Rimke de Noorvrouw

Het vervolg op Hindi de Noorman

Hoofdstuk 1: Een belangrijke opdracht

Op een van de eerste warme dagen van de lente trek ik eropuit en maak een lange wandeling samen met mijn hond. We hebben zoveel wintermaanden binnen gezeten dat de buitenlucht mij goed doet. Ik pak een tak van de grond en gooi hem in het koude water. Noes rent er als een dolle achteraan en springt zonder aarzelen in de rivier. Met een paar vlugge slagen heeft ze de tak bereikt, neemt hem in haar bek en klautert de oever op. Druipend komt ze naar mij toe rennen om de tak af te geven. “Brave hond,” prijs ik haar, maar ik heb het nog niet gezegd of ze schudt zich droog en de spetters vliegen in het rond. Mijn jurk worden helemaal nat. “Hè Noes, hoe vaak moet ik nu nog zeggen dat je een beetje verderop moet gaan staan met dat wilde uitschudden!,” protesteer ik. Ongeduldig kwispelend staat Noes voor mij te wachten totdat ik haar prooi weer wegwerp. Met een glimlach pak ik de tak opnieuw van de grond en gooi hem in de Seine. Echt boos kan ik nooit op haar blijven.

Noes is mijn beste maatje en een geweldig goede herdershond. Het liefst zou ze schapen of geiten hoeden, dat kan zij als geen ander, maar mijn vader heeft geen kudde meer. Zijn schapen zijn achtergebleven in het hoge noorden, in het verre land waar wij oorspronkelijk hij vandaan komen. Op een dag, zo’n vijftien jaar geleden, is hij samen met zijn vrouw en een grote groep vrienden vertrokken op een lang smal schip. Ergens onderweg ben ik geboren. Ik kijk naar het bootje dat net voorbijvaart over de brede rivier en vind het wel een spannend idee. Midden op het dek, tussen alle mensen die meegingen om in dit nieuwe land te gaan wonen, bracht mijn moeder mij ter wereld. Het is een verhaal dat mijn vader graag en vaak vertelt. Misschien omdat mijn moeder toen nog leefde en zijn leven vol van hoop was.

Mijmerend loop ik verder over het pad langs de rivier en kijk ondertussen om me heen naar de glooiende heuvels, de vruchtbare akkers en de bomen in de verte. Het is een mooie plek waar we terecht zijn gekomen. Al vind ik de naam wel gek: Normannia, wat “het land van de Noormannen” betekent. Er kwamen echt niet alleen mannen uit het Noorden. In dit gebied leven net zoveel vrouwen en kinderen. Vader moet er altijd erg om lachen als ik beweer dat ik geen Noorman ben. “Je hebt gelijk,” roept hij dan vrolijk. “Jij bent Rimke de Noorvrouw!” en trekt vervolgens meestal plagend aan een van mijn goudblonde lokken. Ik moet lachen als ik er aan terugdenk.

Mijn ogen zoeken Noes. Die malle hond heeft een bromvlieg gevonden om achterna te zitten. Ze springt en hapt in de lucht. Het is een komisch gezicht. Wanneer ik besluit op huis aan te gaan hoef ik haar niet te roepen. Zodra ik me omkeer en naar onze nederzetting terugloop heeft ze het in de gaten en volgt mij op de voet. Ik denk aan vader en hoe woest hij kan worden wanneer iemand ons van de Noordmensen Vikingen noemt. Zelf vind ik het wel een leuk gedachte dat ik een echte Vikingsdochter ben, maar volgens mijn vader is het een scheldwoord. “Vikingr betekent piraat en wij zijn geen rovers.” Meestal loopt hij dan rood aan en krijgt degene die het woord in de mond nam een preek, zelfs wanneer het Jelter onze hoofdman is en die wil nog weleens beweren dat wij toch echt van de Vikingen afstammen. Beiden vinden het belangrijk dat wij jongeren iets weten van onze oorsprong en vertellen vaak over onze roemruchte afstamming.

Ooit, in het land van het hoge noorden, waren er twee broers, de tweeling Kjeld en Jelter. Slechts eentje kon het land van zijn vader, hoofdman Bjarni, erven. Kjeld was een paar minuten eerder geboren en dus moest Jelter elders een plek vinden om te wonen. Zo gaat dat bij de Noormannen. Daarom zwermen zij uit over de wereld en bezetten stukken land die niet van hen zijn. Zij zijn de schrik der zeven zeeën en iedereen in de wereld noemt hen Vikingen. Zestien jaar geleden sloot de koning van Frankrijk een verbond met één van hen: Rollo. Deze gevaarlijke Viking had verschillende Franse steden geplunderd, waaronder Parijs. De koning wilde zijn stad beschermen en vroeg op een keer aan Rollo – zijn grote vijand – of hij niet een stuk land wilde. In de ruil daarvoor moest hij alle Vikingen tegenhouden die via de Seine Parijs wilden aanvallen. Zo kwam Rollo aan dit uitgestrekte gebied tussen de zee en Parijs. Hij noemde het Normannia en koos Rouen als hoofdstad. Zodra mijn vader van Normannia hoorde is hij meteen hier komen wonen. Een stuk land dat we niet hoefden te veroveren, maar dat we eerlijk gekregen hadden. Hij verlangde naar rust en vrede en wilde bovenal een goede toekomst voor mij. Ik kijk heel vaak of ik ook Vikingsschepen op de rivier zie, maar sinds wij hier wonen zijn die hier niet meer geweest.

In de verte ligt de nederzetting. Het grote huis waar hoofdman Jelter met zijn gezin woont lijkt van de buitenkant net een omgekeerd schip. Daaromheen liggen kleinere huizen, stallen en schuren. In totaal wonen er misschien zo’n vijftig mensen in het dorp. Ons huis ligt niet ver van de rivier. Vader heeft het eigenhandig gemaakt van hout en leem. Een dikke laag riet op het dak beschermt ons tegen regen en wind. Aan de rook uit de haard die er doorheen kringelt zie ik altijd meteen dat vader thuis is. Net als bij de andere huizen zijn er geen ramen, alleen een deur. Wanneer ik die open doe kan ik de ruimte in één oogopslag overzien. Het vertrek is misschien niet groot, maar het voldoet voor vader en mij. In de haard brandt een gezellig vuur. Vader zit zoals altijd voorovergebogen aan tafel en schaaft aan een speld. Als geen ander kan hij sieraden maken uit beenderen. Nog voordat ik ons huisje ben binnengestapt rent Noes langs mij heen om mijn vader te begroeten alsof ze hem heel lang niet heeft gezien. Lachend laat hij zich knuffelen. Mijn vader houdt van honden en beweert stellig dat een hond hem ooit het leven heeft gered. Ook zo’n verhaal dat hij graag vertelt.

“Hoi Rimke,” begroet hij mij, “was het lekker in de zon?” Ik knik en zet twee kommen op tafel gevuld met de warme dikke brij uit de ketel boven de haard. Mijn maag rammelt. Door de wandeling heb ik honger gekregen. Snel neem ik een grote hap. Vader neemt ook een schep en kijkt vertedert naar Noes die aan mijn voeten ligt. “Knoet was hier,” zegt vader dan met volle mond, alsof de gedachte net bij hem invalt en hij bang is het ook weer te vergeten. Zonder kauwen slikt hij de brij door. “Knoet laat vragen of hij Noes morgen mag lenen. Zijn schapen en geiten moeten naar de wei gebracht worden.” Het is net of Noes de boodschap begrijpt. Ze springt op en kwispelt opgewonden. Knoet is een oude vriend van mijn vader. Toen wij uit het hoge noorden vertrokken kon hij niet mee, maar jaren later heeft hij zich samen met zijn gezin alsnog hier bij ons gevoegd.

De volgende dag hoost het van de regen en komt Bjorn, de zoon van Knoet, ons melden dat de kudde toch nog een weekje op stal zal staan met dit weer. “Ja,” zegt vader goedmoedig tegen onze buurjongen, “Thor met de hamer gaat weer flink te keer”. Sinds we in dit nieuwe land wonen doen we niet veel aan godsdienst, maar Thor met de hamer ken ik wel. De god die over regen en bliksem heerst laat ook hier in Normannia regelmatig van zich horen. Bjorn staat een beetje bedremmeld in de deuropening. Hij is ongeveer even oud als ik en vernoemd naar onze voormalige hoofdman Bjarni. Een naam die “beer” betekent. Bjorn is dan ook een beer van een jongen, maar wel erg aardig en ik vind het jammer dat hij niet wat langer blijft praten. Hij moet echter snel terug om zijn vader te helpen met de schapen en de geiten. Noes laat haar kop hangen. Ze heeft begrepen dat haar leuke uitje vandaag niet doorgaat. Gelukkig is het een slimme hond en lijkt ze het te verstaan wanneer ik zeg dat Bjorn haar volgende week alsnog zal komen halen om te helpen de dieren in de wei te zetten.

Het regent zo hard dat ook vader en ik binnen blijven. Hij zit aan tafel en neemt een nieuw bot ter hand. Voor hem liggen een aantal handige gereedschappen die speciaal door Wieland, onze smid, gemaakt zijn. Vader verdient zijn geld met het maken van sieraden. Ik kijk graag naar zijn kundige handen en ga naast hem aan tafel zitten. “Vertel nog eens hoe een hond jou het leven heeft gered,” bedel ik om een verhaal. Voor een kort moment kijkt vader mij aan. Er verschijnt een glimlach om zijn mond. “Heb ik al eens verteld van die dag dat ik schaapherder was en de kudde door een heuse wolf werd aangevallen? Toen hebben mijn honden geholpen om het woeste roofdier weg te jagen. Oef, wat was ik bang!” Dat verhaal ken ik. Die honden waren Borre en Dettel, de ouders van Noes. Zij zijn een paar jaar geleden overleden, maar ik heb ze nog goed gekend. Dat is echter niet het verhaal waar ik om vroeg.

Over tafel kijkt vader mij guitig aan en er breekt een lach op zijn gezicht door. “Ik weet wel wat jij wilt horen. Zeker het verhaal van die andere Noes?” Ik knik en schuif wat dichter naar hem toe. Vader slaakt een diepe zucht. Hij doet net alsof hij het maar vermoeiend vindt, maar ik weet dat hij het fijn vindt om dat waargebeurde verhaal op te halen. “Er was eens een hond die Noes heette. Zij hoorde bij een oude herder, Romke.” Altijd als vader die naam zegt kijkt hij even veelbetekenend naar mij. Een korte blik van verstandhouding om zich vervolgens weer over het sieraad te buigen en rustig verder te vertellen. “Op een dag vond Noes een kleine baby onder de struiken. Het kind had een bochel en een klompvoet. Zijn ouders hadden er wijs aangedaan om het op een stil plekje neer te leggen en te laten doodvriezen. Het leven in het land van het noorden was zwaar en alleen de sterksten konden het uiteindelijk overleven. Op deze manier bespaarden de ouders hun kindje veel leed.”

Ik kijk naar mijn vader zoals hij naast mij aan tafel zit met zijn veel te kromme rug en zijn moeilijke linkervoet en ik weet dat dit verhaal over hem gaat. “De hond van de herder vond het kleine kwetsbare babytje en ging ernaast liggen om het warm te houden. Hoe de oude herder het dier ook gebood om met hem mee te komen, de hond was niet van zijn plaats te krijgen.” Uit mijn mond ontsnapt een zucht van verlichting. Op die manier heeft die eigenwijze herdershond het leven van mijn vader gered! “Toen heeft de herder jou meegenomen en voor je gezorgd,” vul ik aan. Vader knikt. “De herder legde mij iedere nacht naast de hond te slapen om warm te blijven”. Als vader hieraan terugdenkt kijkt hij dromerig in de verte. “Heb je Noes naar die hond van toen vernoemd?” Ik weet het antwoord al en moet het toch vragen. Vader knikt opnieuw. “En jij bent vernoemd naar de oude herder.” Vooral dat laatste vind ik altijd erg fijn om te horen.

Een week later komt Bjorn in alle vroegte bij ons aan de deur om Noes op te halen. Die weet meteen wat haar te doen staat en rent naar buiten. Ik neem mijn volle tas en bindt hem op mijn rug. Nadat ik vader gedag heb gezegd loop ik met Bjorn mee. Even verderop zijn de stallen van Knoet. De herder staat al te wachten en steekt zijn hand op ter begroeting. Nog voordat we goed en wel bij hem zijn gooit hij de staldeur open en drommen de schapen en geiten naar buiten. Ze blaten en mekkeren van blijdschap. Na een lange winter op stal mogen ze eindelijk naar de wei. Het is een drukte van belang. Er zijn bij elkaar wel honderd beesten. Misschien zelfs meer, want er zijn in het begin van de lente veel nieuwe lammeren geboren. De dieren rennen door elkaar en maken gekke bokkensprongen. Noes rent driftig heen en weer om samen met de hond van Knoet de uitgelaten kudde een beetje bij elkaar te houden.

Een klein stukje kan ik met Bjorn en zijn vader oplopen. Dan scheiden onze wegen. Na de begroeting draai ik me resoluut om en neem het pad langs de Seine stroomopwaarts in oostelijke richting. Achter mij hoor ik nog heel lang de uitgelaten kudde. Ik stap stevig door, al ben ik ook een beetje bang. Vandaag zal ik de sieraden die vader deze winter gemaakt heeft verkopen in Rouen, de grote stad die een paar uur verderop ligt. Sinds hij geen schaapherder meer is heeft mijn vader te weinig training en kan hij zulke lange einden niet meer lopen. Daarvoor sleept zijn voet teveel. Andere jaren verkocht Wieland onze sieraden wanneer onze smid zelf voor handel naar de stad moest. Dit jaar ben ik voor het eerst oud genoeg om in zijn plaats te gaan. De hele winter heb ik het bij vader bepleit en geroepen dat ik dat best kon, maar nu het zover is vind ik het toch spannend, want ik ben nog nooit zo ver van huis geweest en ook nog nooit in een stad.

Al vrij snel moet ik het vertrouwde pad langs de rivier verlaten. De Seine komt uiteindelijk ook in Rouen aan, maar maakt zo’n lange lus dat de tocht drie keer zo ver wordt. Vader heeft mij uitgelegd dat het verstandiger is om af te steken door het bos. In het begin ziet dat er nog uit als een lieflijk rustig boomlandschap. Maar na een paar kilometer staan de bomen zo dicht op elkaar dat de zon amper door het bladerdek kan dringen. Ik krijg kippenvel van de kou. Of komt het door de gedachte dat er achter elk bosje ieder moment een struikrover tevoorschijn kan springen. Eigenlijk ben ik helemaal niet zo vaak bang. Meestal heb ik echter Noes bij me en draag ik geen tas op mijn rug vol met kostbare sieraden. Dapper spreek ik mezelf moed in. Ik ben toch niet voor niets Rimke de Noorvrouw?!

De stad Rouen is zo’n twintig kilometer lopen. Daar ben ik wel een paar uur mee bezig. Vader heeft precies uitgelegd op welke adresjes ik een goede prijs voor de sieraden kan krijgen. Ook dat vind ik spannend, want ons inkomen hangt er van af. Tijdens de tocht probeer ik me er niet al te veel zorgen over te maken en van de wandeling te genieten. Als ik over de helft ben, kom ik op een open plek in het bos. Daar rust ik even uit en eet een homp roggebrood. Er zit genoeg voedsel in de tas voor de hele dag. Toch moet ik voort maken, want ik heb beloofd om voor donker weer thuis te zijn en als ik verder loop door het dichtbegroeide woud wil ik er ook liever niet aan denken hoe donker het hier in het holst van de nacht is.

Na een tijdje wordt het bos weer ruimer en ik luister vanaf dat moment of het ruisen van de Seine ook te horen is. De rivier moet volgens vader hier ergens weer tevoorschijn komen. Bij Thor met de hamer! Wat is dat? Ik spits mijn oren. In de verte klinkt een geluid, maar het lijkt niet op het klotsen van water. Het zijn voetstappen… en ze komen deze kant op! Vlug verstop ik mij achter wat struiken. Zouden het rovers zijn die het op mij hebben gemunt? Waarom maken ze dan zoveel lawaai? De rennende voetstappen komen steeds dichterbij. Het is vast een man, want zijn hijgen klinkt zwaar. Voorzichtig gluur ik door de takken. Eerst hoor ik hem alleen maar naderen. Dan kan ik hem ook zien. Het is een monnik. Hij draagt een lange bruine pij met een koord om zijn middel. Slechts één keer eerder in mijn leven heb ik zo iemand gezien. Meestal wonen monniken namelijk in kloosters en blijven ze binnen. Wat doet deze kloosterling hier? En waarom rent hij zo hard? Nog een paar passen en dan is hij bij de struik waarachter ik verscholen zit. Ik maak me zo onzichtbaar mogelijk. De jonge blaadjes aan de takken zijn nog te klein om mij echt te verstoppen. Nog even en hij heeft me te pakken. Een volwassen man is altijd sterker dan een meisje van vijftien jaar, ook al is hij zo oud en mager als deze monnik. Ik doe mijn ogen dicht en duik diep weg. De tijd lijkt eindeloos te duren.

Tot mijn opluchting hoor ik de voetstappen langs het bosje gaan waar ik achter verborgen zit. De monnik was niet op zoek naar mij! De man rent gewoon ergens naartoe. Waar moet hij zo snel heen? Er is hier niets in de wijde omtrek. Alleen Rouen en dat is nog zeker drie kilometer ver. Dat gaat deze man niet halen. Hij lijkt uitgeput. Zijn benen kunnen hem amper meer dragen. Hij struikelt steeds bijna en toch probeert hij door te rennen. Van achter de struiken kijk ik de monnik verwonderd na. Die haast zich in de richting van Rouen. Blijkbaar wil hij zo snel mogelijk in de stad zijn.

Kijk, hij valt! Languit ligt de man op de grond. Nog even probeert hij op te krabbelen, maar het gaat niet. Hij is te moe, lijkt het wel. Even twijfel ik of dit een valstrik is. Een slimme truc om mij naar zich toe te lokken en dan alsnog aan te vallen… maar dat geloof ik toch niet. Misschien komt het door de verhalen van mijn vader, die altijd met liefde over een oude monnik vertelt. Ene Arnulfi. Zouden alle Franse monniken zo vriendelijk zijn als die vroegere vriend van mijn vader? De man in de bruine pij ligt nog altijd een eindje verderop voorover op de grond. Precies op de plek waar hij gevallen is. Hij kan niet meer en snakt naar adem. Ik kom uit mijn schuilplaats tevoorschijn en loop langzaam naar hem toe. De monnik hoort mijn aanwezigheid en draait zich snel op zijn rug. Blaadjes en aarde kleven aan zijn lange kleed dat nat is van het zweet. Wanneer de oude man ziet dat ik slechts een jong meisje ben, blijft hij rustig liggen. Maar als ik dichterbij gekomen ben worden zijn ogen groot van ongeloof en begint hij te stamelen: “Hemeltje lief, ben ik al dood? Heb ik zo hard gerend dat ik overleden ben?” Snel doe ik een paar stappen terug. Deze vent is gek. Daarom holde hij zo hard. Ik moet uitkijken. Krankzinnige mensen zijn gevaarlijk. Ze weten niet wat ze doen en zijn onbetrouwbaar. Net als ik me heb omgekeerd om weg te rennen, hoor ik de man achter mij nog zeggen: “Deliana, ben jij het echt? Herken je me niet meer? Ik ben het, Arnulfi!”

Verstijfd blijf ik staan. Deliana, zo heette mijn moeder. Die naam heb ik in jaren niet meer gehoord. Hoe kent deze gek het woord Deliana? Dat is een niet alledaagse naam. Zeker niet ik deze contreien. Gefascineerd draai ik mij om en kijk de monnik strak aan. “Ik ben het,” zegt de man op de grond nogmaals, “Arnulfi, je weet wel, de slaaf die door jouw man Hindi bevrijd is.” Nu ben ik helemaal in de war. Hindi, zo heet mijn vader. Dit kan geen toeval zijn. Deze man heeft mijn ouders gekend. Blijkbaar denkt hij dat ik mijn moeder ben. Vader zegt ook altijd hoezeer ik op haar lijk. “Ben jij Arnulfi?,” vraag ik overbodig, want dat heeft de man op de grond al twee keer gezegd, maar ik kan het gewoon niet geloven. Hij knikt en probeert op te staan om mij een hand te geven ter begroeting, maar het ontbreekt de oude monnik aan kracht. Ik kijk naar de grijze haren en het doorgroefde gezicht voor mij. Hij lijkt op de beschrijving die mijn vader van zijn vroegere vriend heeft gegeven. Toch kan ik amper bevatten dat ik hier midden in een bos zomaar bij toeval de bekende Arnulfi uit de verhalen tegenkom. En alle oude monniken lijken op elkaar, toch?

