar de bijen, legde mijn oor tegen de warme korven en neuriede het vergeten lied.
~ Lentebries ~
De dooi kwam. De sneeuw smolt en moeders afgegraven rozentuin veranderde van een ijswoestijn in een kale vlakte met in het midden een enorme plas water. De lessen van professor Dario waren saai. Hij leerde mij de geschiedenis van mensen en landen die mij niets interesseerden. Ik maakte me woorden eigen in allerlei talen, zonder te kunnen uitdrukken hoe ik me voelde. We lazen de oude klassieken, die indringende filosofische levensvragen stelden, maar ik vond geen antwoorden waar ik iets aan had. Vaak keek ik tijdens de lessen door het raam naar buiten en staarde in de leegte. De wigwam van dode wilgentakken stak naargeestig af tegen de weidse vlakte. Uit de boeken voor mij op tafel kon ik van alles leren. Nergens was echter een zinnig woord te vinden over de dood. Wat betekende het om dood te zijn? Het leek alsof dan alles ophield, maar vader en ik leefden nog en wij moesten door. De vraag was alleen: hoe? Toen ik professor Dario ernaar vroeg, wist hij het niet. Hij sloeg zijn ogen neer, frunnikte wat aan een manchetknoop en zei dat de les vandaag eerder was afgelopen. Ik sloeg mijn boek dicht, deed een dikke winterjas aan en liep naar buiten. De kou in.
Een flets zonnetje scheen op de bomen die ons landgoed omringden. Ik haalde diep adem. De lucht rook naar lente. Stevig doorstappend liep ik een rondje om het huis, maar Bonne was nergens te vinden. Ook bij de bijenkorven zag ik hem niet. Wel zat er een bij voor de vliegopening haar vleugels te poetsen. Het was een mooi gezicht. Haar prachtige doorschijnende vleugels, het zachte geelbruine dons van haar lijfje en die enorme facetogen. Ik kon er mijn ogen niet van afhouden.
Op de terugweg kwam ik langs de wigwam en bleef stokstijf staan. Op het dode hout van de takken zaten allemaal nieuwe knoppen. De wilgentenen gingen weer uitlopen! Ik wist niet wat ik zag. Zou de oude tuinman dit geweten hebben?
In de dagen daarna ging ik steeds even buiten kijken. Het weer was zacht en de natuur liep uit. Over de vlakte om de waterplas lag een waas van groen. Het begin van gras. De rozen waren er echter met wortel en al uitgehaald, die zouden nooit meer terugkomen.
Het duurde een aantal weken voordat ik Bonne te spreken kreeg. Er was nog niet veel werk te doen en op de momenten dat hij zijn controlerondje liep had ik meestal net les van professor Dario. Toch trof ik hem op een late namiddag aan, terwijl hij achter het huis de composthoop stond om te scheppen. Het leek alsof hij op mij had gewacht. Zodra Bonne mij zag, liet hij de riek vallen en rende het gereedschapsschuurtje in. Ik schoot in de lach. Die gekke tuinman had zeker weer een cadeautje voor mij.
En ja hoor, uit alle macht sleepte Bonne een grote kist over de grond mee naar buiten. Er zat vast levende have in, want er kwam een enorm kabaal uit de kist. Bonne liet zijn vracht met rust en keek mij met kleine pretoogjes aan. Een hevig gekakel steeg op vanaf de grond voor mijn voeten. “Kippen?”, vroeg ik verbaasd. “Goed tegen slakken,” beweerde Bonne en zette het luikje van de kist open. Meteen schoten drie kippen het erf op: een witte, een bruine en een zwarte. Ze kakelden en fladderden en renden rondjes om elkaar en onze benen. Het was een komisch gezicht. “Sallie”, wees Bonne naar de lichtbruine kip die net haar verendos op orde stond te pikken met een vinnig snaveltje. Vervolgens richtte de vinger van de tuinman zich op een sneeuwwitte kip “Mo”. Het ranke dier stapte sierlijk rond, zich volledig bewust van haar gratie, zo leek het. “En Nella”, dat was de zwarte kip. Mijn ogen gingen meteen terug naar de witte. Ze had iets bevalligs en elegants dat mij vanaf het allereerste moment dat ik haar zag aanstond. “Wat een plaatje”, verzuchtte ik. “Ja het zijn beeldschone dames”, beaamde de tuinman. “Wil jij voor deze salmonella’s zorgen?” Hij moest lachen om het verbouwereerde gezicht dat ik trok, maar vlak daarna viel bij mij het kwartje: Sallie, Mo en Nella, tesamen maakte dat salmonella, zo waren de kippen aan hun namen gekomen.