Opeens breekt er een glimlach op het gezicht van de man op de grond door. “Aha, ik begrijp het al. Jij kunt Deliana niet zijn. Daar ben je veel te jong voor. Jij bent de dochter van Deliana. Het meisje dat aan boord van het schip geboren is. Hoe heette je ook alweer? Oh ja, Rimke, vernoemd naar de oude schaapherder.” De man op de grond krijgt een hoestbui en wuift met zijn hand dat ik even op hem moet wachten. Ik blijf rustig staan en ben niet meer bang voor hem. “Goh, wat lijk jij op je moeder! Je moet het een oude man als ik maar vergeven dat ik een beetje in de war was. Ik heb ook zo hard gelopen”. Even kijkt de monnik naar mij en dan breekt er een ontwapenende lach op zijn gerimpelde gezicht door. “Als jij geen geestverschijning bent, dan ben ik gelukkig nog niet dood en in de hemel.”

Hij richt zich een klein beetje op en gebaart me om dichterbij te komen. “Ik kom jullie waarschuwen. De Vikingen komen er aan. Ze zijn onderweg met hun gevaarlijke langschip. Vanuit mijn klooster aan de kust zag ik ze over de Noordzee varen. Toen heb ik meteen een paard gezadeld en ben in de richting van Rouen gereden, maar de oude knol werd een paar kilometer terug plotseling kreupel en ik heb haar achter moeten laten bij een wildvreemde boer. Zelf ben ik verder gerend.” Het komt er hakkelend uit. De monnik moet telkens naar adem happen. Ik begrijp echter heel goed wat hij zegt en de schrik slaat mij om het hart. De Vikingen komen! De echte, die roven en plunderen en moorden.

“Snel, we moeten naar vader om hem te waarschuwen,” roep ik en wil aanstalten maken om terug naar de nederzetting te lopen. De monnik houdt mij tegen. “Jouw vader is een goed en rechtvaardig mens, maar een echte krijger is hij niet. Daar is zijn zwakke lijf ongeschikt voor.” Ik hoef niet lang na te denken om te weten dat de man gelijk heeft. Mijn vader zal de Vikingen niet kunnen tegenhouden, maar Wieland de smid is een sterke man, en Knoet, en hoofdman Jelter ook. Volgens Arnulfi is het echter veel dichterbij om naar Rouen te gaan. Naar graaf Rollo, die aan de Franse koning beloofd heeft om Parijs tegen aanvallen van de Vikingen te beschermen. Die zal dan wel een ruiter naar hoofdman Jelter sturen.

Dat is waar. Er zit niets anders op. We zullen samen eerst naar Rouen moeten. Ik zal de oude man ondersteunen, zodat hij zijn belangrijke boodschap bij Rollo, de Vikingkoning van Normannia, kan overbrengen. Het is nog maar drie kilometer. Over een uur kunnen we in de stad zijn. Daarna zal ik wel zien of ik nog de rust heb om sieraden te verkopen. Het liefst wil ik zo snel mogelijk naar huis.

Met moeite help ik de monnik overeind. Hij leunt zwaar op mijn schouder en zet een paar stappen. Dan zakt hij alweer door zijn benen. De oude man kan niet meer. Ik stel voor dat we eerst een halfuurtje uitrusten. De Vikingen op de Noordzee moeten met hun schip eerst nog om de landpunt zeilen en daarna stroomopwaarts de Seine opvaren. Dat duurt minstens een paar dagen. We hebben nog wel even de tijd.

Arnulfi is het daar niet mee eens. Hoe eerder Rollo op de hoogte is gesteld, des te sneller kan iedereen ingeschakeld worden. Alles moet tenslotte in staat van paraatheid gebracht worden. De monnik wil dat ik alleen naar Rouen ga. “Jij hebt nog jonge benen en kunt over een halfuur voor Rollo staan.” Ik? Ik ken die hele Vikingkoning niet. Hij ziet me aankomen met mijn boodschap! En Arnulfi dan? Ik kan een uitgeputte oude man toch niet zomaar midden in een bos aan zijn lot overlaten? Als hij voor de avond valt zijn krachten niet hervindt, kan hij makkelijk door de een stel wilde wolven verslonden worden. Bij Thor met de hamer! Hoe moet dat nu?

Hoofdstuk 2: Naar koning Rollo

Ik ren over het pad. De zware tas bonkt op mijn rug. Het bos heb ik allang achter mij gelaten. Heuvel op krijg ik steken in mijn zij. Toch loop ik zo hard mogelijk door. Soms, op het hoogste punt van iedere heuvel, kan ik Rouen al zien liggen. De stad lijkt slechts tergend langzaam dichterbij te komen. Ik moet opschieten. Er is haast geboden. Dat heeft Arnulfi mij op het hart gedrukt. Met een bezwaard geweten liet ik de vriend van mijn vader achter in het enge bos. Al het brood uit mijn tas gaf ik hem. De monnik wilde er niets van weten en zei dat hij gewend was om te vasten. Toch stond ik het allemaal aan hem af. Hoe kon ik anders mijn vader ooit nog onder ogen komen? De oude man beloofde dicht bij het pad te blijven zitten, zodat de ruiter die vanuit Rouen naar hoofdman Jelter in onze nederzetting zou worden gestuurd hem zou zien en kon meenemen. Alleen op die voorwaarde ben ik vertrokken.

In eerste instantie holde ik te hard. Dat was niet vol te houden. Zeker geen drie hele kilometers en vooral niet heuvel op en heuvel af. Toch probeer ik zoveel mogelijk vaart te blijven houden, maar ik heb vandaag al een flinke afstand in de benen en de snelheid is er wel een beetje uit. Hoe zullen ze mij ooit toelaten bij de Vikingkoning? Niet aan denken. Eerst maar eens Rouen bereiken. Met iedere glooiing van het landschap komt de stad dichterbij en dan, na een halfuur rennen, bereik ik eindelijk de eerste huizen langs de Seine. Even verderop is de rest van de stad tegen een rotswand aangebouwd. De burcht van onze Vikingkoning ligt helemaal bovenaan. Dus ik moet eerst nog een steile klim maken.

Ik heb nog nooit een stad gezien. Wat zijn hier in Rouen veel huizen en wat is het druk in de straten. Overal lopen mensen. Dat ben ik niet gewend. Onderweg naar boven passeer ik een van de adresjes waar ik volgens mijn vader zijn sieraden tegen een goede prijs zou kunnen verkopen. De tas op mijn rug weegt zwaar, maar geen haar op mijn hoofd die er aan denkt om nu nog zaken te doen. Ik moet een boodschap overbrengen. Het hele land is in gevaar. Er komen echte Vikingen aan, die roven en moorden. Zij sparen niemand. Niet alleen in Normannia, maar ook in Parijs waar de Franse koning woont moet iedereen vrezen voor zijn leven.

Vlak voor de poort van de burcht van Rollo sta ik een moment stil om op adem te komen. Nu moet het gebeuren. Ik, Rimke, zal proberen binnen te komen om onze eigen Vikingkoning te spreken te krijgen. Er staan twee wachters voor de poort. Ze hebben allebei een harnas aan en een stevige helm op. In hun handen dragen ze scherpe speren. “Ik heb een belangrijke boodschap voor koning Rollo,” zeg ik zo stoer mogelijk. De mannen kijken elkaar aan en lachen mij vierkant uit. “Zo’n jong meisje? En dan een belangrijke boodschap? Voor een grote boodschap moet je naar het kakhuis.” De tweede poortwachters rollen bijna om van het lachen. Mij zinkt de moed in de schoenen. Helemaal wanneer de mannen eraan toevoegen dat koning Rollo niet in de burcht is. Hij is zelfs niet in Rouen. Ik weet niet of ze mij in de maling nemen, maar ik ben bang dat het waar is. “Dan moet u snel een ruiter naar hem toesturen,” probeer ik moedig. Dat werkt echter nog meer op de lachspieren van de beide heren. Een bode stuur je niet zomaar, begrijp ik, en zeker niet op gezag van een onbekend meisje. De zaak is hopeloos.

Ik wil het al opgeven en weggelopen wanneer ik plotseling achter de ramen van de burcht iets zie bewegen. Daarbinnen is weldegelijk iemand aanwezig. Van hieruit lijkt het een voorname gestalte, echt zoals ik me een Vikingskoning voorstel. “Rollo!,” kan ik het niet laten om te roepen. Er gebeurt niets. “Rollo!,” probeer ik opnieuw. Mijn hoofd geheven naar het raam. Mijn handen naast mijn mond om het geluid beter te richten. “Ik heb een bericht voor de Vikingkoning. Het is belangrijk!” De mannen voor de poort is het lachen vergaan. Vervaarlijk richten ze hun speren op mijn buik en bevelen dat ik weg moet gaan. Ze beweren nog altijd dat de Vikingkoning niet aanwezig is, maar daarboven zie ik toch echt een man lopen. “Rollooo!,” schreeuw ik wanhopig voor de laatste keer. De wachters doen een stap naar voren. Wanneer ik niet verdwijn zullen zij zeker mijn lichaam doorspiesen, dat kan ik in hun ogen lezen. Dit zijn geen lieverdjes, deze mannen.

Op het moment dat zij nogmaals een stap in mijn richting zetten draai ik me om en loop weg. Geen idee waar naartoe, maar dit heeft geen zin. Dan opeens hoor ik een stem achter mij. “Wacht, jij die Rollo zoekt.” Het klinkt gebiedend en nieuwsgierig. Met een ruk keer ik mij naar de burcht. Een jongeman leunt vanuit de eerste verdieping naar buiten. Het is de gestalte die ik net achter de ramen zag. Hij heeft een glad jeugdig gezicht en lange bruine haren tot over zijn schouders. Ik schat de jongen van mijn leeftijd, of iets ouder. Een jaar of twintig misschien. De Vikingkoning is hij helaas niet. Hoewel ik Rollo nog nooit gezien heb, weet ik uit de verhalen dat het een man is van minstens zestig jaar.

De poortwachters staren verbaasd naar boven. Vooral wanneer de stem uit het raam beveelt dat zij “de jonkvrouwe” de burcht in moeten laten, valt hun mond open. Hoofdschuddend grijpt eentje mij bij de elleboog en sleurt me mee naar binnen. Hoe ik ook trek en snauw dat ik best zelf kan lopen, de wachter laat mij niet los. Met één hand duwt hij mij een gang door en een trap op. Ik krijg amper tijd om rond te kijken. Maar zelfs in de gauwigheid zie ik hoe groot de ruimtes zijn en hoe rijk versierd alles is. De hele burcht is gebouwd van steen. Een beetje bang ben ik wel. Wie is de jongen die mij sommeerde boven te komen? Wat gaan ze met mij doen? Als ze mij hier gevangen zetten in een koude kerker dan weet niemand in de nederzetting waar ik ben en kan niemand mij ooit komen bevrijden.

Voordat ik er erg in heb geeft de poortwachter mij mopperend een zet en struikel ik haast een grote ruimte binnen. Gelukkig val ik net niet. Na een paar passen hervind ik mijn evenwicht, blijf staan en kijk rond. In het midden van de zaal staat een grote houten tafel. Aan de zijkant brandt een behaaglijk vuur. Naast de haard staat een jongeman in prachtige kleren. Hij ziet er eerder uit als de Franse koningen uit vaders verhalen dan als een Viking. Zijn hand wenkt mij naderbij. Achter mij hoor ik de zware voetstap van de wachter, maar met een simpel gebaar wordt die weggezonden. Zijn aanwezigheid is niet gewenst en ik durf niet om te kijken, maar zou er een lief ding voor over hebben om de uitdrukking op het gezicht van de poortwachter nu te kunnen zien. Schuifelend maakt hij zich uit de voeten en ik hoor de deur achter mij in het slot vallen.

Voorzichtig doe ik een paar stappen naar voren. De ogen van de jongeman nemen mij op. Van mijn sandalen tot mijn goudblonde krullen. “Wie ben je? En wat is die belangrijke boodschap voor de Vikingkoning?” Zijn stem weerkaatst in de ruimte. Er is verder niemand. Alleen wij. Even heb ik de neiging om verlegen naar de grond te staren, maar dan denk ik aan Arnulfi en aan de dingen die hij heeft gezegd. Ik recht mijn rug en kijk de jongen tegen over mij strak aan. “Vertel mij eerst wie u bent,” vraag ik beleefd. “Wie ben jij dat je mij niet kent?,” bromt hij boos. “Heb jij nog nooit van Willem Langzwaard gehoord? En je vraagt nog wel naar mijn vader, koning Rollo?” Een beetje in de war knipper ik met mijn ogen. Is dit Willem Langzwaard, de zoon van Rollo en Poppa? Wat heeft hij dan een oude vader!

Snel herneem ik mezelf en haal diep adem. “Ik ben Rimke uit de nederzetting van hoofdman Jelter.” Dat ik een Noorvrouw ben, slik ik vandaag maar even in. Er is haast geboden. “Op de Noordzee is een schip met Vikingen gesignaleerd.” Dat is de kortste samenvatting van het bericht dat ik moest doorgeven. Zo, nu weet hij het. Willem Langzwaard trekt zijn wenkbrauwen op en wil weten hoe ik aan deze informatie kom. Ik vertel hem over mijn tocht naar Rouen en de toevallige ontmoeting met de monnik. Bedachtzaam schudt Willem Langzwaard met zijn hoofd en strijkt over zijn kin. Franse monniken zijn over het algemeen zeer betrouwbaar. Zou hij mij geloven?

“Als het waar is wat je zegt, dan moet mijn vader dit zo snel mogelijk weten.” Willem schreeuwt een commando en vliegensvlug komt er een schildknaap de kamer binnen. “Zendt een bode naar mijn vader, koning Rollo, die in Honfleur is, met de mededeling dat er Vikingen in aantocht zijn.” De hele houding van de jonge Willem straalt gezag uit en ik ben onder de indruk. Er valt ook een last van mijn schouder. Het is me gelukt om de boodschap van Arnulfi over te brengen en onze Vikingkoning zal zo snel mogelijk op de hoogte gebracht worden. De schildknaap wil al vertrekken als de koningszoon nog iets te binnen schiet. “Onderweg zal de bode waarschijnlijk een vermoeide monnik langs het pad aantreffen. Zorg dat die een lift krijgt tot de eerstvolgende nederzetting. Daar komt hij vanzelf langs, want hoofdman Jelter moet ook op de hoogte gebracht worden zodat hij mijn vader kan helpen om ons land te beschermen.” Even wacht de schildknaap of er nog meer komt. Dan maakt hij een buiging en verlaat de ruimte.

Naast mij slaakt Willem een diepe zucht. “Hopelijk zijn ze op tijd om die moordende Vikingen tegen te houden!” Ik kan alleen stom knikken. Hij vraagt of ik een plaats voor de nacht zoek en biedt vriendelijk aan dat ik in de burcht mag blijven slapen, maar ik ga liever naar huis. Het zal nog een paar uur licht zijn, schat ik zo, en ik wil graag voor donker bij vader zijn. Er komen vijandelijke Vikingen aan en onze hele nederzetting zal in rep en roer zijn om de aanval af te slaan. Willem begrijpt het. Hij moet zelf ook nog veel doen. Dan krijgt hij een inval en wenkt me om met hem mee te gaan. Ik loop achter hem aan door de burcht. Met elegante passen schrijdt de jongeman voor me uit naar de keuken en laat me daar achter bij de kokkin met de woorden dat ze goed voor mij moet zorgen. Dan is hij weg. Gek, de hoffelijke koningszoon groet mij niet eens netjes en bedankt me ook niet. Alhoewel, mijn tas wordt op zijn bevel door de kokkin volgepropt met pasteitjes, pannenkoeken, oliebollen en andere lekkernijen. Meer dan ik vandaag nog op kan. Wat zal vader daarvan smullen!

Even later sta ik buiten. De poortwachters komen meteen om me heen staan. Ze willen mij uithoren. Gelukkig kan ik net tussen een arm en een speer ontsnappen en voordat de beide mannen het goed en wel doorhebben maak ik me uit de voeten. Aan de stand van de zon te zien is het een uur of half drie. Ik weet de weg nu wel zo’n beetje, want ik volg precies hetzelfde pad als op de heenweg. Na minder dan een uur bereik ik de plaats waar ik eerder die dag Arnulfi heb achtergelaten. Van de monnik is geen spoor meer te bekennen. Blijkbaar heeft de bode de oude man achter op zijn paard meegenomen. Dat lucht me op. Hoewel ik nog een heel stuk door het dichte bos moet is mijn tred licht en soepel. Er is een pak van mijn hart nu er een ruiter onderweg is naar onze hoofdman Jelter en naar Rollo de Vikingkoning.

Op de open plek in het bos rust ik even uit en eet wat van het overheerlijke voedsel dat ik meekreeg van de kokkin. Al te lang pauzeer ik echter niet. De geluiden van het bos maken mij onrustig. Het is net alsof er iemand naar mij kijkt en ik de hele tijd vreemde ogen in mijn rug voel prikken. Waarschijnlijk ben ik gewoon ongedurig en wil ik snel naar huis. Ik hang de overvolle tas weer op mijn rug en zet er stevig de pas in voor de laatste etappe. Zal vader erg teleurgesteld zijn wanneer ik hem vertel dat ik vandaag zijn sieraden niet heb verkocht? Ach, hij zal het wel begrijpen. Over een paar weken kan ik een hernieuwde poging wagen. Dan neem ik Noes mee en voel ik me vast een stuk veiliger.

Net op het moment dat ik dat denk, hoor ik geritsel achter mij. In een reflex duik ik ineen. Een dikke knuppel schampt mijn hoofd. Ik word van achter aan mijn haren getrokken. Een hand grijpt in mijn tas. “Een struikrover!,” schiet het door mij heen. Bij Thor met de hamer! Iemand wil de sieraden van vader stelen! Ik schreeuw, maar in de wijde omtrek is er waarschijnlijk niemand die mij kan horen. Ik trek en ruk om los te komen. Dat lukt niet. Aan de ademhaling bij mijn oor hoor ik dat het een man is. Hij heeft teveel gedronken. Dat kan ik ruiken. Opeens legt hij een hand om mijn hals en probeert mijn keel dicht te knijpen. Een paar tellen lang krijg ik geen lucht, maar zodra ik beweeg glijden de vingers weg. Door de olie van de baksels in mijn tas is de hand te glad geworden om goed grip te krijgen. Opnieuw worstel ik om los te komen. Venijnig trap ik met de rand van mijn sandaal naar achteren tegen het scheenbeen van de overvaller. Dat doet blijkbaar erg zeer, want van schrik laat de man mij plotseling los. Daardoor verlies ik mijn evenwicht en val voorover op de grond. Ik stoot mijn hoofd tegen een kei. Er is geen tijd om pijn te voelen. Snel probeer ik op te krabbelen. De man achter mij grijpt de punt van mijn jurk en trekt me naar zich toe. Dan zie ik ineens vanuit mijn ooghoek zijn knuppel op de grond liggen. Het lukt me om het ding vast te pakken en met één slag haal ik uit. Het slaghout raakt de man midden op zijn bovenarm en ik hoor iets breken. Hij gilt het uit van pijn, maar ik heb geen medelijden en sta klaar om opnieuw toe te slaan. Gewapend met deze knuppel ben ik sterker dan hij met zijn gebroken bovenarm. De man overziet de situatie en zet het grommend op een hollen in de richting van Rouen.

Zijn gezicht heb ik amper gezien. Dat was zwaar behaard met een muts diep over zijn ogen getrokken en een tandeloze mond. Zijn gehavende kleren verraadden dat het een zwerver was. Toch gaf dat hem niet het recht om iets te stelen. Als hij het me vriendelijk had gevraagd was ik wellicht bereid geweest om iets van de overvloed van het voedsel in mijn tas met hem te delen. Het is dat ik vanuit een soort instinct bukte, anders had hij me met zijn knuppel bij die eerste slag vast de schedel ingeslagen.

Mijn hoofd doet zeer, maar dat is van de val tegen de kei. De huid van mijn voorhoofd is geschaafd, want er kleeft bloed aan mijn vingers wanneer ik aan de wond voel. Verder ben ik gelukkig nog heel. Mijn kleren zitten onder de bladeren en er steken takjes in mijn haar. Met de tas stevig tegen mij aan en de knuppel in beide handen, ren ik die dag voor de tweede maal een heel eind. Ik wist niet dat ik zoveel kracht in mij had. Door de angst voel ik de vermoeidheid nauwelijks. Als ik maar eenmaal thuis ben, dat is alles wat ik denk.

Wat ben ik opgelucht wanneer ik eindelijk het bos uitkom en de Seine zie. Dan pas vertraag ik mijn pas en ga langzamer lopen. Nu ben ik bijna thuis. Vader zal nog niet eens ongerust zijn. De zon gaat bijna onder. Anders zou ik ook ongeveer om deze tijd zijn teruggekomen. Hoe had het met vader verder gemoeten als ik er na vandaag niet meer was geweest? Dan was er niemand meer die voor hem zorgde. Ik weet niet of hij het verdriet had aangekund. Hij gaat al zo gebukt onder het gemis van mijn moeder. Ik heb haar nooit gekend. Een jaar na mijn geboorte beviel zij van een tweede kindje. Een zoon. Maar de bevalling ging niet goed en beiden zijn in het kraambed overleden. Sindsdien heeft mijn vader met zijn zwakke lichaam alleen voor mij gezorgd. Hij heeft zijn schapen aan Knoet gegeven, die tot dan toe eigenlijk alleen geiten hoedde, en heeft sindsdien met sieraden maken de kost verdiend. “Dan kon ik lekker thuis bij jou zijn,” zegt hij altijd lief.

Wanneer ik de nederzetting nader lijkt alles daar volkomen rustig. Dat verbaast me wel. Ik had verwacht dat iedereen druk bezig zou zijn om alles voor te bereiden voor het moment waarop de Vikingen eraan komen. Blijkbaar is iedereen in het grote huis van hoofdman Jelter om over slimme plannen te vergaderen. Nou, niet iedereen. Bij ons eigen huisje kringelt zoals altijd de rook door het rieten dak. Fijn dat vader thuis op mij wacht! Doodmoe open ik de deur en stap naar binnen. Vader staat bij het vuur en roert in de ketel. Verder is er niemand. “Waar is Arnulfi?,” is het eerste wat ik vraag. Ach, de monnik is waarschijnlijk nodig op de vergadering. Misschien moest hij zelfs wel mee naar koning Rollo. Als hij dat nog redde, zo’n heel eind achter op een paard.

Mijn vader komt naar me toe en kijkt me vertwijfeld aan. “Wat is er met jou gebeurd?,” vraagt hij bezorgd. Hij wil de plek op mijn voorhoofd bekijken, maar ik hou af. “Dat is niets. Iemand probeerde mij te bestelen. Ik heb hem weggejaagd.” De ogen van mijn vader worden groot. Hij wil er alles over horen. Ik kiep de tas leeg op tafel, zodat hij kan zien dat alle sieraden veilig mee zijn teruggekeerd. Ook de oliebollen en pasteitjes rollen over het tafelblad. Er stijgt een zoete geur op waarvan mijn maag spontaan begint te knorren. Vader wil honderd vragen stellen over de overval en hoe ik aan al dat eten kom, maar er zijn belangrijkere dingen.

“Waar is Arnulfi?,” vraag ik opnieuw, dwingender nu. Ik kan aan mijn vader zien dat hij er nu helemaal niets meer van begrijpt. “Arnulfi? Bedoel je mijn oude vriend de monnik die ooit slaaf was? Voor zover ik weet woont die ergens in een klooster aan de rand van de Noordzee. Wil je hem een keer bezoeken?” Ik schud mijn hoofd, meer van ongeloof dan als antwoord op de vraag. Is Arnulfi hier niet? Heeft vader hem niet gezien? Bij Thor met de hamer! Hoe kan dat nu?! Misschien is de monnik samen met de bode naar hoofdman Jelter gegaan en toen meteen doorgereisd naar koning Rollo. Dat zal het zijn! Ze hadden vast geen tijd om een oude vriend te bezoeken, al was het ook enkel om vader te waarschuwen…

Zonder het verder uit te leggen draai ik me om en stiefel de deur uit, rechtstreeks naar het grote huis van onze hoofdman. Ik wacht niet op mijn vader die moeilijk ter been is en gooi abrupt de zware deur open. Natuurlijk had ik verwacht dat er een vergadering in volle gang was, maar binnen is het stil. De vrouw van de hoofdman zit vredig te spinnen achter het weefgetouw. Hun jonge kinderen liggen al te slapen op hun mat. Hoofdman Jelter komt verbaasd aanlopen. “Zo laat nog volk dat als een wervelwind binnenstormt? Dan moet er wel iets zijn,” zegt hij jolig. Jelter is een vriendelijke man die zich niet zo gauw druk maakt. “Is de bode geweest?,” vraag ik meteen. Het is duidelijk dat ze hier van niets weten. Daarvoor is hoofdman Jelter te rustig. “Bode? Welke bode? Maar wat zie je eruit mijn kind? Wat is er met je gebeurd?” Op die woorden komt Vrouwe Marie Claire nieuwsgierig van achter haar weefgetouw. Ze neemt een lap linnen, doopt het in een kom met water en wil de wond op mijn voorhoofd schoonmaken. Ik weer haar hand af en roep: “De Vikingen komen!”

Iedereen kijkt me verbaasd aan. Ook mijn vader, die inmiddels achter mij is binnengekomen. Ik knik driftig en verhef mijn stem. “De Vikingen! Ze varen met hun schip over de Noordzee. Arnulfi heeft ze zelf gezien. De monnik die ooit slaaf was. Ik kwam hem vandaag toevallig tegen in het bos. Hij was op weg om koning Rollo te berichten over de Vikingen, maar hij kon niet meer lopen van vermoeidheid en toen heb ik de boodschap overgebracht.” De woorden rollen over elkaar uit mijn mond. Hoe kan het dat niemand in de nederzetting nog van iets weet?

“Nou, nou, meisje.” Hoofdman Jelter klopt mij vaderlijk op de rug. “Wat een raar verhaal. De Vikingen zijn al zestien jaar niet meer in deze regio gezien. Sinds koning Rollo de Seine bewaakt is het hier volkomen veilig.” Ik schrik als ik zijn woorden hoor. Ze geloven mij niet! Vader komt naast me staan en neemt het voor mij op. Hij zegt dat ik over het algemeen een eerlijk en deugdzaam meisje ben, die over zoiets belangrijks nooit zou liegen. De hoofdman lijkt niet van zijn stuk gebracht. Hij vindt het behoorlijk ongeloofwaardig dat ik zomaar midden in het bos mijn vaders oude vriend ben tegengekomen. Dat is naar zijn idee veel te toevallig. Vader slaat zijn ogen neer en ik zie dat hij het ook maar moeilijk kan geloven.

“Ik heb het echt niet verzonnen!” Mijn stem klinkt boos en vertwijfeld. Waarom geloven ze me nu niet? Daar komt Vrouwe Marie Claire weer met de natte linnen doek. Ze dept mijn voorhoofd. Ik laat haar begaan. De wond prikt. Ondertussen praat de vrouw van de hoofdman zachtjes tegen mij. “Natuurlijk heb je het niet verzonnen. Je hebt alleen een flinke klap tegen je hoofd gehad. Misschien weet je het allemaal niet meer zo goed.” De tranen springen in mijn ogen. Ik weet niets meer te bedenken. Mijn hoofd klopt en bonkt. Ik sta te trillen op mijn benen van vermoeidheid. Het zou me niets verbazen als ik straks flauwviel. Bijna ga ik aan mezelf twijfelen.

Vader komt naast me staan en slaat een arm om mij heen. “Ze heeft wel erg bijzondere pasteitjes en andere lekkernijen meegenomen uit Rouen.” Dankbaar kijk hem aan. Mijn eigen vader laat mij tenminste niet vallen. Als het er op aankomt vertrouwt hij mij blind. Ik vat opnieuw moed en vertel haastig dat ik die in de burcht van de kokkin hebt gekregen. De hoofdman kijkt zijn vrouw meewarig aan. Ik zie in hun ogen dat dit verhaal hen alleen nog maar wantrouwiger gemaakt. Niemand wordt zomaar in de burcht binnengelaten. Ze kunnen gewoon niet geloven dat ik de zoon van koning Rollo, Willem Langzwaard, heb ontmoet. Hoe meer ik vertel, des te grotere zorgen maken ze zich over mijn geestelijke gezondheid. Ik begrijp het wel. Als er werkelijk Vikingen in aantocht waren, dan zou hoofdman Jelter allang door een bode op de hoogte zijn gebracht. Dat is ook precies wat onze hoofdman zegt wanneer hij mijn vader en mij naar de deur begeleidt.

Met de armen om elkaar geslagen loop ik samen met mijn vader terug naar huis. Wat kan ik anders doen? Het was een lange, lange dag en ik heb geen energie meer. Mijn hoofd kan amper nog nadenken. Wellicht besloot de bode onderweg dat er geen tijd te verliezen was en wilde hij in één keer doorrijden om koning Rollo op de hoogte te stellen. Die is tenslotte in het dorpje Honfleur bij de riviermonding waar de Seine in de Noordzee uitkomt. Daar zullen de Vikingen als eerste langskomen, dus er was haast bij om onze koning zo snel mogelijk te informeren. Zo zal het vast gegaan zijn! Door die gedachte laat ik mijn geweten sussen. Ik wil niets meer eten. Mijn hele lichaam verlangt alleen nog maar naar rust. Zodra ik goed en wel op mijn slaapmat lig, val ik in een diepe droomloze slaap.

Hoofdstuk 3: Op pad

De volgende ochtend word ik pas heel laat wakker. Mijn lijf voelt loom en ik moet van ver komen. Maar met de zoete geuren van de lekkernijen die nog altijd op tafel liggen dringen de herinneringen aan de vorige dag weer langzaam tot mij door. Vader zit aan tafel geconcentreerd te werken aan een nieuw sieraad. Zijn bochel steekt nog verder uit dan gewoonlijk als hij zo voorovergebogen zit. Voordat ik hem goedemorgen kan wensen gaat de deur open en stapt Bjorn naar binnen. Op de voet gevolgd door Noes die zich meteen bovenop mij stort. Ik sla mijn armen om mijn hond en verberg mijn neus in haar vacht. Dat geeft mij altijd een veilig en vertrouwd gevoel. Vandaag overheerst echter de onrust. “Is er al een bode?,” vraag ik aan Bjorn. Hij haalt zijn schouders op een lijkt niet te weten waar ik het over heb. “Zeker een lange reis gehad naar Rouen gisteren, dat je nu nog in je bed ligt? De zon is al uren op,” plaagt hij mij. Er klopt iets niet. Ook als de bode gisteren in volle vaart is doorgereden naar koning Rollo en onze nederzetting heeft overgeslagen, dan zou er allang een bericht moeten zijn, toch? Of zou er ieder moment een boodschapper kunnen aankomen?

Ik sta op en ga naast vader aan tafel zitten. Als ik Bjorn begerig naar de pasteitjes zie kijken moet ik haast lachen. Tast toe, gebaar ik. Dat laat de zoon van de herder zich geen tweede keer zeggen. Hij ploft op de bank aan de andere kant van de tafel, kiest de grootste pastei en neemt er met smaak een hap van. Dan kijkt hij mij over tafel recht aan en vraagt met volle mond: “Wat zit jouw dwars vandaag?” Ik krijg bijna tranen in mijn ogen van ontroering. Bjorn voelt net als Noes aan hoe het met mij gaat. Zonder angst om uitgelachen te worden vertel ik opnieuw wat mij de vorige dag is overkomen. Te beginnen bij de toevallige ontmoeting met Arnulfi. Dit keer neem ik meer tijd en door de nauwkeurige beschrijving van de oude monnik gelooft mijn vader nu toch ook dat ik echt zijn vriend heb ontmoet daar in het bos. Vooral Bjorn neemt mij heel serieus. Hij vindt het geweldig dat ik Willem Langzwaard heb ontmoet en is zeer onder de indruk van de manier waarop ik de struikrover heb weggejaagd. Wanneer ik klaar ben met vertellen is onze buurjongen er volledig van overtuigd dat de Vikingen eraan komen. Ik voel me meteen een stuk beter, al is het probleem natuurlijk nog niet opgelost.

“Misschien is die bode gistermiddag ook wel een struikrover tegengekomen in dat dichte woud,” denkt Bjorn hardop. Dat zou verklaren waarom onze nederzetting nog geen bericht heeft gehad. Maar in dat geval weet ook koning Rollo nog van niks! En waar is Arnulfi dan? Want die zat niet meer naast het pad. We praten opgewonden door elkaar. Van buiten horen we de gebruikelijke geluiden uit de nederzetting: lachende stemmen en spelende kinderen. Tot geen van hen is nog doorgedrongen dat er werkelijk gevaar dreigt. Alleen wij drieën maken ons grote zorgen. Terwijl we onze tanden zetten in een dikke pannenkoek, rijpt ondertussen een plan. Ik wil niets liever dan naar koning Rollo in Honfleur gaan om te horen of hij al weet dat de Vikingen in aantocht zijn en het hem anders zelf te vertellen. Bjorn besluit meteen om met mij mee te gaan. Als schaapherder kent hij de omgeving beter dan wie dan ook. Hij weet een goede plek om in dit jaar getijde de Seine over te steken. Allemaal dingen waar ik zelf niet bij stil heb gestaan.

Naast mij kijkt vader bedenkelijk. Vindt hij ons plan te gevaarlijk? Dat is het natuurlijk ook. Levensgevaarlijk, want de Vikingen komen eraan! Wanneer Bjorn en ik abrupt stilvallen, zucht mijn vader diep. Dan blijkt dat hij zich zorgen maakt over zijn vriend Arnulfi. Iemand moet naar de monnik op zoek gaan. Misschien leeft hij nog wel…

We bespreken wat we het beste kunnen doen. Naar koning Rollo reizen, die waarschijnlijk door zijn zoon Willem Langzwaard allang op de hoogte is gesteld, of het leven van de dappere Arnulfi redden, zonder wiens hulp wij nooit van de komst van de Vikingen hadden geweten. Een tijdlang komen we er niet uit. Het is vader die de knoop doorhakt. “Mijn lijf is niet in staat om dat hele eind naar de riviermonding bij de Noordzee te lopen. Zelfs voor wie de weg kent is het dorpje Honfleur toch algauw zestig kilometer gaans. Aangezien geen van ons daar ooit geweest is zullen wij bij het laatste stuk van het pad de kronkelige Seine moeten volgen en komt daar nog een flinke afstand bij. Dus ik ben van plan om Arnulfi te gaan zoeken. Dat is wel het minste wat ik voor mijn vriend kan doen.” De stem van vader stokt even als hij mij en Bjorn aankijkt. Het is net alsof hij zichzelf ergens overheen moet zetten. Dan spreekt hij verder. “Toch vind ik dat wij er alles aan moeten doen om te zorgen dat koning Rollo op zijn minst op de hoogte is dat de Vikingen eraan komen. Arnulfi heeft zichzelf kapot gerend om te proberen die boodschap bij de Vikingkoning te brengen. Het is belangrijk dat wij die missie afmaken. Daarom stel ik voor dat jullie tweeën zo snel als mogelijk is naar koning Rollo lopen.” Bjorn en ik kijken elkaar aan. We voelen ons vereerd dat we zo’n belangrijke opdracht krijgen. “Neem Noes mee,” voegt vader ons nog toe. We knikken bevestigend en springen van tafel. Er moet nog van alles geregeld worden en we willen meteen weg.

Bjorn sprint naar buiten om toestemming te gaan vragen aan zijn eigen vader. In ons kleine huisje lopen vader en ik elkaar telkens in de weg terwijl we haastig onze tassen inpakken. Een tocht van meer dan zestig kilometer loop je niet in één dag. Ik zal dus ergens buiten moeten overnachten en rol mijn slaapmat op. We pakken allebei voldoende eten in voor onderweg. De gehavende jurk van gisteren kan ik niet meer aan. Ik heb maar twee jurken, dus ik kan geen reservekleding meenemen. Daar is ook eigenlijk geen plek meer voor in de tas. Mijn warme wollen wintermantel neemt veel ruimte in. Overdag zal ik hem misschien niet nodig hebben, maar ’s avonds zodra de zon ondergaat is het nog koud en ’s nachts kan ik er onder slapen als onder een deken. Noes merkt dat er iets gaande is en loopt onrustig heen en weer totdat ik haar beveel stil te blijven zitten. Dan gaat ze braaf naast de deur op wacht staan. Zo geeft ze aan dat ze graag meewil wanneer een van ons op reis gaat. Haar slimme gedrag tovert een glimlach op onze gespannen gezichten.

We zijn nog maar net klaar als Bjorn alweer bepakt en bezakt in ons huisje verschijnt. “Vond je vader het zomaar goed?” Er klinkt lichte verbazing in de stem van mijn vader. Bjorn humt een beetje terwijl hij de hond knuffelt. Volgens mij heeft mijn vader niet door dat de jongen slechts vaag op zijn vraag reageert, maar mij ontgaat het niet. Zou Bjorn zijn vader wel de hele waarheid hebben gezegd? Dan kan hij toch nooit zo snel al terug zijn? Wijselijk vraag ik niet door.

Vader kijkt nog een keer het huisje rond of we niets vergeten zijn. Voor de zekerheid steekt hij de houten knuppel bij zich. Dat is verstandig. Mijn vader gaat tenslotte naar het donkere bos waar de struikrover zat! Dan neemt hij zijn zwaarbeladen tas op en loopt naar buiten. Het hengsel van de tas snijdt in zijn bochel. Dat zal wel pijn doen. Hij sleept met zijn linkerbeen. Toch trekt hij er vandaag op uit om zijn vriend te zoeken. Ik ben trots op mijn vader en vlieg hem om de hals. Even staan we innig tegen elkaar. “Een goede reis Rimke,” fluistert hij in mijn oor. Er schieten tranen in mijn ogen, maar ik wil niet huilen en druk mijn vader nog steviger tegen me aan. Zou ik hem ooit wel terugzien? Als de Vikingen komen vermoorden ze vaak mensen en branden huizen plat. Dat zijn de verhalen die ik altijd heb gehoord. Ik moet er niet aan denken om zonder vader verder te moeten. “Moge Thor ons allen beschermen,” smeek ik hardop. We doen misschien niet veel meer aan de oude goden van ons volk uit het noorden, maar het kan ook geen kwaad.

Noes blaft ten teken dat ze het te lang vindt duren. Ze heeft gelijk. We moeten gaan. Ik laat mijn vader los. Hij vertrekt in de richting van Rouen en zal het pad volgen dat ik gisteren genomen heb. Bjorn en ik moeten precies de andere kant op. Stroomafwaarts langs de Seine naar de plaats waar de rivier uitmondt in de Noordzee. We zwaaien nog een keer naar mijn vader en nog eens… Dan is hij uit het zicht verdwenen. Ik zucht, maar ga vastbesloten op pad. Gelukkig weet Bjorn op het eerste deel van onze tocht de weg. Al vrij snel verlaten we de rivier die teveel kronkelt. Door het bos kunnen we een heel stuk afsteken om zo snel mogelijk bij koning Rollo in Honfleur aan te komen. Noes rent voor ons uit.

“Wat heb je eigenlijk tegen je vader gezegd?,” wil ik weten nu we alleen zijn. Bjorn haalt schuchter zijn schouders op. “Dat jij en Hindi een aantal dagen onderweg zijn en dat ik meega.” Wat een slimme smoes! Lachend kijk ik naar de jongen die naast mij loopt. Ik ken hem al mijn hele leven. Hij is misschien een halfjaar ouder dan ik. Zijn lijf oogt groot en breed, maar hij doet altijd zo vriendelijk dat ik nooit bang van hem ben geweest. Ook niet wanneer hij mij vroeger plaagde. Sommige kinderen kunnen gemeen zijn, maar de sterke Bjorn deed telkens voorzichtig met zijn kracht. Nu voel ik me juist veilig naast zo’n beer van een jongen.