Opeens had ik er dus een taakje bij. Het beviel me beter dan telkens alle keukenafval naar de composthoop te moeten brengen, want zeker nu de dagen langzaam warmer werden, stikte het in die vieze kratten van de vliegjes en andere enge friemelbeestjes. Van de drie kippen had ik meer plezier. Ze wisten precies wanneer het etenstijd was en dan kwamen ze direct met veel gekwetter aanfladderen, want echt vliegen konden ze niet. Parmantig pikten ze hun graantjes van de grond en keken mij tussendoor met een schuin oog aan om te zien of er nog meer kwam. Vooral droge maïs vonden ze erg lekker en dat gaf ik ze zoveel mogelijk. Of eigenlijk was Cockie degene die hen deze lekkernij toestopte.
Als er iemand was opgeknapt van de komst van de drie gevederde dames, dan was het onze Cockie wel. Niets maakte haar blijer dan het vooruitzicht iedere morgen een lekker vers eitje te kunnen rapen. En maïseieren smaakten het beste. Zingend begon ze de dag. Met een vrolijke kwinkslag diende ze ons ontbijt op. Op mij werkte dat heel aanstekelijk. Zelfs vader moest er soms om glimlachen. Wanneer ik nu tijdens de lessen naar buiten keek, zag ik voortaan drie kippen door het beeld scharrelen. Het zag er gezellig uit zoals ze samen in het gras speelden. De lege vlakte veranderde voor mijn ogen met de dag meer in een schitterend landschap. Uit de grond ontsproten allerlei soorten grassen en weidebloemen waartussen Sallie, Mo en Nella verstoppertje leken te spelen. Soms schoot ik tijdens de les spontaan in de lach. Professor Dario kon er niet boos om worden. Volgens mij genoot hij ook van de drie dames.
Voordat ik de kans kreeg om Bonne te bedanken, gebeurde er iets verschrikkelijks. Iets waardoor ik wenste dat we nooit aan kippen waren begonnen. Op een ochtend stapte ik met mijn bakje graankorrels met extra veel maïs nietsvermoedend de keukendeur uit en zag meteen dat er iets mis was. Voor de composthoop lag een ravage aan veren en bloed. Te midden daarvan lag een levenloos wit bolletje. Ik hoefde niet dichterbij te komen om te weten dat het Mo was. Cockie kwam op mijn geschreeuw afrennen en constateerde dat mijn lievelingskip was doodgebeten door een vos. Hij had haar niet opgegeten en de andere twee kippen leken ongedeerd. Ik barstte in een onbedaarlijk huilen uit. Veel harder dan ik ooit om de dood van mijn moeder heb hoeven huilen. Toen was het verdriet uitgesmeerd over vele lange jaren en dat sudderde nog eindeloos na, maar deze klap kwam plotseling en hevig.
Cockie nam mij in haar armen en ik liet me troosten. Totdat ze mij na een tijdje losliet en iets onvoorstelbaars deed. Ze pakte het lichaampje van Mo op, keurde het en zei dat het goed genoeg was voor de pan. “Dat zal lekker smaken vanavond”. Ik kon mijn oren niet geloven en vloog haar aan. Vader kwam op het gegil af en moest mij bij Cockie vandaan trekken. Toch gaf hij haar tot mijn verbijstering gelijk. De kippen waren om op te eten en Mo zou in de pan verdwijnen. Wat ik ook zei, er viel niets meer tegen in te brengen.