Hij blijkt ook alles van de Vikingkoning te weten. Onder het lopen vertelt hij me spannende verhalen van Rollo die in zijn jonge jaren voordat hij onze koning werd als een heuse Viking Parijs heeft aangevallen en geplunderd. Enige tijd later doodde hij de graaf van Bayeux en nam diens dochter Poppa tot vrouw. Vrij snel na de geboorte van hun zoon Willem, die de bijnaam Langzwaard kreeg, moest Rollo echter van haar scheiden. Tijdens zijn rooftocht naar de stad Chartres werd Rollo namelijk verslagen door de Franse koning Karel de Eenvoudige. Geamuseerd kijk ik Bjorn aan. “De Eenvoudige? Wat is dat nou voor rare bijnaam voor een koning!” Volgens mijn reisgenoot heette de Franse koning zo omdat hij altijd helder en duidelijk sprak zonder moeilijke woorden te gebruiken. Koning Karel was degene die een verdrag met Rollo sloot. De verslagen Viking zou een stuk land krijgen in ruil voor bescherming tegen aanvallen van andere Vikingen. “Daarom wonen wij nu in Normannia”.

Er brandt een vraag op mijn lippen, maar Bjorn zit midden in zijn verhaal en het lukt me niet hem te onderbreken. Ter bekrachtiging van het verdrag met de Franse koning moest Rollo het christelijke geloof aannemen, zo vertelt de herderszoon naast mij. “Dus de Vikingkoning heeft zich laten dopen en is van Poppa gescheiden om met een dochter van Karel de Eenvoudige te trouwen.” Ik weet niet wat ik hoor! Bjorn knikt. “Pas toen zijn tweede vrouw stierf kon Rollo weer hertrouwen met Poppa,” beweert hij stellig. Ik vind het maar een gek gedoe! Lukraak scheiden en zomaar opeens christelijk worden… Van mijn vader weet ik dat alle Fransen in dit gebied een ander geloof hebben dan wij. Zij zijn katholiek, net als de monnik Arnulfi. Zou die nog leven?

Nog kan ik mijn vraag niet stellen. Bjorn vertelt vol enthousiasme verder. Volgens hem weigerde Rollo de voet van de koning te kussen en dat was nodig om het verbond te bezegelen. “Als echte Viking zijnde vond Rollo het vernederend om voor iemand te knielen,” vertelt Bjorn met smaak. “Weet je wat ze toen deden?” Hij wacht mijn antwoord niet af. “Rollo stuurde een vazal om in zijn plaats de voet van de koning te kussen. Ook dat was echter een trotse Viking. In plaats van te knielen boog de vazal voorover, greep het been van de koning en bracht de voet naar zijn mond. Die arme Karel de Eenvoudige verloor daarbij zijn evenwicht en viel achterover.” Bjorn moet er zelf van grinniken. “De Franse koning is toen dus letterlijk op zijn achterhoofd gevallen!” Ik lach vrolijk mee.

We lopen een stukje zwijgend verder door het lieflijke bos. Veel aangenamer dan het dichte woud waar ik gisteren doorheen moest. Zou vader daar nu zijn? Hoe zou het met hem gaan? En met Arnulfi? Kan hij de monnik ergens vinden? Van die akelige struikrover zullen ze vandaag vast geen last hebben, die heeft een veel te pijnlijke bovenarm. Al zijn er waarschijnlijk overal genoeg landlopers die uit zijn op een makkelijke buit.

Opeens valt mij de vraag weer te binnen. “Waarom heet onze koning eigenlijk een Vikingkoning? Mijn vader zegt altijd dat Viking een scheldwoord is en hamert erop dat wij Noormannen heten, mensen uit het noorden.” Bjorn knikt. “Mijn vader ook. Maar Rollo is een woeste kerel. Hij is er trots op dat men overal ter wereld de Vikingen vreest. Van jong tot oud, edelman of bedelman, iedereen bibbert bij het woord Viking alleen al. Onze koning slaat zichzelf op de borst vanwege zijn veroveringen en plunderingen. In alle jaren dat hij nu de Seine beschermt en Parijs, de woonplaats van Karel de Eenvoudige, verdedigt is hijzelf nog vaak op rooftocht in andere delen van het land geweest. Rollo kan het roven niet laten. Hij houdt ervan een Viking te zijn. De mannen uit onze nederzetting zijn veel zachtaardiger, hoofdman Jelter, Wieland de smid, jouw vader en de mijne, die doen allemaal geen vlieg kwaad. Zij willen slechts in vrede leven.” Ik kijk naast me. “En jij?,” vraag ik nieuwsgierig. Bjorn leek erg opgewonden over alle Vikingverhalen, toch zegt hij rustig “Ik ook” alsof het de gewoonste zaak van de wereld is. Ik raap een tak van de grond en gooi hem een eindje verderop. Noes spurt er meteen achteraan. Zij loopt onze afstand wel drie keer. Telkens gaat ze op onderzoek uit en komt dan terug om weer even contact te maken met ons. Ik hoef haar nooit in de gaten te houden.

Na een kilometer of tien komen we bij een oude ruïne. Eens stond hier een prachtig hoog gebouw. Dat is te zien aan alle grote witte stenen die overal liggen en de stukken muur die nog overeind staan. Bjorn weet te vertellen dat dit ooit een klooster was waar monniken woonden. Zo’n zeventig jaar geleden schijnen Vikingen het te hebben geplunderd en platgebrand. Ik vind het hartstikke zonde. Aan alles is te zien dat het een schitterende kerk is geweest. De kloosterlingen van toen zijn vermoord en de rest is gevlucht. Toch stapt Bjorn door een opening het gehavende gebouw binnen en gaat op zoek naar een kluizenaar die hier ergens in de krochten schijnt te wonen. Midden in de hoge ruimte sta ik me net te vergapen aan de indrukwekkende dikke muren als we een hoge piepstem horen. “Wat moet dat daar?” Bjorn loopt meteen naar de plek waar het geluid vandaan komt. Voorzichtig volg ik mijn reisgenoot. In de hoek van de kerk staat een smalle gestalte. De man is zo mager dat hij iel afsteekt tegen de grove stenen van het gebouw. Zijn haar is kort. Zijn gezicht ingevallen. Over zijn hele lichaam lijkt zijn vel gerimpeld, alsof hij teveel huid heeft.

“Bent u Jumieges?,” vraagt Bjorn. De man knikt. “Dit dorp heet Jumieges. Dit is het klooster van Jumieges of wat daar nog van over is, en dus noemt men mij ook Jumieges,” zegt de kluizenaar. Het piepen van zijn stem lijkt helemaal bij zijn postuur te passen. Zijn ogen beginnen te twinkelen wanneer Bjorn hem vraagt of hij ons de Seine over kan zetten. Opeens begrijp ik het. Dus daarom moesten wij deze ruïne in om de kluizenaar te vinden. Deze man weet een manier om de kolkende rivier over te steken. “Moet dat nu meteen?,” wil de kluizenaar weten. Bjorn knikt en mijn hoofd wipt als vanzelf mee op en neer. “Je kunt hier ook blijven overnachten,” stelt Jumieges hoopvol voor. “Jullie mogen hier gerust een hele week blijven. Of nog langer.” Het klinkt bijna smekend. Kluizenaar zijn is een eenzaam bestaan. “Het moet nu,” antwoordt Bjorn vastberaden. “Eet anders eerst nog wat,” doet Jumieges nog een poging om ons wat langer te laten blijven. Ik krijg bijna medelijden met de stokoude man, maar wij moeten verder. “We hebben haast,” val ik Bjorn bij. Jumieges kijkt van de één naar de ander en weer terug. Ik doe mijn best om een zo serieus mogelijk gezicht te trekken. Ook Bjorn staat onbeweeglijk naast mij. Dan zucht de kluizenaar en wenkt ons om hem te volgen.

Minutenlang lopen we achter de spaarzaam geklede man aan. Zijn benen zijn zo dun dat het onbegrijpelijk is dat ze niet knappen. Toch gaat hij er met een rotgang vandoor. Zijn kwieke dribbelpasje is amper bij te houden en na een kwartier loop ik te hijgen. Gelukkig kan ik tegen die tijd de rivier al horen en even later staan we aan de rand van de Seine. Noes heeft dorst en drinkt van het snel voorbij stromende water. Tussen het riet aan de oever ligt een klein bootje verscholen. Met een energieke beweging springt de kluizenaar erin en gebaart ons dat ook te doen. Bjorn geeft mij een hand en helpt me in het wiebelende geval te stappen. Daarna doet hij zijn rugzak af en geeft hem aan mij, om vervolgens zelf ook aan boord te klimmen. Dan vangen we samen Noes op die na een korte aarzeling toch de sprong durft te wagen. Er is amper plek voor ons allemaal. Bjorn kan alleen nog maar boven op zijn eigen tas plaatsnemen. Er zit niets anders op. Aan zijn gezicht kan ik zien dat hij aan het roggebrood in zijn bagage denkt dat nu waarschijnlijk helemaal geplet wordt.

Jumieges heeft intussen het bootje losgemaakt en met een flinke zet van de kant geduwd. Daar drijven we de rivier op. Het wiebelt en schommelt. Ik houd mijn adem in. Behalve Noes kan niemand van ons zwemmen. Als blijkt dat de kluizenaar van plan is ons eigenhandig naar de overkant te roeien biedt Bjorn aan om te helpen, maar Jumieges wijst alle hulp resoluut af. Dat verbaast ons. Die arme man is vel over been. Heeft zo iemand wel de kracht om ons over te zetten? Gelukkig hoef ik zelf niet op mijn tas te zitten. Het ding staat naast me en ik ga op zoek naar de laatste oliebol. Wanneer ik de lekkernij gevonden heb bied ik hem de kluizenaar aan. Opnieuw weigert Jumieges. Dit keer lachend. “Je moet nooit de veerman betalen voordat hij je heeft overgezet. Anders gooit hij je misschien wel ergens halverwege overboord.” Er lopen koude rillingen over mijn rug, maar dat kan net zo goed door die hoge piepende stem komen als door de gedachte aan het ijskoude water.

Ik kijk om me heen. We zijn bijna midden op de rivier. De andere oever lijkt nog ver weg. De stroming is hier verschrikkelijk sterk en we drijven een heel eind mee stroomafwaarts. De golven klotsen tegen ons kleine bootje aan en spoelen soms over de rand, zo diep liggen we. Angstig kijk ik naar Bjorn die een beetje sip voor zich uitstaart. Blijkbaar twijfelt ook hij of het wel zal lukken om de overkant te halen. Zelfs Noes kijkt verlangend naar het vaste land. Alleen Jumieges lijkt zich nergens druk over te maken. Hij zet een vrolijk lied in. Eerst zachtjes neuriënd, daarna komen er woorden bij. Ik versta het niet. Het is waarschijnlijk Latijn. De taal van de monniken en de kerk. Zou Arnulfi het kennen? Hoe is het met hem? En met vader? Niet aan denken. De kluizenaar zingt inmiddels uit volle borst en roeit op het ritme van de melodie. Hij maakt verbazingwekkend krachtige slagen en daardoor komen we opeens goed vooruit. Tijdens het zingen klinkt zijn hoge stem juist mooi. Telkens opnieuw herhaalt hij dezelfde twee regels. Bjorn probeert mee te zingen. Dat klinkt grappig samen, want de beer van een jongen heeft juist een hele diepe stem. Ik luister stil genietend. Wiegen durf ik niet, dan kiepen we om. Het gaat goed en de oever komt met iedere haal van de riemen door het water dichterbij.

Zodra we er zijn springt Noes met een grote sprong van boord. Ze is zichtbaar opgelucht. Bjorn staat voorzichtig op om niet te veel te wiebelen en stapt aan wal. Eerst pakt hij zijn eigen tas aan en dan de mijne. Daarna helpt hij me uit de boot stappen. Jumieges doet lang zo voorzichtig niet. Met twee benen tegelijk springt hij aan wal. Op zijn gezicht staat een stralende glimlach, alsof hij wil zeggen “dat hadden jullie niet gedacht hè?!” Ik geef hem alsnog de oliebol, die de kluizenaar in dank aanvaardt. Wanneer ik nog iets uit mijn tas wil opdiepen, wuift hij dat terzijde. Een overheerlijke oliebol is genoeg beloning. Dankbaar nemen we afscheid van de kluizenaar. Voordat we definitief vertrekken wijst hij ons nog op een verroeste kerkklok die even verderop aan de oever van de Seine ligt. “Wie ooit terug wil kan met een tak op die klok slaat. Dat geeft zo’n specifiek geluid dat ik het in het klooster van Jumieges kan horen. Als je daarna een halfuurtje wacht dan zie mij vanzelf verschijnen.” Met die woorden springt het grappige mannetje weer in zijn boot en begint voortvarend terug te roeien.

Wij nemen onze tassen op en vervolgen onze weg. Nog een tijdje horen we de kluizenaar zijn roeilied zingen. Het is een prettige melodie om op te lopen. Samen met Bjorn marcheer ik in dezelfde maat. Af en toe neuriet hij het liedje en ook in mijn hoofd blijft de pakkende melodie hangen.

Een uur voordat de zon ondergaat kijken we uit naar een goede slaapplek. Vannacht zullen we in de openlucht moeten overnachten. Gelukkig is het droog en vinden we al vrij snel een soort grot. De ondiepe inham onder een overhangende rots geeft ons goede beschutting tegen de wind en voor als het zou gaan regen. We laten onze tassen achter op de grond en gaan in de omgeving op zoek naar hout. Ondertussen waakt Noes over de bagage en dat is maar goed ook, want een kleine veldmuis blijkt haar zinnen te hebben gezet op onze proviand. Met veel kabaal jaagt Noes de indringer weg. Ik prijs mijn trouwe viervoeter uitbundig. Die kwispelt zelfvoldaan en gaat pontificaal voor onze tassen zitten, alsof ze een rijke schat bewaakt. “Het is een feest om haar mee op reis te hebben,” complimenteert Bjorn mijn hond. “Ze komt goed van pas en maakt zich nuttig waar ze kan. Bovendien is ze helemaal niet lastig.” Noes houdt haar kop schuin en luistert aandachtig. “Daarnaast is ze natuurlijk ook heel mooi en lief,” vult Bjorn aan. Ik gloei van trots. Ergens voelt het alsof hij mij mooi en lief vindt…

Met de verzamelde takken leggen we voor de ingang van de grot een kampvuur aan. Dat geeft warmte als het afkoelt in de avond en het houdt mogelijke wilde dieren op afstand. Terwijl Bjorn zorgt voor nog wat extra brandstof, pak ik het voedsel uit dat we hebben meegenomen. Zijn roggebrood is inderdaad behoorlijk plat, maar gelukkig nog wel te eten. Ik leg het brood bij het gedroogde schapenvlees uit mijn tas en naast elkaar gezeten eten we met smaak onze avondmaaltijd. Door de buitenlucht en de wandeling hebben we erge trek gekregen. We kauwen op het vlees en het kleffe brood en staren zwijgend naar de vlammen in het vuur. De stilte tussen ons voelt vertrouwd.

Als we alles tot de laatste kruimel hebben opgegeten en ook Noes gevoed is, rollen we meteen onze slaapmatten uit. Morgen bij het eerste licht zullen we verder trekken, dus is het verstandig om nu vroeg te gaan slapen. Bjorn legt de laatste takken op het vuur. De gele vlammen laaien hoog op en zullen nog een paar uur warmte geven. Ik neem Noes mee als ik buiten de grot nog even mijn behoefte moet doen. Een paar stappen verwijderd van het vuur is de wereld aardedonker. Overal om mij heen klinken vreemde geluiden, maar met Noes aan mijn zijde ben ik niet bang. Het idee dat verderop die grote sterke Bjorn in de grot ligt geeft me een veilig gevoel. Na het plassen kruip ik op mijn slaapmat diep weg onder de warme wintermantel. Noes nestelt zich aan mijn voeteneinde. Aan de ademhaling van Bjorn naast mij te horen is mijn metgezel al in diepe slaap. Het duurt niet lang of ook ik ben ver weg in dromenland.

Hoofdstuk 4: Béronne

De volgende morgen word ik wakker van de geluiden van kletterend water. Ik draai me om en zie dreigende wolken, maar het regent niet. Het geluid komt van Bjorn die op het kampvuur staat te plassen. “Het vuur moet goed uit zijn,” zegt hij verontschuldigend. “Er kunnen nog vonken onder de as schuilen en als er wind komt kan er brand uitbreken.” Ik knik goedkeurend en sta op. Als hij klaar is til ik mijn rokken op boven het geblakerde kampvuur en leeg mijn blaas. Bjorn vindt dat heel normaal en kijkt niet eens. Hij heeft mij al zo vaak zien plassen. Alle mensen van de nederzetting trouwens. Na iedere belangrijke ceremonie, bijvoorbeeld na onze algemene vergadering tijdens de Thing, plast iedereen ter afsluiting over het gras. “Zo, die as is goed doorweekt. Daar komt echt geen brand meer van.”

In het oosten schemert het boven de horizon. Wij volgen echter het pad naar het westen en daar is het nog aardedonker. Op ons gemak rollen we de slaapmatten op en eten wat. Dan kunnen we gaan. Onze wintermantels slaan we om tegen de kou. Er staat een gure wind deze ochtend. “Waar is Noes?,” vraag ik en kijkt bezorgd om mij heen. Zodra ze haar naam hoort verschijnt de hond achter de bosjes vandaan. Ze heeft een konijn in haar bek. Dat is wel een nadeel van honden, vind ik. Maar zelf kijkt ze glunderend en is niet van plan haar prooi af te geven.

Bjorn slaat een pad in dat dwars door glooiende weiden en boomgaarden leidt. Nog steeds kent hij hier de weg. Zijn vader neemt hem weleens mee om te jagen en de omgeving te verkennen. Het is nog een heel eind naar Honfleur en we zetten er stevig de pas in. Al vrij snel komen we de Seine weer tegen en volgen die een tijdje tot het punt waar we moeten kiezen. Verder dan deze plek is Bjorn nooit geweest. Wat zullen we doen? De rivier volgen die een omweg maakt, maar zeker bij het dorp Honfleur uitkomt. Of wagen we de gok en proberen we recht op het westen af te koersen en tien kilometer af te snijden? Dat laatste klinkt aanlokkelijk. Op de hele route waren echter tot nu toe zoveel zijpaden dat we bang zijn te zullen verdwalen en dan zijn we verder van huis. Het voelt rustiger om gewoon de rivier aan onze rechterhand te volgen. Uiteindelijk kiezen we daarvoor.

De hele ochtend zien we dreigende wolkenluchten boven onze hoofden. Tot de middag hebben we geluk en blijft het droog. Daarna lijkt het alsof de hemel openbreekt en stort de regen opeens met bakken naar beneden. Het gaat zelfs onweren. Met iedere bliksemflits slaat Thor met de hamer ergens op aarde een reus neer. Zo te merken leeft de god van de donder zich lekker uit. In een mum van tijd zijn we door en door nat. Mijn jurk plakt aan mijn benen en belemmert het lopen. Het water loopt met straaltjes over mijn haren, prikt in de wond op mijn voorhoofd sijpelt zo in mijn ogen dat ik amper voor me uit kan kijken. Daar is toch niet veel meer te zien dan een grijs gordijn van druppels. We kunnen nergens schuilen en hebben haast, dus we lopen dapper door. Wat goed dat we voor dit pad hebben gekozen. In een bos waren we zeker verdwaald geraakt.

Na een uur gaat het minder hard regen. Voor ons maakt dat amper iets uit. We zijn toch al helemaal doorweekt en verkleumd van de kou. Het lopen houdt ons wel een beetje warm, maar niet genoeg. Wanneer ik zomaar begin te klappertanden, slaat Bjorn een arm om mij heen en drukt me stevig tegen zich aan. Door alle lagen met natte kleren voel ik de warmte van zijn lichaam en dat doet mij goed. Met onze voeten proberen we in hetzelfde ritme te bewegen. Links-rechts, links-rechts. Er zit niets anders op dan verder te lopen en telkens het ene been voor het andere te zetten. Naast ons stroomt de rivier rustig met ons mee.

Hoe ver zijn we al? En belangrijker: hoe ver moeten we nog? Honfleur, het dorpje aan de monding van de Seine, is werkelijk nog een heel eind. Dat gaan we vandaag niet meer redden. De moed zakt mij in de schoenen. Moeten we vannacht dan in de openlucht slapen? Zo dicht bij de rivier zullen we vast geen grot kunnen vinden. De grond is overal drassig en nat. Ook is er nergens een droge tak te vinden om een vuurtje te stoken. Lopend heb ik het al erg koud, hoe moet dat dan vannacht? De toestand is behoorlijk hopeloos. Bjorn is van nature een opgewekt mens en laat de moed niet zomaar zakken. Zolang het licht is lopen we verder, besluit hij. Des te minder afstand hoeven we morgen nog maar af te leggen.