Wie van haar gegeten heeft die avond, weet ik niet. Ik ben weggelopen en was niet van plan ooit nog naar huis terug te keren. De hele verdere dag zwierf ik door het bos. Ik had geen honger. De gedachte dat iemand mijn lieve Mo opat, maakte mij misselijk. Toen de zon onderging, werd het koud buiten. Naar huis wilde ik nog steeds niet. In het dorp vlakbij stond een kerk. Die nacht heb ik in de beschutting van de Mariakapel doorgebracht. De deur van de kapel gaat nooit op slot, zodat mensen er dag en nacht kunnen bidden. Ik was helemaal alleen. Het was niet koud. Vooral niet omdat ik alle kaarsen uit de bakken had gehaald en aangestoken. Op een houten stoel gezeten in die zee van licht, voelde ik me onverwacht toch minder alleen en verdrietig.
Waarschijnlijk heeft de koster mij de volgende ochtend zien liggen en mijn vader gewaarschuwd. Anders weet ik niet hoe het kan, dat mijn vader op een stoel naast mij zat toen ik de volgende ochtend midden op de vloer van de kapel wakker werd. “Het spijt me”, was het eerste wat hij zei. Ik ben naast hem gaan zitten. Bijna gelijktijdig pakten we elkaars hand vast. Mijn ledematen voelden koud en stijf. De warmte van zijn handen deed mij goed. Een hele tijd hebben we zo in stilte naast elkaar gezeten. Ik kon geen woorden vinden.
De koster kwam binnen en vulde de bakken aan met nieuwe kaarsen. Zodra hij weg was stond ik op, pakte de nieuwe kaarsen en stak ze een voor een aan. Opnieuw vulde de ruimte zich met de gloed en het schaduwspel van het troostrijke licht. Vader zat stil op zijn stoel en keek toe. Hij was niet weg, noch afwezig. Hij keek echt en zag het licht, en hij zag mij. Voor het eerst sinds tijden zag hij mij. “Voor moeder”, zei ik en stak nog een kaars aan. Vader knikte. “En voor Mo”, fluisterde ik haast onhoorbaar. Vader knikte opnieuw. Er drupte een traan langs zijn wangen. Toen alle kaarsen brandden en de hele ruimte gevuld was met onuitsprekelijk mooi licht, ging ik op een stoel naast vader zitten. Onze handen vonden elkaar. We zaten en keken. We zwegen en keken. Elk met onze eigen gedachten, maar meer dan ooit verbonden. Pas na uren stonden we op en liepen naar huis. Op de drempel voor de deur keek vader mij aan, omhelsde mij teder en fluisterde zachtjes in mijn oor: “Dank je wel”.
~ Zomerzon ~
Ik zorgde niet meer voor de kippen en zelfs het afval naar de composthoop brengen liet ik aan Cockie over. Maar ik was weer thuis en het was goed. De dagen lengden. De bomen kregen blad. De wigwam liep uit tot een hut van levende takken waar ik graag in zat. Hij stond inmiddels in een prachtig natuurlijk landschap, dat onder de vaardige handen van onze tuinman tot bloei was gekomen. De lente ging over in een heerlijke zomer. Hoe meer de tuin zich ontwikkelde, des te voller kwam hij te staan. Overal bloeiden de meest kleurrijke wilde veldbloemen. Vlinders vlogen af en aan. Als ik in het gras lag te lezen, geurde het om mij heen naar zomer en weiland. De bijen waren de hele dag uit hun korven op zoek naar nectar. Wanneer ik tijdens mijn wandelingen onder een bloeiende lindeboom stilhield, hoorde ik de hele kruin zoemen als een bijenkorf in de winter, zo vol met bijen zaten de lindebloemen. Het gaf me een vertrouwd huiselijk gevoel.
De simpele waterplas leek als vanzelf in een prachtige vijver te zijn veranderd waar kikkers en salamanders op afkwamen. Soms zat ik aan de rand van het water en zag hoe vogels zich erin badderden. Waterjuffers liepen over het oppervlak. Libellen verscholen zich tussen het riet aan de waterkant. Onze tuin was geen rosarium meer, maar wel een klein paradijsje. Dat hadden we allemaal aan Bonne te danken, want er groeiden vast niet zomaar vanzelf waterlelies in een vijver. Ik genoot er enorm van en wist zeker dat moeder het ook mooi zou hebben gevonden. Ze hield misschien het meest van rozen, maar bovenal had ze haar hart verloren aan alles wat leefde. De natuur was haar grote passie en Bonne had dat via een andere weg teruggebracht in ons leven.
Alleen moeders graf zelf was een lege plek onder de oude eikenboom. De afgeknipte berg met rozen was vergaan. Er was niets voor in de plaats gekomen. Opnieuw was het de oude tuinman die mij opmerkte bij het graf en bij me kwam staan. Alsof hij op de achtergrond in de gaten hield hoe het met mij ging. Misschien durfde ik daarom wel mijn gedachten met hem te delen. “Daar is het zo levend Bonne”, wees ik naar de bloeiende tuin, “en hier is het zo dood”. De oude tuinman was even stil. Natuurlijk wist hij ook niet wat hij moest zeggen…
Toen zag ik opeens vanuit mijn ooghoek dat hij met zijn hoofd stond te schudden: “Kijk eens goed Marinke. Dat wat dood lijkt, is levend.” Met een schok keek ik opzij. Recht in Bonne’s lieve ogen. “Niets is een groter feestmaal voor insecten dan een oude eik. Er leven meer dan honderd verschillende dieren van.” Met die woorden liet Bonne mij achter en ging aan het werk.
Plotseling keek ik met andere ogen naar mijn moeders graf onder de eik. De oude tuinman had gelijk. Ik zag mieren en lieveheersbeestjes, spinnen, wormen en pissebedden. Een rups at zijn buikje vol aan een eikenblad. Bovenin de boom zaten de restanten van een vogelnest. Overal om mij heen was leven. En alsof iemand dat nog eens extra wilde bevestigen, vloog er opeens een bonte specht de eik in en begon boven mijn hoofd heel hard op de bast te kloppen. Ik barstte uit mijn voegen van vreugde en dankbaarheid. Waar was Bonne? Ik moest naar hem toe. Rennend zocht ik hem bij de bijen en de vijver. Uiteindelijk vond ik hem naast de composthoop, waar hij weer eens aan het scheppen was. Ik sloeg mijn armen om hem heen en gaf hem spontaan zo’n dikke zoen op zijn wang dat het klapte. Hij sloeg zich op zijn dijen van het lachen. “Wat nu, meidje, niet meer bang voor wriemelbeestjes?!” Bonne hikte van de lach. “Weet niet”, zei ik en haalde mijn schouders op. Ik stond er een beetje bedremmeld bij.
“Wat ben je aan het doen?”, vroeg ik toen maar. “Kijk, de compost is klaar, ik ga hem uitscheppen over het land, dat geeft vruchtbare grond”, legde Bonne uit. Ik keek naar de inhoud van de compostbak. Daarin lag prachtige donkere rulle aarde. Hoe kon dat nou? Dat was toch tuinafval? “Het is aarde”, zei ik nietbegrijpend. “Dat doen de wormen”, reageerde Bonne laconiek en ging door met scheppen. Ik was gegrepen en liep van bak naar bak. Dit was iets magisch. In de eerste bak zat afval: dode takken, verdorde bloemen, de stronk van een bloemkool, doppen van noten, schillen van eieren, aardappelen en fruit. Allemaal onbruikbare restjes. Nutteloos dood afval. In de tweede bak was die oude troep al half vergaan. Allerlei dieren aten het op, knaagden het fijn, maakten het tot een vieze bende. Maar in de laatste bak, het laatste stadium van dat proces van verteren, werd het opeens bruikbare aarde. Wormen aten de restjes op en poepten het uit. Wat er overbleef was goede compost. Aarde vol leven en voedingsstoffen waar weer nieuwe planten uit konden groeien.