Morgen, als we zeker het dorpje Honfleur bereiken. Zou koning Rollo ons wel toelaten? Misschien heeft hij al bericht gehad over de Vikingen, dan zijn al deze moeilijkheden voor niets. Daar is Bjorn het niet mee eens. “We maken deze tocht voor ons eigen geweten. Net zoals jouw vader tegen beter weten in zijn vriend gaat zoeken.” Hoe zou het met vader zijn? Zou Arnulfi nog leven? Al piekerend ga ik steeds langzamer lopen. Ik voel hoe de arm van Bjorn zich steviger om mijn schouders legt, als om mij moed in te spreken. Hij heeft gelijk. Een mens moet ten alle tijden hoop blijven houden. Dan hoor ik naast mij zijn stem. Hij zingt. Diep en zacht. Het roeiliedje van Jumieges de kluizenaar. Ook ik zet in. Onze stemmen vloeien harmonisch samen. Overal rondom ons valt druilerige regen. Mijn wintermantel is zwaar van het vocht. We komen niet snel vooruit, maar iedere pas is er één. Eigenlijk ben ik best trots op ons, zo moedig als wij doorzetten.

Opeens horen we een derde stem die meezingt. We blijven abrupt staan en stoppen van schrik met zingen. “Hou niet op,” klinkt het achter ons. “Ik vind het juist zo’n mooi lied.” Bij Thor met de hamer! Wie is dat? Verschrikt kijken we achterom. Daar loopt een man in een bruine pij. Precies zo’n lang kleed als Arnulfi droeg. Deze monnik is alleen veel jonger. Hoe lang loopt hij daar al achter ons? Door de regen hebben we niets gehoord. Noes is ook niet aangeslagen. Blijkbaar straalde de vreemdeling rust en vertrouwen uit. Zie maar hoe ze kwispelt terwijl ze aan hem snuffelt. De man laat het allemaal goedmoedig toe en aait de hond eens vriendelijk achter haar oor. “Waar gaat de tocht naartoe,” vraagt hij belangstellend. Het klinkt niet verdacht. Toch twijfel ik over het antwoord. Bjorn heeft zichzelf sneller hersteld en zegt: “Wij zoeken een goede slaapplaats voor de nacht.” De monnik knikt. “Ik ben zelf ook onderweg naar gastvrije vrienden. Het is niet ver meer. Zij hebben vast wel een plekje om ook jullie te herbergen.” Dat klinkt ons als muziek in de oren en met hernieuwde energie gaan we met de man mee.

Al lopend stelt hij zichzelf voor als Béronne. “Dat komt van het woord beer. Blijkbaar vonden mijn ouders dat een bijzonder dier,” voegt hij er vrolijk aan toe. Wanneer we vertellen dat Bjorn ook van het Vikingwoord voor beer komt, is het ijs meteen gebroken. De monnik wil alles weten over onze gewoonten en gebruiken, maar Bjorn en ik wonen al ons hele leven in Normannia en weten bijna niets meer over het leven in het hoge noorden.

Na een klein halfuurtje neemt Béronne ons mee naar een zijpad dat naar onze slaapplaats leidt. Even verderop zien we een klein klooster staan. Het wordt al bijna donker en we zijn alle drie blij dat we er zijn. Niet lang nadat Béronne heeft aangeklopt, wordt de deur opengetrokken. In de opening verschijnen twee monniken. Hun gezichten klaren op zodra ze Béronne zien. Ze nodigen hem meteen uit om binnen te komen. Hij wijfelt een beetje en wijst naar ons. Nieuwsgierige blikken nemen ons op. Je ziet ze denken: een sterke jongeman, een mooi meisje dat al borsten krijgt en een enge hond, die horen niet in een klooster thuis. Na enig aandringen van Béronne laten ze ons toch toe. Gelukkig! Ik stap achter Bjorn aan naar binnen, maar loop dan meteen weer terug om Noes te gebieden zich buiten uit te schudden. De hond kijkt me verdwaasd aan en begrijpt er niets van. Ik doe het voor en schut met mijn hele lijf. Achter mij in de deuropening schieten de monniken in de lach. Een van hen gebaart dat we maar gewoon naar binnen moeten komen uit die druilerige regen. Dat gebaar begrijpt Noes maar al te goed en ze rent drijfnat naar binnen. Snel loop ik achter haar aan. Een van de monniken sluit de deur. Daar staan we dan. Druipend op de mat. Nu we op een beschutte plek zijn besluit Noes dat het tijd is om zichzelf droog te schudden. Net op dat moment komen er een aantal andere monniken aanlopen om te kijken waar al dat rumoer over gaat. De spetters vliegen hen om de oren. Ik houd mijn adem in. Noes heeft iedereen nat gespat. De mannen kijken verschrikt naar hun pijen. Die zitten onder de modder. Nu worden we vast weggestuurd en moeten we alsnog in de koude nacht buiten slapen…

Dat opeens begint een van de monniken te lachen. Hij is ouder dan de anderen en waarschijnlijk de hoogste in rang. Deze abt wijst naar de man die naast hem staat. Er hangt een druppel aan diens neus. Het ziet er komisch uit. Vooral als de twee ogen boven de druppel haast scheel kijken om te zien wat er toch aan die neus hangt. Anderen schieten ook in de lach. Het begint als zachtjes grinniken, maar al snel hebben ze allemaal een lachstuip. Ze slaan zichzelf op hun dijen. “Zag je dat? We kregen een douche. Blijkbaar vond de hond dat we nodig gewassen moesten worden!,” hikt er eentje. “Onze pijen moesten ook nodig eens verschoond,” knikt de abt en geeft ons een hand. Zo worden we verwelkomd en binnengehaald. Ik haal opgelucht adem en zie dat Bjorn ook ontspant.

De monniken gaan ons voor naar de eetzaal. Daar is het behaaglijk warm doordat er een aangenaam vuur in de haard brandt. Er staat een grote tafel in het midden van de zaal met houten banken aan beide kanten. De abt verontschuldigt zich dat zij even schone pijen aan zullen trekken. Hij wijst ons het gastenverblijf waar wij ons mogen verkleden en vannacht zullen kunnen slapen. Het is een kleine koude ruimte, maar het is er gelukkig droog en hier binnen staat geen wind. Béronne zal deze kamer met ons moeten delen. Ik vind het prima. Hij is een monnik en Bjorn zal tussen ons in liggen. Voor Béronne zelf zal het misschien lastiger zijn om in dezelfde ruimte met een vrouw te slapen. Met zijn rug naar ons toe trekt hij snel een andere pij aan. Bjorn en ik hebben onze slaapmatten uitgerold, maar geen van beide droegen we reservekleding in onze tas. Nog altijd druipend staan we verlegen naast elkaar.

Als Béronne het probleem hoort gaat hij snel twee droge pijen voor ons halen. Het is heerlijk om mijn natte kleren uit te trekken en de warme wol op mijn blote huid te voelen. Dan zie ik Bjorn. Ook hij heeft inmiddels een bruine pij aan. Die grote stevige kerel in een lange jurk. Het werkt op mijn lachspieren. Hij vindt het ook grappig. “Een monnik met goudblonde lokken,” wijst hij gierend van de lach naar mij. Niet alleen mijn lichaam wordt warm, maar ergens diep van binnen mijn gevoel ook. Wat houd ik toch veel van hem. Zoals hij daar tegenover mij staat, met zijn heldere oogopslag en integere gezicht. Het is net alsof er een vonk overspringt. Zou Bjorn het ook voelen? Midden in onze lachbui vallen we stil en kijkt hij mij opeens ernstig aan. Zijn blik is open en ontwapenend. Hij doet een stap in mijn richting. Ik houd mijn adem in. Zijn handen legt hij op mijn bovenarmen. Zijn gezicht komt steeds dichter bij het mijne.

Dan steekt plotseling Béronne zijn hoofd om de deur en vraagt of we al klaar zijn om te komen eten. Het magische moment knapt als een zeepbel en enigszins betrapt laat Bjorn mij los. Achter elkaar aan lopen we de gang door naar de eetzaal. Daar zitten inmiddels alle monniken in hun schone pijen aan tafel. Ze schikken een beetje in en wij schuiven aan. “Het is misschien krap,” verontschuldigt de abt zich. “Normaal eten wij hier met ons zevenen. Vandaag echter hebben we drie gasten.” Er worden bekers wijn rondgedeeld en we brengen een toost uit. “Op de Vikingen,” proost Béronne in onze richting en ik schaam me een beetje, want ik weet heel goed dat Vikingen een slechte naam hebben van moorden en plunderen. Vooral kloosters zoals deze moeten het vaak ontgelden omdat daar makkelijk goud en edelstenen te roven zijn. Tot mijn verbijstering reageren de andere monniken aan tafel enthousiast. Sinds Rollo over Normannia heerst en zich heeft laten dopen, voelen deze christenen zich veilig. Onze Vikingkoning heeft geholpen met de bouw van vele kloosters in zijn gebied. In Rouen schijnt zelfs een bloeiende gemeenschap van monniken te leven. Bjorn en ik kijken elkaar verbaasd aan. Zo te zien wisten wij dat allebei niet.

De borden worden uitgedeeld. Het prutje ziet eruit als een vreemd soort erwtensoep, maar het ruikt overheerlijk. Ik wil meteen aanvallen. Bjorn weerhoudt mij met een haast onmerkbaar zetje. Hij heeft gezien dat de anderen geduldig wachten totdat iedereen is opgeschept. Ik hou mijn lepel in de aanslag om te beginnen zodra iedereen heeft. Op dat moment vouwen de monniken echter hun handen en doen hun ogen dicht. De abt spreekt hardop. Het is een soort bidden. Hij vraagt om zegen over het voedsel en over het land, dat wij in Normannia in vrede mogen leven en goed zullen zijn voor onze buren en gastvrij naar de vreemden. Ze gaat hij maar door. Over liefde en vriendschap en vergeving. Hoewel ik het zonde vind dat de soep koud wordt, klinken zijn woorden mij zo mooi in de oren dat ik even moet slikken om niet te huilen. Wij doen niet meer zoveel aan godsdienst, maar wat ik ervan weet is dat wij meestal de goden vragen om dingen voor onszelf, om een overwinning in de strijd ten koste van een vijand, of om een rijke buit. Deze monniken vragen om goede gaven voor een ander en voor de wereld om hen heen. Dat raakt mij. Ik kijk de tafel rond, van man naar man, en voel me volledig op mijn gemak. Als ik zie dat iedereen inmiddels zit te eten val ik met smaak aan op mijn bord met verrukkelijke soep.

We eten in stilte zoals het hoort, al houden we dat niet lang vol. De mannen aan tafel blijken allemaal dol te zijn op Noes. Ze breken stukjes van het brood af, dopen het in de soep en voeren het stiekem aan mijn hond. Ze lachen als ze het van elkaar doorhebben. Noes heeft een geweldige avond. Zodra de monniken horen dat wij van de nederzetting van hoofdman Jelter komen, willen ze er alles over weten. Ik verslik me bijna wanneer Béronne vraagt of het waar is dat daar ook een mismaakte man woont die zo’n goed hart heeft dat hij ooit een monnik bevrijd heeft die door de Vikingen was geroofd en tot slaaf was gemaakt. Hoe is het mogelijk? Zelfs hier in dit afgelegen klooster kennen de mensen het verhaal van mijn vader en Arnulfi! “Die mismaakte man is mijn vader,” zeg ik en begin keihard te huilen. De monniken schrikken en denken dat het verdriet komt omdat ze m’n vader voor mismaakt hebben uitgescholden. Bjorn begrijpt als enige dat de spanning mij teveel is geworden. Ik maak me verschrikkelijk zorgen over vader. Zou hij Arnulfi gevonden hebben en zouden ze allebei nog leven?

“Misschien moeten we het ze maar vertellen,” fluistert de herderszoon in mijn oor en slaat een arm om mij heen. Ik kan alleen nog maar stom knikken. Terwijl ik tegen zijn schouder uithuil, vertelt Bjorn het hele verhaal aan de monniken. Van Arnulfi die ons kwam waarschuwen voor vijandige Vikingen tot de bode die nooit onze nederzetting heeft bereikt. De mannen aan tafel raken erg opgewonden over al deze berichten. Ze maken zich grote zorgen over hun broeder Arnulfi en er is alom bewondering voor mijn dappere vader en ook voor ons, omdat wij onze koning Rollo gaan inlichten. Het liefst willen ze nog heel lang verder praten, maar ik val om van de slaap. Bjorn verontschuldigt ons en helpt mij overeind. Onze soep is op. Onze natte kleren hangen voor de haard te drogen. Morgen moeten wij in alle vroegte op om onze belangrijke missie af te ronden. De broeders begrijpen het en wensen ons een goede nacht. Een vriendelijke monnik geeft ons nog snel twee dikke dekens. Daarmee zullen we het vannacht warm genoeg hebben. We knikken dankbaar. Béronne blijft aan tafel achter om nog wat met de andere monniken te praten en zal later volgen.

Die avond op onze slaapmatten in het gastenverblijf kruip ik dicht tegen Bjorn aan, om het warm te hebben en ook omdat ik hem zo lief vind. Met een stevige arm om mij heen vallen we direct in slaap. Geen van ons hoort Béronne uren later zachtjes binnenkomen en ook Noes slaat niet aan. We hebben zelfs geen last van zijn luide gesnurk. Zo moe zijn we van onze inspannende dag.

Hoofdstuk 5: De Vikingkoning

De volgende morgen word ik wakker van een hand op mijn schouder. Het is nog donker en ik moet van ver komen. Als ik mijn ogen opendoe zie ik een vreemd gezicht en schrik. Het duurt even voordat tot mij doordringt dat het Béronne is die Bjorn en mij wakker maakt. “Wanneer jullie bij het eerste licht willen vertrekken, kunnen jullie het beste nu opstaan.” Mijn lijf is moe en het liefst zou ik lekker in het warme holletje van Bjorn willen blijven liggen, maar we moeten naar Honfleur. Het leven van alle mensen in Normannia én van de Franse koning in Parijs ligt misschien in onze handen… Koning Rollo moet zo snel mogelijk horen dat er een schip met moordzuchtige Vikingen aan komt. Hopelijk weet hij dat inmiddels allang en kunnen we later vandaag met een gerust hart naar onze nederzetting terugkeren. Bjorn realiseert zich dat ook. We staan snel op. Allebei nog in die rare bruine pijen. Het blijft een gek gezicht. Hiermee kunnen we echt niet over straat. In de warme eetzaal hangen onze kleren. Mijn jurk is redelijk droog. De wintermantel is veel dikker en nog behoorlijk klam. Er zit echter niets anders op dan ze aan te trekken.

Béronne is ook opgestaan en geeft ons brood mee voor de hele dag. We gunnen onszelf niet de tijd om te ontbijten. Dat doen we wel onderweg. Met onze tassen op de rug nemen we afscheid van Béronne. Hij drukt ons allebei nog een klein gerimpeld appeltje in de hand. Dan staan we buiten in het schemerdonker. Gelukkig regent het niet meer, maar de wind is fel en de zon is nog niet op. We zetten er meteen een stevige pas in. Noes rent voor ons uit. Het dorpje Honfleur is volgens de monniken van het klooster nog ongeveer twee uur lopen.

De zon komt op. Het wordt vast een mooie dag. Er is geen wolk aan de hemel te zien. Naast het pad stroomt de Seine vredig richting zee. We pauzeren niet meer en lopen in één ruk door totdat we in de verte de eerste huisjes van Honfleur zien liggen. Ze staan nog rechtop en zijn niet zwartgeblakerd. Even vertragen we onze pas en turen ingespannen in de verte, maar we kunnen niets zien. Geen Vikingen en geen barricades die een eventuele aanval moeten tegenhouden. Zo snel we kunnen lopen we verder. We komen steeds dichter bij onze eindbestemming en zijn de eerste huizen al gepasseerd. Hoewel het nog vroeg is, is de dag toch echt allang aangebroken. Wat vreemd dat we helemaal geen bedrijvigheid zien. Er zijn geen mensen op straat en alle huizen lijken leeg en verlaten.

Voordat we het weten zijn we het kleine dorpje alweer voorbij. Waar is iedereen? Misschien is het een goed teken en zijn de mensen hier op tijd gewaarschuwd. Wellicht zijn ze gevlucht of hebben ze massaal bescherming gezocht in de burcht van koning Rollo. Die staat een eindje verderop, aan de rand van de rivier, dicht bij de plek waar de Seine in de Noordzee uitmondt. Voorzichtig gaan we daar eens poolshoogte nemen. De ophaalbrug over de gracht staat omhoog. We kunnen er niet in. Nergens is een brugwachter te bekennen of een schildknaap. De poort is open, maar ook op het binnenplein is voor zo ver we kunnen zien niemand te bekennen. Zou iedereen nog slapen? Of zijn ze allemaal vermoord??

Terwijl we een rondje om de burcht lopen bekruipt ons een angstig voorgevoel. Zijn we dan toch te laat en hebben de Vikingen hier al huisgehouden? Maar waar zijn dan hun schepen en er zijn ook geen beschadigingen die duiden op een ernstig gevecht. Wat is hier aan de hand?

Wanneer we bijna helemaal rondom de gracht gelopen zijn, komen we aan de kant waar de rivier stroomt. Daar zien we even verderop beweging. Twee mannen staan aan een boot te trekken. Ze proberen hem uit het water te halen, maar het lukt niet. De boot is veel te groot. Als we dichterbij komen herken ik een van de gestalten. Is dat niet Willem Langzwaard, de zoon van koning Rollo? Ja warempel, het is hem! Noes rent vooruit en snuffelt aan de kleinste van het stel. Dat is waarschijnlijk Willems page. De mannen zien de hond en kijken om zich heen waar die ineens vandaan komt. Dan ontdekken ze ons en Willem Langzwaard herkent mij onmiddellijk. Het is leuk hoe hoffelijk hij mij begroet. “Jonkvrouwe, het verbaast mij niets u hier te zien. Gij had helemaal gelijk. De Vikingen waren onderweg vanuit het noorden om ons hier aan te vallen. Fijn dat ik nu in de gelegenheid ben om u hartelijk te bedanken voor het overbrengen van de boodschap. Deze schone dame deed dat met gevaar voor eigen leven.” Die laatste woorden richt hij tot zijn page, die inmiddels in de boot is gesprongen. Ik sta te blozen om het compliment van de koningszoon. Naast mij verstrakt het lichaam van Bjorn. Hij onderbreekt de woordenstroom van Willem Langzwaard en geeft hem een hand ter begroeting. Even schiet het door mij heen dat hij misschien jaloers is op de aandacht die ik van deze vreemde man krijg. Willem staat tenslotte best een beetje met mij te flirten. Zou hij me leuk vinden? En word ik dan later als hij ooit Vikingkoning wordt de Vikingkoningin? Dat schiet allemaal door mijn hoofd terwijl de mannen elkaar begroeten.

“Wat is er gebeurd?,” hoor ik Bjorn vragen. Willem legt uit dat de bode die hij naar Honfleur stuurde zijn vader nooit bereikt heeft. Toen hijzelf alles in Rouen in staat van paraatheid had gebracht, vertrok Willem samen met zijn page in de richting van de koning. Gistermiddag kwam hij aan, maar het was al te laat. De dorpelingen waren gevlucht om elders een veilig heenkomen te zoeken. Van een kok die uit de burcht had kunnen ontsnappen hoorde Willem dat de Vikingen totaal onverwacht aan land waren gekomen. Ze hadden de burcht omsingelt en iedereen daarbinnen gevangen gezet. Daarna waren de Vikingen met hun schepen verder gevaren, de rivier op. Voor zover de kok wist was iedereen nog in leven en waren er geen huizen in brand gestoken. De vijandelijke Vikingen hadden alleen een grote hoeveelheid kostbaarheden buitgemaakt. “Blijkbaar was Honfleur niet hun uiteindelijke doel geweest,” sluit Willem Langzwaard zijn verhaal af.

De schrik slaat mij om het hart. Als die moordende zeerovers het niet op koning Rollo hadden gemunt, naar wie zijn ze dan onderweg? Het kleine klooster waar we vannacht samen met Béronne hebben overnacht ligt goed verstopt in het bos. De eerstvolgende plaats die de Vikingen zullen tegenkomen op hun tocht over de Seine is onze nederzetting! Volgens Willem zijn de plaatsen Rouen en Parijs veel aantrekkelijker om aan te vallen en te plunderen, maar ik ben er niet gerust op. Ik wil terug naar huis en wel zo snel mogelijk! Maar dat kost ons lopend minimaal twee dagen en ik realiseer me dat we dan te laat zullen komen. Ons huis en alle mensen die ik liefheb, ze zullen een aanval van de Vikingen misschien niet overleven. Er knapt iets in mijn hoofd en ik heb het gevoel dat ik zou kunnen flauwvallen.