Die oude wijze tuinman had opnieuw gelijk. Wat dood leek, zat vol met leven. Bonne zag het wonder voor zijn ogen in mijn gedachten wortel schieten. Hij was gestopt met werken en stond rustig te kijken hoe de waarheid van het leven langzaam tot mij doordrong. “Niets gaat ooit verloren meiske”, knikte hij me toe. “Uit het dode afval groeit het nieuwe leven, dat is de natuurlijk kringloop van het leven hier op aarde.” Ik knikte en lachte. Dát had de oude tuinman mij willen laten zien: na de winter wordt het altijd weer lente. Na de nacht volgt altijd weer een dag. Dat is de eeuwige cyclus van het leven en de dood hoorde daarbij. Het nieuwe leven ontsproot uit de dood, zoals ik voortkwam uit mijn moeder en zij voor een deel in mij zou verder leven. Als een bliksemflits trof deze gedachte nu doel in mij en ik stond te hikken van het lachen. Van pure opluchting. Al die tijd had het antwoord van mijn vragen over de dood voor mijn neus gelegen. Niet in de dure wetenschappelijke boeken van professor Dario, maar in deze vieze afvalbakken naast de keuken. Bonne stond er genoeglijk bij te kijken. Hij had al die tijd rustig afgewacht en geweten dat de waarheid en het wonder van het leven op een goed moment vanzelf tot mij moest doordringen.
Vanaf die dag bracht ik weer met plezier het tuinafval voor Cockie naar de composthoop. Daar was zij heel blij om, want voor haar was het enkel nog een griezelige hoop met enge beestjes.
~ Herfstdagen ~
De nazomer bracht bakken met regen. Terwijl ik les had van professor Dario, zag ik Bonne buiten hele dagen druk in de weer. Hij had het plan opgevat om op een stukje van het landgoed een moestuin aan te leggen. Vader had zijn goedkeuring gegeven. Nu was de oude baas hele dagen in de stromende regen bezig met grond omspitten en een hek plaatsen. Flink geplaagd door Sallie en Nella, die hem telkens voor de voeten liepen. Blijkbaar kwamen er door het spitten de lekkerste en dikste regenwormen boven de grond. Ik betrapte mezelf erop dat ik toch weer plezier begon te krijgen in die dikke dames.
Toen kwam de dag dat Bonne niet meer verscheen, terwijl de voorbereidingen aan de moestuin duidelijk nog niet klaar waren. De oude man had de laatste dagen flink lopen hoesten, wist Cockie te melden. Het was verstandig van hem om eerst wat beter weer af te wachten. Maar toen na een week de zon weer stralend begon te schijnen en Bonne zich de hele dag niet liet zien, maakten we ons allemaal verschrikkelijke zorgen. Bij het avondeten zei vader dat ik de volgende dag maar moest spijbelen van mijn lessen om onze zieke tuinman te bezoeken. Misschien kon ik een beetje voor hem zorgen.
De volgende ochtend was er nog geen spoor van Bonne te vinden bij het huis. Dus ging ik na het ontbijt op pad. Cockie had mij een pannetje soep voor hem meegegeven. Ik vond het best eng, want ik wist niet wat ik aan zou treffen. Onze tuinman was oud en ziek. Zou hij nog wel leven? Vader vertelde me dat Bonne twee dorpen verderop woonde. We waren er geen van allen ooit geweest, maar het was vast niet moeilijk te vinden: voorbij de begraafplaats aan het einde van een lang kronkelig pad zou zijn huisje staan.
Met de soeppan onder mijn armen en een bevend hart liep ik voorbij het eerste dorp naar het volgende. Gaandeweg werd mijn stap fermer. Bonne had zoveel voor ons gedaan, nu hij ziek was wilde ik graag iets voor hem terugdoen. In de verte zag ik al de begraafplaats, omringd door een hoge haag van coniferen. Het was fijn dat ik er niet doorheen kon kijken, nu hoefde ik ook geen graven te zien.
Voorbij de begraafplaats bleef ik stokstijf staan. Zodra ik de laatste conifeer was gepasseerd zag ik een bonte rij van kleuren. Ze sprongen in mijn oog en schitterden in de zon. Dit was het pad dat ik in moest slaan. Het slingerde zich als een felgekleurde sliert door de open velden naar de einder in de verte. Aan beide kanten van het pad stonden rozenstruiken in volle bloei. De geur die in mijn neus drong deed mij beter naar ze kijken. De twee voorste struiken aan weerszijden bevatten witte bloemen. Ik herkende ze meteen. Het waren mijn moeders lievelingsrozen!
Iets maakte kortsluiting in mijn hoofd, alsof er een gekleurd vuurwerk afging. Dit waren mijn moeders rozen… De tuinman had het niet over zijn hart kunnen verkrijgen om ze kapot te maken. Hij had ze stuk voor stuk uitgegraven en gewoon langs het pad naar zijn huis gezet. Het was een schitterend gezicht. Voorzichtig liep ik het pad op. Hoe verder ik kwam, hoe meer de bloemen mij omsloten met hun vertrouwde geur. Ik liep en liep. Er kwam geen einde aan. Ik moest lachen en huilen tegelijk. Roos na roos en bloem na bloem kwam ik mijn moeder tegen. Wat deden ze het goed op hun nieuwe plek. Er ontsteeg een jubel uit mijn hart. Ik zette het op een rennen. De soep klotste bijna uit de pan. Het was nog een heel eind naar Bonne’s huisje. Al die tijd stonden er rozen langs de kant. Ik kon mijn geluk niet op.
Toen ik het huisje binnenstormde, zag ik een lijkbleke magere man hoestend op bed liggen. Ik zette de pan neer en viel hem huilend in de armen. Totdat Bonne haast geen lucht kreeg en bijna stikte in zijn hoestbui. “Niet doodgaan”, piepte ik. Bonne hees zichzelf op in de kussens. “Lief kind, ik ben niet bang voor de dood, maar als jij me een lekker kopje soep geeft, dan ben ik vast zo weer beter.” Snel warmde ik de soep op. De oude man leek er echt van op te knappen en kreeg weer blosjes op zijn bleke wangen.
’s Middags troonde ik mijn vader met een smoesje mee naar het rozenpad. Hij had duidelijk geen zin, maar ik loog dat onze tuinman zijn hulp echt nodig had. Hand in hand liepen we naar het tweede dorp. Bij de begraafplaats ging ik steeds langzamer lopen. Ik wist niet zeker wat vader ervan zou vinden, maar hij moest het zien. Voorbij de laatste conifeer stonden we stil. Ik hield mijn adem in. Het duurde even voordat mijn vader doorhad wat hij zag. Toen barstte hij in huilen uit. Zo erg, dat ik ervan schrok en spijt had dat ik mijn vader had meegenomen. Maar direct daarop hoorde ik vader ook lachen. Net als bij mij vochten de emoties om voorrang. Ik wist dat het goed was, toen ik zag hoe teder hij de witte blaadjes van mijn moeders lievelingsbloem streelde. Samen liepen we wel honderd keer het laantje op en neer. Daarna gingen we het huisje binnen, waar vader Bonne de hand drukte. De blik van verstandhouding tussen de twee mannen sprak boekdelen.
In de dagen die volgden wandelden mijn vader en ik regelmatig over het kilometerslange “moederpad” en we haalden herinneringen op aan vroeger. Bonne heeft woord gehouden. Hij is opgeknapt en nog heel lang bij ons gebleven. Toen hij op een dag jaren later wel stierf, had ik er vrede mee. De dood hoort bij het leven en als je goed kijkt is er overal leven, want niets gaat ooit verloren.