Bjorn denkt waarschijnlijk hetzelfde. Zijn vader, moeder en twee zusjes zijn nu in de nederzetting en lopen gevaar. “Zijn er hier ergens snelle renpaarden in de buurt?,” hoor ik hem naast mij vragen. Dat is slim! Op een paard zijn we misschien nog wel op tijd. Willem Langzwaard wijst naar de burcht. “Daarbinnen in de stallen staan waarschijnlijk een stuk of drie paarden. Help mij deze boot uit het water te trekken, dan varen we daarmee de gracht over en kunnen we daarna zo bij de burcht naar binnen lopen. In dat geval kunnen jullie gerust twee paarden van mij lenen.” De hele tijd dat wij staan te praten is de page in de boot bezig om met een houten kommetje water te hozen. “Kom,” zegt Willem Langzwaard tegen Bjorn, “jij ziet er sterk uit. Misschien lukt het ons samen om de boot uit het water te krijgen.”

Bjorn legt zijn mantel af en de page klimt uit de boot. Met zijn vieren trekken we uit alle macht, maar er is geen beweging in te krijgen. Omdat het gisteren zo hard geregend heeft ligt de boot vol water. Daardoor is hij extra zwaar. Willem zucht. “Dan zit er niets anders op dan de boot eerst helemaal leeg te hozen.” Snel springt de page terug in de boot en begint met grote haast water overboord te scheppen. Zijn kommetje is echter zo klein, dat gaat nog uren duren. Willem is ook aan boord geklommen. Hij heeft alleen niets om mee te scheppen en gebruikt zijn handen als kommetje. Dat schiet helemaal niet op! Bjorn en ik kijken elkaar vertwijfeld aan. Hij slaat zijn mantel om en haalt zijn schouders op, ten teken dat hij ook niets beters weet.

Dan blaft Noes. Iedereen kijkt verschrikt op. Komen er mensen aan? Vikingen? Er is echter niemand te zien. De mannen in de boot gaan door met scheppen. Opnieuw geblaf. Ik kijk naar mijn hond. Wat wil ze toch? Noes rent een paar passen naar de burcht en maakt dan een sprongetje in de lucht. Het is net alsof ze naar een vlieg hapt. Alleen valt er nergens een vlieg te bekennen. Opeens begrijp ik wat ze bedoelt. Natuurlijk, dat is het! “Willem,” roep ik en herstel mij meteen. Die jongen is misschien niet zo heel veel ouder dan ik, maar hij blijft wel de koningszoon! “Willem Langzwaard, zoon van koning Rollo, hoe werkt het mechanisme van de ophaalbrug?” Willem kijkt mij een beetje suf aan en legt het met tegenzin uit. “Die ophaalbrug is het probleem niet. Je trekt aan een touwtje en hij valt naar beneden. We kunnen daar alleen niet komen, want de gracht is erg diep en niemand van ons kan zwemmen.” Haastig buigt hij zich weer over het hozen, alsof de zaak daarmee is afgedaan. Daarom ziet hij ook niet de lach die op mijn gezicht doorbreekt. “Niemand van ons kan zwemmen,” herhaal ik zijn woorden, “maar Noes wel.”

Alle drie de mannen in de boot stoppen abrupt. Bjorn staat al naast mij. Noes blaft als een wilde en rent om ons heen, blij dat ik haar begrepen heb. Alleen Willem snapt het nog niet helemaal. “Die hond kan misschien de gracht over zwemmen, maar begrijpt ze dan dat ze aan het touw moet trekken?” Ik knik trots en roep lachend achterom: “Wij hebben een hele slimme hond!” Hé, ik zei wij, alsof Noes ook een beetje van Bjorn is en alsof hij en ik bij elkaar horen…

Er is geen tijd om daar verder over na te denken. Willem Langzwaard en zijn page zijn uit de boot geklommen en met zijn allen rennen we terug naar de burcht. Noes sprint vooruit. Bij de gracht houdt ze even in en kijkt naar mij, alsof ze wacht op een teken. Zodra ik gebaar dat ze mag springen ligt ze in het water. Behendig zwemt ze naar de overkant. Toch vreemd dat honden niet hoeven te leren om te zwemmen. Dat kunnen ze gewoon van nature. Onder onze luide aanmoedigingen bereikt ze de andere kant. Het kost haar enige moeite om daar tegen de wal op te klimmen, maar als het even later toch lukt staan wij te juichen van blijdschap.

Opeens schrik ik en grijp Willem Langzwaard bij zijn arm. “Zijn er nog Vikingen in de burcht die jouw vader gevangen houden? In dat geval moeten we zachtjes doen!” Als dat zo is, dan zijn onze vijanden nu wel gealarmeerd, want Noes heeft het touw dat de ophaalbrug bedient gevonden. Bij de derde sprong komt ze hoog genoeg om het touw goed in haar bek te krijgen. Haar gewicht doet de rest en met een donderend geraas valt de ophaalbrug in één klap naar beneden. Even staan we beduusd te kijken van al dat kabaal. Een tel later hernemen we ons en rennen over de brug de poort van de burcht door.

Op het binnenplein is niemand te zien. Na het oorverdovende lawaai van daarnet is het hier onbehaaglijk stil. Onze voetstappen weerkaatsen tegen de muren. Willem Langzwaard kent de weg en gaat voorop. Hij rent een gang in en controleert alle kamers. Wij volgen hem op de voet. Het hele gebouw lijkt leeg en hol. Snel slaat Willem een hoek om en haast zich een lange trap op. Wanneer hij plotseling stilstaat bots ik van achteren bijna tegen hem op. Zijn kleren ruiken naar dure Franse parfum. Ik blijf dicht bij hem staan. Hij houdt zijn adem in en steekt zijn hand op ten teken dat hij iets gehoord heeft. We houden ons stil en spitsen de oren. Inderdaad, even verderop klinkt een soort gestommel. Voorzichtig sluipen we er op af. Je kunt nooit weten!

De eerste twee kamers zijn leeg, maar in de derde zien we beweging. Overal zitten mensen op stoelen vastgebonden. Ze hebben allemaal een doek om hun mond en kunnen niets zeggen. Zodra ze ons zien proberen ze toch te praten en geluid te maken met hun keel, alsof ze allemaal als eerste bevrijd willen worden.

In het midden zit koning Rollo. De Vikingkoning is duidelijk te herkennen aan zijn mooie troon. Hij heeft een ijzeren helm op het hoofd compleet met neusbeschermer. Zijn haren zijn lang en steken er in een wilde bos onderuit. De koning is opvallend dik en dat verbaast mij. Deze man is zo zwaar dat geen paard hem kan dragen. Met zo’n breed lijf zal het ook niet makkelijk zijn om te vechten of lange einden te lopen. Hoe kan deze Vikingkoning ons ooit verdedigen?

Willem Langzwaard is in drie stappen bij zijn vader en probeert de doek rond diens mond los te knopen. Dat lukt niet meteen. De knoop zit veel te vast of zijn vingers zijn te eeltig. In ieder geval wordt de jongeman erg ongeduldig van dit priegelklusje. Hij probeert het hooguit een paar tellen. Direct daarop trekt de jongen zijn zwaard. Geen wonder dat hij de bijnaam Langzwaard heeft gekregen. De meeste Vikingen vechten met een kort zwaard, maar Willem volgt de Franse mode en draagt een uitzonderlijk lang zwaard. Ik durf bijna niet te kijken hoe hij de punt van het scherpe blad tussen de doek en de zachte wang van zijn vader steekt. Maar de koningszoon hanteert zijn wapen zeer behendig en met één korte ruk snijdt hij de doek kapot. Zijn vader haalt opgelucht adem. Willem wil ook de touwen rond zijn vaders armen en benen doorsnijden, maar die beveelt dat hij eerst zijn moeder moet losmaken. Op de troon naast koning Rollo zit zijn vrouw, koningin Poppa. De jaren maakten van haar een oude vrouw, maar aan haar gezicht valt nog goed te zien dat zij ooit een bevallige schoonheid was. Willem heeft zijn elegantie waarschijnlijk van zijn moeder geërfd.

Als koningin Poppa de punt van het zwaard op haar gezicht ziet afkomen trekt ze haar hoofd weg. Ze is bang van het scherpe snijvlak zo dicht bij haar wang. Dat vind ik goed te begrijpen. “Wacht maar,” roep ik en stap naar voren. “Laat mij die doek maar lospeuteren.” Meteen keert Willem zich naar de volgende om die te bevrijden. Ook Bjorn en de page laten zich niet ongemoeid en snijden bij verschillende mensen de touwen door. Ik loop naar koningin Poppa en kijk haar aan. “Met uw permmissie?,” vraag ik beleefd. Zij is tenslotte de koningin. De oude vrouw knikt dankbaar en ik ga achter haar staan om de knoop uit de doek te halen. Dat is nog niet zo makkelijk, maar het lukt me toch en uiteindelijk is ook de koningin bevrijd. Ze bedankt mij met een vriendelijk knikje.

Uiteindelijk is iedereen bevrijd. De mensen staan op om zich even te bewegen. Ze hebben twee dagen lang vastgebonden gezeten. Als ik nieuwsgierig vraag wat er is gebeurd, spreken ze allemaal door elkaar. Uiteindelijk neemt koning Rollo het woord en keren de meesten terug naar hun plaats. Zijn zoon en wij staan midden in de kring. Noes zit aan mijn voeten. Alle stoelen zijn bezet. We luisteren naar de koning. Staan is voor hem te vermoeiend met zijn zware lijf, dus hij zit terwijl hij spreekt.

“De Vikingen zijn gekomen, totaal onverwacht. Zestien jaren heb ik geregeerd en al die tijd was het hier rustig. Eerlijk gezegd was ik er niet meer op voorbereid. Ik vertrouwde er volledig op dat alleen al onze aanwezigheid hier andere Vikingen zou afschrikken. De wereld is groot. Ze konden overal gaan plunderen. Nooit en te nimmer had ik nog verwacht dat de zeerovers uit het noorden de Seine zouden uitkiezen om aan te vallen. Dat is toch gebeurd en ik was niet bij machte om iets te doen. In al die jaren van vrede ben ik dik en gezapig geworden. Bovendien ben ik al ver in de zestig en niet meer in staat om een leger aan te voeren. Mijn zoon hier draagt echter niet voor niets de bijnaam Willem Langzwaard. Hij is misschien wat jong met zijn negentien winters, maar hij is het die ons nu bevrijd heeft, samen met die andere jongelui. Dus zoon, kniel voor mij, en ontvang de hertogstaf.”

Willem glundert van trots. Hij richt zich in zijn volle lengte op en doet een paar passen naar voren. Daar knielt hij waardig neer voor zijn vader en buigt het hoofd. Koning Rollo is van zijn troon opgestaan en tikt zijn zoon met een staf op de schouder. Blijkbaar is ook dat een Franse gewoonte, want ik heb zoiets nog nooit gezien. De staf is een soort lans, gemaakt van glimmend goud. Het kostbare voorwerp wordt bij Willem in de handen gelegd met de woorden dat hij voortaan de koning van Normannia is. “Nu is het jouw taak om de Seine en de stad Parijs te beschermen tegen aanvallen van vijanden.” Zijn vader zegt het plechtig. Ik vind het wel een beetje laat, want de Vikingen varen inmiddels met een schip op de Seine en alleen de goden weten hoe ver ze al gevorderd zijn.

Opeens staat koningin Poppa op van haar troon en schraapt haar keel. “Nu mijn man geen koning meer is, ben ik geen koningin meer. Maar laat mij nog één handeling uit naam van heel Normannia verrichten,” spreekt ze luid en duidelijk. Haar ogen dwalen de kring rond en blijven plotseling rusten op mij en Bjorn. “Bovenal wil ik de twee onbekende jongeren bedanken die mijn zoon geholpen hebben om ons te komen bevrijden.” Onder alle aanwezigen barst een luid applaus los terwijl Poppa naar ons toe komt. Ze haalt een ring van haar eigen vinger en geeft die aan Bjorn. Dan pakt ze een ketting van haar nek en hangt die om de mijne. Ik krijg een kleur tot in mijn nek. Iedereen kijkt naar ons. Gelukkig loopt Poppa daarna ook weer terug en is het plechtige moment achter de rug.

Vanuit mijn ooghoek zie ik dat Bjorn zijn broek wil laten zakken om over de grond te plassen. Dit was tenslotte een erg officiële ceremonie en bij ons is het een oude gewoonte om dat gezamenlijk af te sluiten met een plasritueel. Maar geen van de aanwezigen in deze kamer lijkt daartoe aanstalten te maken en mijn vriend hijst een beetje beschaamd zijn broek weer op. We kijken naar elkaar en halen onze schouders op. Zo te merken heeft niet alleen Willem de manieren van de Franse koning overgenomen. Ook Rollo en zijn volgelingen zijn blijkbaar al zo lang in dit land dat veel van de vroegere tradities verwaterd zijn.

Als de nieuwe koning Willem het woord neemt, richt hij zich het eerst tot ons. Hij bedankt Bjorn en mij met luide stem voor alle hulp en stuurt zijn page naar de stallen om twee paarden voor ons te zadelen. De jongen is al bijna door de deur verdwenen als Willem hem nog naroept dat hij drie gezadelde paarden wil. Ook eentje voor zichzelf. “Ik ga met jullie mee over de weg,” beslist hij. “Alle anderen, haal emmers en schep de boot leeg die even verderop in het water ligt. Er zijn niet genoeg paarden voor iedereen, dus jullie nemen de rivier en wij gaan over land. Hopelijk kunnen we gezamenlijk de Vikingen ergens tegenhouden.”

Daar staat Willem en deelt bevelen uit als een echte koning. Ik ben trots op hem. Nu komt het misschien toch nog goed. Zijn ouders draagt Willem op om in de burcht te blijven. Die mensen zijn te oud om nog ver te reizen. Op hetzelfde moment komt iedereen in beweging. De meesten gaan naar de keuken om iets te eten en te drinken. Zij hebben al twee dagen niets gehad. Op die plek zullen ze vast ook voldoende emmers vinden en proviand voor onderweg. Daarna moeten zij nog extra kleren inpakken en hun wintermantels omslaan. Wij staan echter klaar voor de start en lopen achter Willem aan naar de stallen. Achter koning Willem, zegt een stemmetje in mijn hoofd. Dat is waar ook, koning Willem Langzwaard, het is even wennen.

Als we in de stallen komen is de page net bezig om het derde paard te zadelen. Er zijn inderdaad maar drie paarden, dus de page zelf krijgt de opdracht om met de boot mee te varen. Wij binden onze tassen vast en stijgen op. Paarden zijn best groot. Even vraag ik me af hoe ik in dat zadel terecht kom. Zonder het te hoeven vragen geeft Bjorn mij een kontje en dat vind ik lief. Hoog gezeten rijden wij de stallen uit en het binnenplein op. Noes rent voor ons uit over de ophaalbrug. Zij denkt de weg te kennen en wil hetzelfde pad kiezen als op de heenweg, langs het klooster waar we vannacht logeerden. Maar Willem roept haar terug. Hij weet een snellere route binnendoor. Via het bos kunnen we een stuk afsnijden. Zodra wij de ophaalbrug gepasseerd zijn geven we onze paarden de sporen en rijden in galop over het bospad. De capuchon van mijn wintermantel glijdt van mijn hoofd. Mijn haren wapperen in de wind en ik haal vrijuit adem. Met zijn drieën zijn we onderweg naar de nederzetting en hopelijk komen we op tijd om de aanval van de Vikingen af te slaan.

Na een stukje in vol galop houdt Willem zijn teugels een beetje in. Dit zijn wel renpaarden, maar als we op een iets langzamer tempo gaan dan houden ze het langer vol en we moeten toch wel gauw zo’n vijftig kilometer afleggen. Ook voor Noes is het best een eind. Haar tong hangt uit haar bek en ik kan zien dat ze blij is met het iets kalmere tempo. De stand van de zon geeft aan dat de middag al begonnen is. Dat maakt niet uit. Gezeten op deze paarden schieten we lekker op, terwijl we zelf amper moe worden. De regenwolken die ons gisteren teisterden zijn weggedreven. Boven ons staat een strakblauwe lucht en de zon heeft al een beetje kracht. Eindelijk droogt ook mijn wintermantel warm op.

Na anderhalf uur houden we halt. De paarden moeten even uitrusten. Wij eten wat van het brood dat we nog van Béronne in het klooster hebben gekregen. Alleen kunnen we niets drinken, want op dit pad door het bos komen we de rivier niet één keer tegen. Het deert ons allemaal niets. Straks, bij Jumieges, zullen we op de kluizenaar moeten wachten, die ons de Seine zal overzetten. Daar kunnen we drinken zoveel als we willen. Noes doet niet zo moeilijk en lebbert heerlijk wat water uit een modderplas.

We rusten niet langer dan hoogst noodzakelijk is en stijgen weer op. Het is nog best een heel eind, maar na opnieuw anderhalf uur rijden bereiken we eindelijk de rivier. Even moeten we zoeken op welke hoogte de torenklok ook alweer langs de oever ligt. Noes is degene die het verroeste ding als eerste vindt. Ze blaft één keer en gaat er dan rustig naast liggen uithijgen. Het arme dier is moe. Ze heeft ook zo’n eind moeten rennen. Ik prijs mijn hond uitbundig en aan de kwispelende staart kan zien hoe goed het haar doet. Ondertussen heeft Bjorn een groot stuk hout gevonden en slaat daarmee hard op de bel. Verbazingwekkend genoeg klinkt het geluid krachtig en galmend. Geen wonder dat de kluizenaar het helemaal in de oude ruïne van Jumieges hoort.

De paarden grazen even verderop op een weilandje vol lang mals gras. Ze zijn uitgeput. We wrijven hun vacht droog met stro. Daarna rusten we wat langs de oever, nadat we eerste onze dorst hebben gelest. In het begin zijn we stil. Elk van ons is in zijn eigen gedachten verzonken, maar al snel blijkt dat we alle drie aan hetzelfde denken. De Vikingen moeten met hun schip de kronkelende rivier volgen. Bovendien zullen zij de stroming tegen hebben, want alle rivieren stromen naar zee. Hebben wij hen met onze snelle paarden over het veel rechtere pad kunnen inhalen? Zij hadden tenslotte wel twee dagen voorsprong op ons…

Wat duurt wachten toch altijd lang, zeker als je haast hebt. Bjorn en ik popelen om de laatste kilometers naar onze nederzetting af te leggen. Koning Langzwaard wil het liefst zo snel mogelijk door naar Rouen, maar ook hij moet ergens de rivier oversteken. Zijn paard is te moe om nog dat hele eind aan de zuidkant van de Seine de weg af te leggen. Hij hoopt in onze nederzetting een vers paard te kunnen bemachtigen om op verder te rijden. Wij weten zeker dat dat wel zal gaan, mits de Vikingen niet iedereen hebben vermoord en alles hebben verbrand. Daar kunnen we maar beter niet aan denken!

Eindelijk zien we beweging aan de overkant van de rivier. Het is Jumieges. De magere kluizenaar zwaait naar ons en maakt op zijn gemak zijn bootje los. Hij gaat zitten en roeit in het begin zo onhandig dat zijn scheepje voornamelijk in de rondte tolt. Het is Bjorn die zo slim is om hem te helpen. Met krachtige stem zet hij het liedje in dat wij gisteren geleerd hebben en waar we sindsdien al een paar keer op hebben gelopen. Jumieges hoort het en het helpt. De dunne armen van de kluizenaar trekken op de maat van de melodie aan de riemen en door het regelmatige ritme krijgt de boot een rechte vaart. Ik zet in en tweestemmig zingen we onze veerman naar de kant.

Jumieges springt van boord en maakt een diepe buiging voor de koningszoon. Blijkbaar herkent hij Willem. Snel fluistert Bjorn de kluizenaar in dat Willem Langzwaard inmiddels onze koning is. Daarop buigt Jumieges zelfs nog dieper. Zijn neus raakt bijna de grond. Willem wil van al deze eerbetuigingen niets weten. Hij wil opschieten. Maar er is een probleem. We zijn met teveel. Hoe we ook puzzelen, we passen niet met z’n allen in het bootje. Zelfs niet wanneer we onze tassen achterlaten en Noes laten zwemmen. Hoewel dat laatste gelukkig meteen door Jumieges wordt weggewuifd. Honden kunnen wel zwemmen, maar de stroming is in dit jaargetijde veel te sterk. De paarden moeten sowieso achterblijven. Die vinden echter zelf hun weg wel terug naar de burchtstallen in Honfleur waar ze thuis horen.

Er zit niets anders op. We zullen in twee groepen moeten overvaren. De kluizenaar staat erop dat hij degene is die beide keren roeit. Daar wil Bjorn niets van weten en hij praat net zolang op Jumieges in totdat die samen met de koning achterblijft op de zuidelijke oever. Noes en ik en al onze bagage worden vakkundig door de herderszoon overgevaren. Al heeft zelfs deze boom van een kerel in het midden van de rivier moeite met de sterke stroming. Lachend zet ik voor hem het roeilied in en dat helpt echt. Veilig komen we aan de overkant aan. Noes heeft duidelijk liever vaste grond onder haar voeten en springt als eerste uit de boot. Door haar afzet schommelen wij behoorlijk en Bjorn moet zich aan de kant vasthouden om niet in het water te vallen. Zelf stap ik een stuk rustiger uit het bootje en pak een voor een onze bagage aan. Meteen duwt Bjorn zich van de kant af en roeit terug naar de zuidoever. Ik glimlach als ik hem zachtjes het roeiliedje hoor neuriën.

Hoewel Bjorn nu een goed ritme te pakken heeft, duurt het toch wel even voordat hij koning Willem en Jumieges bereikt. Die twee lijken samen druk in gesprek. Hun monden bewegen ook nog terwijl ze in de boot gaan zitten. Opnieuw is het Bjorn die het roeien voor zijn rekening neemt. De kluizenaar is midden in een betoog en kan nu echt geen lied zingen, dus roeien zou niet gaan. Ondertussen zie ik de zon steeds lager zakken en begin me ongerust te maken. We moeten opschieten, maar het heeft geen zin om dat te denken. Bjorn roeit zo snel hij kan.

Nog een paar slagen. Dan meert de boot aan. Al pratend stappen Willem en Jumieges uit. Het is een grappig gezicht. Ze lijken zich totaal niet meer bewust van de wereld om hen heen. Ook het kleine tochtje naar de oude ruïne zijn de twee mannen geanimeerd in gesprek. Een rijke koning en een arme kluizenaar. Dicht naast elkaar lopen ze over het pad. Een grote elegante jongen en een iele knokige oude man. Het is een grappig gezicht. Bjorn en ik volgen. Voor het eerst van haar leven rent Noes niet ijverig voor ons uit. Op dit moment neemt ze er genoegen mee om de rij te sluiten. Bij de ruïne lijken Willem en Jumieges het bijna jammer te vinden om hun gesprek te beëindigen, maar er zit niets anders op. We hebben haast. De overtocht heeft al veel van onze tijd afgesnoept. Bjorn en ik staan te trappelen van ongeduld. Haastig bedanken we de kluizenaar. Met zijn kenmerkende piepstem zegt hij niets voor de overtocht te willen hebben, omdat Bjorn alles geroeid heeft en niet hij. Ook koning Langzwaard neemt afscheid. Dan vervolgen we onze weg voor de laatste etappe.

Hoofdstuk 6: Oog in oog met de Vikingen

De koning is erg onder de indruk van alles wat de kluizenaar tegen hem gezegd heeft. Wel een uur lang vertelt hij over het gesprek met Jumieges. Volgens Willem had zijn vader zich laten dopen omdat christen worden een voorwaarde was voor de Franse koning om Rollo het land Normannia te geven. “Mijn vader had als oude Viking een heleboel goden en eentje meer kon er nog wel bij,” volgens Willem en hij schiet in de lach. “Vader gaf geld aan de katholieke kloosters in de omgeving om de God van de christenen te eren en offerde tegelijkertijd aan de vele goden van de Vikingen. Zo kwam hij óf in de hemel, óf in het walhalla, wat het beste uitkwam.” Toen hij een baby was is Willem ook gedoopt, dus eigenlijk is onze nieuwe koning christelijk. Maar het is net alsof hij nu pas beseft wat dat precies betekent. Hij blijft maar doorgaan over vergeving en je leven in dienst stellen van een ander. Willem Langzwaard is helemaal gegrepen door de woorden van de kluizenaar. Daar lijkt hij meer van onder de indruk dan van het feit dat hij nu opeens koning is.

Ik weet niet hoe het met Bjorn zit, maar ik luister slechts half. Zo snel als mijn benen mij kunnen dragen loop ik het pad af naar de nederzetting. Is vader al terug? Heeft hij Arnulfi kunnen redden? Als mijn vader de monnik levend heeft kunnen vinden, dan zijn de mensen in onze nederzetting eindelijk gewaarschuwd. Of zou hoofdman Jelter al eerder tot inkeer zijn gekomen? Zoveel vragen waar we nu bijna een antwoord op zullen krijgen. Inmiddels zijn we op een pad dat ik erg goed ken. Nog een halfuur en ik ben thuis. Ook Noes herkent het hier en het geeft haar nieuwe kracht. Ze wil hard vooruit rennen, maar ik houd haar tegen. “Dicht bij mij in de buurt blijven,” gebaar ik. Mijn hond is er één uit duizenden en ze doet meteen wat ik zeg. Naast mij loopt Bjorn en ik krijg een knipoog van hem. We denken allebei hetzelfde: bijna thuis!

De laatste tien minuten lopen we voorzichtig, sluipend haast. Koning Willem is stilgevallen. Voor even laat hij het onderwerp christendom rusten. Ieder moment kunnen we oog in oog met een moordzuchtige Viking staan. Met argusogen spieden we om ons heen. Nergens is een vijand te bekennen. Daar zien we al die eerste rieten daken. Zo te merken zijn onze huizen nog niet platgebrand. Zouden we dan toch op tijd zijn?

Mijn maag rammelt. Het is etenstijd, maar daar is nu geen ruimte voor. Over twee uur gaat de zon onder en wordt het donker. Voor die tijd moet er nog heel wat gebeuren om de nederzetting te beschermen tegen de Vikingen, die nu toch echt ieder moment met hun schip hier kunnen verschijnen om ons zomaar aan te vallen.

Wanneer we de nederzetting binnensluipen horen we geluiden. Stemmen. Toch kunnen we niemand ontdekken en alle huizen die we passeren zijn leeg. Stilletjes lopen we met z’n drieën achter elkaar dieper de nederzetting in. Bjorn gaat voorop. Pas als we het grote huis van onze hoofdman bijna voorbij zijn houdt de herderszoon plotsklaps halt. Met zijn hand gebaart hij naar achteren dat we ons klein moeten maken. Ik ben echter te nieuwsgierig en kruip op handen en knieën naar voren. Ter hoogte van Bjorns benen kan ik net om het hoekje van het grote huis kijken.

Het eerste wat ik zie is een enorm schip van de Vikingen dat in de rivier ligt afgemeerd. Het is laag en breed in het midden, met hoge opkrullende stevens aan beide kanten. Het roodwitte zeil is gestreken, maar de drakenkop aan de voorkant is duidelijk te zien. “Vikingen!,” fluister ik naar Willem die ook iets probeert te zien. De hand van Bjorn gebaart ons ongeduldig dat we stil moeten zijn. Terwijl ik mijn hoofd weer voorzichtig om het hoekje steek, denk ik maar één ding: “De Vikingen zijn er al. We zijn te laat!”

Toch hoor ik andere geluiden dan je zou verwachten bij een aanval. Er lijkt geen sprake van wapengekletter of gillende en vluchtende mensen. Ook wordt er altijd gezegd dat Vikingen kwaadaardig grommen bij een aanval en wij horen hier niets van dat alles. Wel ruziënde stemmen nog steeds. Ik ga een beetje verzitten en dan kan ik ze opeens zien. Twee mannen. Recht tegenover elkaar. De ene is Jelter, onze hoofdman. En de andere? Dat lijkt ook wel Jelter! Ik begrijp er niets van en kruip nog een beetje dichterbij. Niemand let op mij, alleen Noes volgt me op de voet. Brave hond!

Nu kan ik het goed zien. Langs de rivier staan allemaal vreemde mannen met zwaarden en schilden klaar voor de aanval. Dat zijn duidelijk een stel kwaadaardige Vikingen. Vóór hen staat hun aanvoerder en die lijkt sprekend op onze hoofdman. Net zo’n bleke huid en van datzelfde rossige haar. Ook de gezichten lijken op elkaar, alleen is de tweede man een onvriendelijkere uitvoering van onze gemoedelijke hoofdman. Opeens weet ik het. Jelter is er één van een tweeling. Dit moet zijn broer Kjeld zijn. De man die slechts een paar minuten ouder was en daarom al het land en de huizen van hun vader Bjarni erfde, waardoor Jelter wel moest wegtrekken om elders een eigen woonplek te gaan zoeken. Komt de broer die alles kreeg hier nu ook nog eens zijn jongere broertje bestelen? Met een speer opgeheven in de hand staat de vreemdeling dreigend voor onze hoofdman. De mannen zijn druk aan het discussiëren. Verder is er niemand te zien. Waar is iedereen uit de nederzetting?

Op het moment dat Kjeld zijn stem verheft voel ik iets langs mij heen schieten. Voordat ik het haar kan verbieden is Noes het strijdtoneel opgelopen en dapper voor hoofdman Jelter gaan staan. Het is alsof ze hem met haar eigen leven wil verdedigen, mocht hij gevaar lopen. Noes kijkt van de een naar de ander en gaat dan rustig tussen hen in zitten. Voorlopig lijken de twee broers vooral samen ruzie te maken. Ik luister naar wat ze zeggen.

Kjeld schreeuwt dat wij hier in Normannia veel te veel zijn afgedreven van het oude geloof. Hij is kwaad dat wij geen strooptochten meer houden zoals echte Vikingen doen. “Jullie maken onze naam te schande door de Franse koning te beschermen. Hij is een rijke buitenlander die jullie zouden moeten plunderen. Wanneer heb jij voor het laatst getoond dat je een echte kerel was en een flinke buit opgehaald?” Hoofdman Jelter zegt gemoedelijk dat hij in vrede wil leven, ook met de Franse koning. Met een royaal gebaar wijst hij om zich heen naar onze huizen en akkers, als om zijn broer te laten zien hoe goed het met ons gaat. “Ja, jij boert hier prima,” kaatst Kjeld terug. “Bij ons in het noorden zijn de omstandigheden veel zwaarder en het klimaat een stuk kouder. Dus hoef jij ook een hoofdman van niks te zijn.” De woorden klinken hard en zijn ogen staan ijskoud.

Ondanks alle beledigingen blijft Jelter vrij rustig. “Het is hier goed wonen in dit vruchtbare land. Je bent welkom om je bij ons te voegen, broer.” Het woord vruchtbaar brengt Kjeld bijna tot razernij. “Vruchtbaar? Vruchtbaar? Zeg op, hoeveel kinderen heb jij inmiddels.” Plotseling kan ik me iets herinneren wat Knoet ooit vertelde. De vader van Bjorn kwam hier pas later dan de anderen aan en beweerde dat het in de oude nederzetting van het hoge noorden niet meer zo gezellig was. Kjeld, die na het overlijden van hun vader tot hoofdman was benoemd, bleek samen met zijn vrouw geen kinderen te kunnen krijgen. Dat was een groot verdriet voor hen waar de hele nederzetting erg onder leed. Blijkbaar is dat probleem in de afgelopen jaren alleen maar groter geworden. Vanaf de plek waar ik zit hoor ik de oudste broer schreeuwen. “Geef me buit. Alleen buit toont dat je een echte man bent!” Hij is jaloers op alles wat zijn jongere broer heeft en loopt inmiddels rood aan van razernij. Dit kan weleens verkeerd aflopen, schat ik in. We moeten iets doen, maar wat?

Schichtig trek ik me terug. Als hij buit wil, dan kan hij buit krijgen. In eerste instantie voorzichtig, maar later met steeds grotere passen, loop ik om het grote huis van hoofdman Jelter heen en steek dwars over naar onze eigen huisje. Aan die kant van het grote huis zie ik ook de andere mensen van onze nederzetting in een klein groepje bij elkaar staan. Ze zijn ver in de minderheid en al hebben wij sterke kerels als Wieland de smid, toch zullen we het onderspit delven wanneer het tot een treffen komt.

Niemand let op mij en ik loop snel door. Vader is er niet bij. Dat zie ik in één oogopslag. Ook kringelt er geen rook uit ons dak. Toch is er die stille hoop, wanneer ik ons huisje binnenstap, dat hij rustig aan tafel zit te werken aan een nieuwe speld of geruststellend slaapt op zijn mat. Helaas, binnen is het stil. Ik kijk om me heen en zie meteen wat ik zoek. Op het tafelblad ligt nog steeds de berg met prachtige sieraden die ik daar laatst heb omgekiept. Snel maak ik mijn tas leeg en stop ze er allemaal in. Vader zal het wel begrijpen. Met de volle tas ren ik naar de twee kemphanen die nog steeds recht tegenover elkaar staan. Kjeld met zijn opgeheven speer en Jelter met Noes aan zijn voeten.

“Hier is je buit,” roep ik kwaad en schud woest de tas leeg op de grond. Opeens ligt het gras naast Kjeld bezaaid met sieraden. “Wij zijn zoveel meer dan Vikingen en plunderende piraten!,” zeg ik zo luid dat iedereen mij kan horen. “Mijn vader is een ambachtsman die de meest schitterende dingen met zijn handen kan maken van simpele botten. En Wieland,” wijs ik naar de smid, “verstaat de kunst om ijzer te smeden. Veel liever dan andere mensen of volkeren lastig te vallen verdienen wij Noormannen hier eerlijk onze kost.”

Kjeld met zijn rossige haren en rood aangelopen gezicht hoont mij weg. “Wie denk jij wel niet dat je bent met je Noormannen. Een meisje, puh! En wie is jouw vader dan wel helemaal? Zeker die mismaakte gebochelde met zijn klompvoet?!” Woedend stamp ik op de grond en wil Kjeld net in het gezicht smijten dat ik Rimke ben, de Noorvrouw, en dat mijn vader de liefste, moedigste en zachtaardigste mens op aarde is, als daar opeens Willem opduikt. Rustig komt hij van achter het grote huis van onze hoofdman aanwandelen en gaat naast mij staan. “Ik ben koning Langzwaard,” spreekt hij plechtig. “De zoon van voormalig koning Rollo.” Er gaat een beweging door de groep mannen die zwaar bewapend aan de rand van de rivier staan. Voor een Vikingkoning hebben zij ontzag. Ook de mensen aan onze kant staan verbaasd te kijken. Hoofdman Jelter maakt een buiging. Alle anderen volgen. Voor de meesten is dit de eerste keer dat zij een Vikingkoning zien. Alleen op Kjeld lijkt het totaal geen indruk te maken. Hij staat daar nog steeds uitdagend voor zijn broer alsof hij Jelter ieder moment aan zijn speer kan spiesen.

Koning Langzwaard spreekt kalm op hem in. Over vergeving en liefde en iets doen voor anderen. Hij is nog helemaal in de ban van de woorden van kluizenaar Jumieges. Wat hij zegt klinkt mooi en de mensen luisteren. Zelfs de volgelingen van Kjeld zie ik steeds geestdriftiger knikken. Zij lijken wel oren te hebben naar een andere manier van leven. Hun eigen leider wil daar echter niets van weten. Het schuim staat hem op de lippen en zijn bloeddoorlopen ogen rollen in hun kassen, zo woest is hij op zijn jongere broer die alles heeft waar hijzelf naar verlangde maar niet kon krijgen.

Hoofdman Jelter nodigt de mensen van zijn oude stam uit het noorden opnieuw uit om hier bij ons te komen wonen. Wieland doet een stap naar voren. Hij is ongewapend. “Vroeger waren wij toch vrienden en bekenden van elkaar,” vult hij zijn hoofdman aan. Daar is Knoet en naast hem staat Bjorn. Ook zij hebben hun wapens afgelegd en spreken hartelijke woorden. De vreemdelingen langs de rand van de rivier hoeven niet lang na te denken. Het leven onder hun hoofdman Kjeld is de afgelopen jaren niet makkelijk geweest. Hier zien ze overvloed en een rustig bestaan in vrede. De een na de ander legt zijn zwaard neer. Beschermende schilden worden massaal op de grond gegooid. De eerste mannen komen op hoofdman Jelter af om hem een hand te geven. Die draait zich een kwartslag om de hele groep te verwelkomen.

Voordat iemand het doorheeft klinkt er een rauwe kreet en met al zijn kracht gooit Kjeld de speer naar zijn broer. Het dodelijke ding zoeft door de lucht. Alleen Noes is snel genoeg. Ze springt op en hapt naar de aanstormende speer, zoals ze vroeger naar vliegen hapte. Met haar hele lijf probeert ze hoofdman Jelter te beschermen. Ik geef een gil en zie het voor mijn ogen gebeuren. De speer doorboort het lijf van mijn hond. Nog voordat ze terug op de grond valt, weet ik dat ze dood is. Als in een waas ren ik naar haar toe. Haar ogen zijn al gebroken. Haar lijf ligt slap op de grond en om haar heen ontstaat een enorme bloedplas. Ik neem het dier in mijn armen en schreeuw en huil. Noes is dood! Mijn lieve, lieve Noes. Hoe kon dit nou gebeuren? Maar ik weet het wel. Als zij niet was gesprongen, dan had de speer hoofdman Jelter dodelijk getroffen. Onze Noes heeft haar leven gegeven om Jelter te redden. Door mijn verdriet heen mengt zich een enorm gevoel van trots. Het spoelt over mij heen en doorgloeit mij: Noes, mijn trouwe kameraad, is een held!

Om me heen is het een drukte van belang. Iedereen loopt door elkaar. Bjorn en Wieland hebben die krankzinnige Kjeld overmeesterd. Koning Willem heeft zijn lange zwaard aan Jelter aangeboden om wraak te nemen, maar onze goedaardige hoofdman kon het niet over zijn hart verkrijgen om zijn eigen broer te doden. Willem Langzwaard heeft daar zelf veel minder moeite mee en met een stevige stoot doorboort hij het hart van de nog altijd razende Kjeld. De dwaze man proest en rochelt nog even en zakt dan in elkaar. Jelter huilt. Om zijn broer die niet meer leeft. Ik druk Noes nog steviger aan mijn borst en vind dat die verschrikkelijke Kjeld zijn verdiende loon heeft gekregen.

Bjorn komt naar mij toe en aait Noes over haar vacht. Mijn jurk en handen zijn kleverig van het bloed. Verschillende mensen lopen langs en bedanken stuk voor stuk mijn hond, omdat zij de hoofdman het leven heeft gered. Jelter is zelf veel te druk met het verwelkomen van alle nieuwe leden in onze nederzetting.

Een eindje verderop is Wieland al ijverig bezig een gat te graven. Daar zal Noes voor eeuwige rusten. Het is mooi plekje, dicht bij het water. Ik wil mijn hond nog lang niet loslaten, maar de zon zakt achter de horizon en buiten wordt het nu snel donker. Er is niets meer wat ik nog voor Noes kan doen. Alleen haar met eerbied begraven. Dat heeft ze verdiend. Zo praat ik op mezelf in terwijl ik haar uit handen geef. In mijn eentje kan ik haar gewicht niet tillen. Daar zijn minstens twee mannen voor nodig. Bjorn en zijn vader dragen Noes naar haar graf. Het dode lichaam van mijn hond hangt slap tussen hen in. Met liefde leggen ze haar voorzichtig in de kuil. Ik plaats een tak naast haar. “Hier lieve Noes, ga maar halen. Een mooie tak, daar hou jij van.” Eigenhandig duw ik de aarde over haar heen. Steeds een beetje meer, totdat ze helemaal verdwenen is. Het is net alsof ik een stukje van mijzelf begraaf, een belangrijk deel van mijn leven, maar zo moet ik niet denken.

Wanneer ik opsta om definitief afscheid van haar te nemen, zie ik opeens hoofdman Jelter voor mij staan. “Het spijt me dat ik je niet geloofde Rimke,” zegt hij zo luid dat iedereen het kan horen. “Je had gelijk toen je mij kwam waarschuwen dat er een schip met Vikingen aankwam.” Onze hoofdman buigt zijn hoofd en ziet er aangedaan uit. Dan spreekt hij zachter, als tegen het graf. “Zonder jouw Noes zou ik nu niet meer geleefd hebben. Als zij niet voor de speer van mijn eigen broer was gesprongen…” Daarop laat Jelter demonstratief zijn broek zakken en begint prompt over het pas gedolven graf heen te plassen. Dat is de grootste eer die hij mijn hond kan geven. Alle mensen van de nederzetting begrijpen het. Zo sluit ons volk plechtige ceremonies af. Mannen en vrouwen, jong en oud, iedereen komt en plast boven op het graf van Noes. Dan sluit zelfs koning Willem zich aan. Ook hij plast met alle anderen mee over de grond waar van die dappere Noes in ligt. Dat vinden Bjorn en ik best bijzonder, want van huis uit is onze nieuwe koning dit ritueel niet meer gewend. Tussen de plassers zie ik eveneens een aantal nieuwe gezichten van de mensen die voortaan bij ons zullen komen wonen. Hun daad verbindt hen meteen met de vertrouwde inwoners uit onze nederzetting. Tot slot til ik mijn rokken hoog op en plas, zichtbaar voor iedereen, over het doorweekte graf van mijn hond. De anderen staan in een kring om mij heen en knikken me bemoedigend toe. Het doet me oneindig goed.

Na afloop wandelen Bjorn en zijn vader met mij mee naar huis. Zij hebben hun eigen hut aan een paar nieuwelingen aangeboden, tezamen met de stal van de schapen en de geiten waar ook een flink aantal mensen voorlopig in kan slapen. Koning Langzwaard is uitgenodigd om in het grote huis van hoofdman Jelter te overnachten. Wat ben ik blij dat de herder en zijn zoon deze nacht bij mij zullen doorbrengen. Mijn vader is nog altijd niet thuis en ons huisje is koud en stil. We hebben totaal geen trek meer in eten en zijn alleen nog maar doodmoe. Eenmaal op onze slaapmatten gelegen kruip ik veilig weg in de warme armen van Bjorn. Zijn vader lijkt het helemaal geen probleem te vinden dat hij mij stevig vasthoudt. Toch duurde nog een tijdje voordat alle beelden voor mijn geestesoog tot rust komen en ik eindelijk in slaap val.

Hoofdstuk 7: De redding

De volgende morgen word ik wakker van een zoen op mijn wang. Het is Bjorn. Hij en zijn vader staan klaar om naar de kudde te vertrekken. Gisteren heeft Knoet zijn dieren zomaar in de steek gelaten. Dat kan als herder eigenlijk helemaal niet, maar het leven van mensen gaat voor en toen hij zag dat boosaardige Vikingen onze nederzetting naderden is hij snel naar huis teruggekeerd en heeft de kudde aan zijn hond toevertrouwt. Nu staan vader en zoon te popelen om te zien hoe het met hun schapen en geiten is. Ze hebben zelfs al ontbijt gemaakt en opgegeten en ik heb niets gehoord, zo diep in slaap was ik.

Als alles goed is met de dieren belooft Bjorn vanavond weer naar mij toe te komen om mij ’s nachts gezelschap te houden zolang mijn vader nog op zoek is naar zijn vriend. Dan zijn de mannen vertrokken en is het stil in het lege huis. Het liefst was ik weer naar dromenland afgereisd, maar ik ben genoeg uitgerust en kan de slaap niet meer vatten. Sloom sta ik op en eet langzaam een beetje van de pap die Bjorn en zijn vader in de ketel boven de haard hebben gemaakt. Ondanks dat ik sinds gistermiddag niets meer heb gegeten en de pap heerlijk ruikt, smaakt het me niet. Niets lijkt me nog te kunnen interesseren. Wat moet ik nu? Het leven voelt kaal zonder Noes en ik maak me grote zorgen om mijn vader.

Landerig ga ik eens in het grote huis van hoofdman Jelter kijken. Daar is het een drukte van belang. Iedereen is bezig om afspraken te maken en dingen te regelen. De nieuwkomers moeten zo snel mogelijk allemaal een eigen huis krijgen. Gelijk vandaag nog zal met de bouw begonnen worden. Niemand ziet mij staan. Van Vrouwe Marie Claire hoor ik dat koning Willem Langzwaard bij de eerste zonnestralen op een paard van de nederzetting richting Rouen is gereden. Is hij vertrokken zonder mij te groeten?! “Wellicht dacht hij dat jij je slaap nodig had,” zegt de vrouw van de hoofdman sussend. “Hij is tenslotte de koning,” voegt iemand in het voorbijgaan toe. Zo snel ik kan maak ik me uit de voeten. Hier loop ik iedereen alleen maar in de weg.

Terug in ons huisje houd ik het ook niet uit. Ongedurig loop ik heen en weer. Geen Noes en geen vader, het is hier veel te stil. Normaal zit vader hier altijd op zijn vaste plekje en nu is hij al een paar dagen onderweg. Een uur lang maak ik me verschrikkelijke zorgen. Dan neem ik een besluit. Mijn hoofd heeft het nog niet gedacht of mijn handen beginnen het plan al uit te voeren. Ik rol mijn slaapmat op, stop voldoende voedsel in mijn tas en trek mijn gehavende jurk vol moddervlekken en strootjes aan. Die andere zit onder het geronnen bloed van Noes. Meer jurken bezit ik niet, dus deze moet voorlopig maar voldoen. Mijn wintermantel lijkt redelijk ongeschonden uit de strijd te zijn gekomen. Buiten schijnt de zon, dus de mantel is nu te warm om aan te trekken en ik prop hem erbij in mijn tas. Het hengsel voelt al haast vertrouwt, zoveel dagen heb ik deze week met dit ding lopen sjouwen.

Voordat ik echt vertrek ga ik nog even langs bij Wieland in de smidse. Hij staat ijverig op een stuk ijzer te timmeren, maar als hij me ziet onderbreekt de smid zijn werkzaamheden en dompelt het gloeiende metaal sissend en borrelend in een bak met water. Op zijn eigen kalme manier luistert Wieland naar mijn vraag. Zonder iets te zeggen knikt hij begrijpend en zoekt geduldig tussen zijn spullen, totdat hij er een korte ijzeren pook tussenuit vist. Dankbaar kijk ik de smid aan. Dat is precies wat ik zoek! Niet te zwaar en erg effectief om iemand mee te slaan en mezelf te beschermen onderweg. Ik steek het ding half in mijn tas, op zo’n manier dat ik het in geval van nood makkelijk kan grijpen. Onze vriendelijke smid wil er niets voor hebben. Spontaan geef ik hem een zoen op zijn wang ter begroeting en ga op weg.

Inmiddels ken ik de weg. Eerst volg ik een klein stukje de Seine stroomopwaarts en daarna het pad in oostelijke richting. In het begin is het bos nog lieflijk, maar algauw staan de bomen dichter bij elkaar en wordt het een donker woud. Nooit gedacht dat ik hier nog eens in mijn eentje zou lopen zonder Noes. Maar het moet. Ik wil mijn vader zoeken en verder is er niemand die dat kan doen. Koning Langzwaard heeft vanmorgen ons enige paard ingepikt. Ach, ik kan het hem niet kwalijk nemen. De meeste mensen vinden trouwens sowieso dat vader zichzelf willens en wetens in gevaar heeft gebracht door met zijn zwakke lijf een vriend te gaan zoeken… Ik moet er niet aan denken om na Noes nu ook nog mijn vader te verliezen. Dan heb ik niemand meer. Hoewel, op Bjorn kan ik altijd rekenen. Die lieve jongen, ik ben echt van hem gaan houden, zoals hij mij geholpen heeft de afgelopen week.

Al mijmerend heb ik de plaats bereikt waar ik de vorige keer overvallen ben door de struikrover. Onwillekeurig gaat er toch even een rilling door mijn lijf als ik het bloed zie dat op de steen ligt waar ik toen met mijn voorhoofd tegenaan gestoten ben. Speurend kijk ik in het rond. Er is hier niemand te bekennen. Ik trek mijn mantel dichter om mij heen en stap stevig door. Minstens een uur wandel ik door het dichte bos. Met iedere vezel in mijn lijf erop gespitst of ik ergens ook een geluid hoor. Niet alleen van struikrovers, maar vooral van vader en Arnulfi. Zouden ze nog leven? Of hebben de wolven hen allang verscheurd?

Net als de vorige keer rust ik wat op de open plek waar het pad langs loopt. Voor een kort moment lig ik languit op het mos en eet een homp brood. “Thor met de hamer, maak dat mijn vader nog leeft!,” bid ik in stilte. “God van de christenen, als u bestaat en echt zo goed bent als Jumieges de kluizenaar beweert, zorg dan alstublieft voor mijn vader en zijn vriend.” Eigenlijk ben ik net als Rollo, die dient ook alle goden die hij kent, ook al horen ze allemaal bij een ander geloof, in de hoop dat eentje hem verhoort. Het toont mij vooral hoe bang ik ben om mijn vader te verliezen. Zodra mijn benen weer willen raap ik mijn boeltje bij elkaar en loop verder.

Ik heb geen idee waar ik moet zoeken. De twee mannen kunnen overal zijn. Eerst wil ik dit pad in de richting van Rouen aflopen. Als ik ze dan niet kan vinden, haal ik het paard van de nederzetting op bij koning Willem en kan daarmee misschien een langere route terugnemen. Dit is de plek waar ik de vorige keer Arnulfi tegenkwam. Achter die bosjes heb ik toen geschuild. Precies op het moment dat ik dat denk hoor ik een vreemd geluid. Wat is dat? Een struikrover? Of een wolf? Of misschien mijn vader? Ik durf de gok niet te wagen om af te wachten en te kijken en vlucht snel op mijn oude schuilplek. Vandaar uit kan ik goed zien wat dat geluid veroorzaakt.

Wanneer ik een man in een bruine pij uit dezelfde richting als een paar dagen geleden zie aankomen en hem zwaar hoor hijgen, lijkt het net alsof de hele geschiedenis opnieuw begint. Maar dan, als ik beter kijk, zie ik dat de monnik die snel komt aanlopen veel jonger is dan Arnulfi. Hé wacht, die man ken ik. Het is Béronne! Wat doet die hier? Is dit wel te vertrouwen? Er flitsen beelden door mijn hoofd waarin Béronne niet anders dan uiterst vriendelijk is geweest. Twee nachten geleden hebben we nog samen in dezelfde kamer geslapen. Als hij mij kwaad had willen doen, dan had hij dat allang gedaan. Ik besluit uit mijn schuilplaats te voorschijn te komen. Béronne schrikt als hij zomaar opeens een mens van achter de bosjes vandaan ziet springen. Een tel later herkent hij mij en breekt er een brede lach op zijn gezicht door. “Precies degene die ik moet hebben,” begroet hij me. “Ik heb je vader gevonden, en Arnulfi. Ze leven nog, maar zijn er slecht aan toe. Vooral de oude monnik.”

Mijn hart staat stil. Ik ben opgelucht en bang tegelijk. Vader leeft nog! Hij is er slecht aan toe… Wat betekent dat? Voordat ik kan reageren heeft Béronne zich al omgedraaid en loopt terug in de richting waar hij vandaan kwam. “Kom,” wenkt hij me, “ik breng je naar hen toe.” We lopen van het pad af. De grond neigt hier schuin omhoog en we moeten een klein beetje klimmen. Ondertussen vertelt Béronne honderduit, hoe hij die nacht bij ons in het gastenverblijf van het klooster amper heeft kunnen slapen en direct het plan had opgevat om de beroemde Arnulfi te gaan zoeken. De monnik die ooit door Vikingen was meegeroofd naar hun land in het verre noorden en tot slaaf gemaakt, en die was bevrijd door een man die krom van lichaam was, maar recht van geest. Hoe vaak had hij niet dat prachtige verhaal over hen gehoord en nu waren deze beide legendarische mannen plotseling vermist. Nee, Béronne had niet kunnen wachten om hen te gaan zoeken en heeft gisteren van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat deze hele omgeving afgestroopt. Net zolang totdat hij hen vond.

“Wat is er gebeurd dat ze niet gewoon naar de nederzetting kunnen teruglopen?,” wil ik weten. Volgens Béronne had de bode uit Rouen net de uitgeputte monnik Arnulfi bereikt, toen ze werden aangevallen door een struikrover. Vanuit het niets was daar opeens die man met een muts en een baard en een tandeloze mond. Met een messteek bracht hij de bode, die was afgestapt om Arnulfi op het paard te helpen, om het leven. De oude monnik zag het gebeuren en heeft gevochten voor zijn eigen leven. Hij raakte gewond en viel, maar leefde nog toen de struikrover er met het paard vandoor ging.

Ergens begrijp ik het niet. Een paar uur later ben ik over datzelfde pad teruggelopen naar de nederzetting, maar ik heb niets gezien. Geen bloed en geen lijk van een doodgestoken bode en al helemaal geen gewonde monnik. Béronne legt aan mij uit dat Arnulfi als geen ander wist dat wolven op bloed afkomen. Met zijn vermoeide, gewonde lichaam heeft hij het bloed op de grond met een dikke laag aarde bedekt en vervolgens het lijk van de bode naar de rivier gesleept en daar verzwaard met stenen in het water gesmeten zodat de wolven het vlees niet zouden ruiken. Zelf heeft hij zich heel klein gemaakt en is die eerste nacht dicht bij de rivier gebleven om zich daarin te laten zakken zodra er wolven zouden komen. Maar gelukkig lieten die zich niet zien en was de monnik zo moe dat hij telkens opnieuw in slaap viel.

Béronne praat en praat terwijl hij mij steeds verder van de weg leidt. Klopt dit allemaal wel? Is het echt wel te vertrouwen? Dan opeens sta ik oog in oog met mijn vader. Moeizaam schuifelt hij op mij toe, maar hij beweegt en praat… Hij leeft nog! Dolgelukkig val ik mijn vader om de hals. Tranen lopen als vanzelf over mijn wangen. Ook hij drukt mij innig aan zijn hart. Als we loslaten heeft Béronne zich alweer omgedraaid. Hij zal naar de nederzetting lopen voor een kar met paard. Snel roep ik hem terug. “Ons paard is in Rouen bij koning Langzwaard. De stad is ook veel dichterbij! Hier, neem mijn ketting en zeg dat ik je gestuurd heb. Deze is van zijn moeder Poppa geweest, Willem zal hem vast herkennen.” De mannen kijken mij verbaasd aan. Zij hebben nog niet gehoord dat koning Rollo de macht aan zijn zoon heeft overgedragen en ze begrijpen ook niet goed hoe het kan dat ik op goede voet met hem sta. “Dat is een heel verhaal,” lach ik, terwijl ik de ketting van mijn nek haal en in Béronnes handen stop. “Jij bent al net zo legendarisch als je vader,” lacht de monnik terug en verdwijnt in het dichte bos.

Ik kijk om mij heen. Onder een grote boom hebben mijn vader en Arnulfi van takken en wat mos een beschutte plek gemaakt. Meer konden ze in het woud niet doen. Vader hinkt. Hij heeft zich blijkbaar verstapt, of teveel van zijn lichaam gevraagd. Het is mij meteen duidelijk dat hij het hele eind niet terug naar de nederzetting kon lopen om hulp te halen voor zijn vriend. Liever bleef hij bij Arnulfi om voor hem te zorgen. De oude monnik ligt stil op een bedje van mos. Hij is op verschillende plaatsen in zijn lichaam gestoken en heeft duidelijk pijn. Ik heb met hem te doen en kniel bij hem meer. Uit mijn tas pak ik van alles om te eten. Maar honger hebben de mannen niet. Béronne heeft die ergste nood al gelenigd. Arnulfi heeft veel meer honger naar verhalen. Hij wil zo graag weten of we de Vikingen hebben kunnen tegenhouden. Ik lach en knik, “maar dat is een heel verhaal.” Samen met mijn vader ga ik naast de oude man zitten en pak zijn hand alsof hij mij al jaren vertrouwd is. Dan begin ik te vertellen. Alles vanaf het moment dat ik Arnulfi totaal uitgeput achterliet in dit bos. Over mijn tocht naar Rouen en hoe ik uiteindelijk toch in de burcht werd toegelaten. Over de terugweg naar de nederzetting en dat ik onverwachts overvallen werd door een gemene struikrover. Als ik de boosdoener beschrijf knikt Arnulfi. Het is precies dezelfde man die hem en de bode even daarvoor had aangevallen.

Het is heerlijk om te vertellen en de afgelopen dagen opnieuw te beleven. Over hoe ik met Bjorn en Noes naar de koning in Honfleur reisde en we samen door Jumieges de rivier overgezet werden. Over Willem die met een gouden lans tot koning geslagen werd. Arnulfi en vader luisteren aandachtig naar het verhaal. Alles en alles vertel ik. Geen detail laat ik weg. Vooral omdat ik zie dat mijn spannende verhaal de oude monnik voor even afleid van zijn pijn. De mannen zetten beiden grote ogen op als ik vertel dat het Kjeld was die met het Vikingschip vanuit het hoge noorden zijn broer de les kwam lezen. Zowel mijn vader als Arnulfi hebben Kjeld vroeger goed gekend. Wanneer ze horen dat een grote groep mannen uit hun oude nederzetting ervoor gekozen heeft om voortaan bij ons te komen wonen, kunnen ze haast niet wachten om terug te keren en iedereen te ontmoeten. Waarschijnlijk zitten er heel veel oude vrienden bij. “Is er ook een oude verteller bij die Fiedeldie Dop heet en grijs pluizig piekhaar heeft?,” wil mijn vader weten. Ik kan het me niet goed herinneren, maar ik betwijfel het.

Dan moet ik ook het moeilijkste gedeelte van mijn verhaal vertellen: hoe Noes stierf. Bij vader schieten de tranen in de ogen. Hij houdt van honden en misschien van Noes nog wel het meest. We houden elkaar vast, vader en ik. “Gelukkig loopt dit verhaal goed af,” fluister ik, “want jij leeft nog!”

Opeens horen we een geluid. Vader grijpt naar zijn houten knuppel en ik pak snel de pook uit mijn tas. Maar het is gelukkig niet nodig. Daar is Béronne met paard en kar. Arnulfi en mijn vader wisselen een blik van verstandhouding. Wat kijken ze opgelucht. Eindelijk kunnen de mannen naar huis vervoerd worden en is hun gevaarlijke avontuur teneinde. Met behulp van Béronne wordt de gewonde monnik op de kar geholpen. Iedere beweging doet hem zeer, maar hij bijt zijn kiezen op elkaar en rust niet totdat hij eenmaal ligt. Vader kruipt naast zijn vriend in de kar. Zelf klim ik naast Béronne op de bok. Die geeft mij snel mijn ketting terug. Volgens hem hadden de mensen in Rouen vreemd gekeken naar een monnik met om zijn hals een prachtige vrouwelijke ketting. We moeten er samen hartelijk om lachen, opgelucht omdat alles zo goed is afgelopen.

Het voelt heerlijk om het hele eind terug naar de nederzetting gereden te worden. Het paard loopt stapvoets en we gaan niet hard, omdat we voorzichtig rond de kuilen in de weg moeten manoeuvreren. Iedere hobbel betekent extra pijn voor de oude monnik. Toch voelt deze rit als een overwinningstocht. We hebben het gehaald! De Vikingen zijn verslagen en mijn vader en Arnulfi zijn gered. Wie had dat ooit gedacht?!

Onder luid gejuich worden we in de nederzetting onthaald. De mensen zijn blij om mijn vader levend en wel terug te zien. Arnulfi wordt het grote huis van hoofdman Jelter in gedragen waar Vrouwe Marie Claire goed voor hem zal zorgen. Zij kent als geen ander middeltjes om wonden sneller te laten genezen. Ook naar vaders verstuikte voet wordt gekeken. De vrouw van de hoofdman bindt er stevige zwachtels omheen en volgens vader verlicht dat al meteen een groot deel van de pijn. De mensen uit de nederzetting komen om hem heen staan. Ze willen maar wat graag de verhalen horen, maar vader houdt af. Zodra zijn voet verbonden is strompelt hij samen met mij naar buiten. Eerst wil hij langs het graf van Noes, waar hij als allerlaatste plechtig overheen plast. Daarna neem ik hem mee naar ons huis. Een onuitsprekelijk gevoel van dankbaarheid overvalt me wanneer ik mijn vader weer op zijn vertrouwde plekje aan tafel zie zitten. Ik steek het vuur aan en warm de rest van de pap op. Het is dezelfde pap als vanmorgen, degene die Bjorn en zijn vader maakten. Gek, opeens is het de lekkerste pap die ooit geproefd heb.

Wanneer vader en ik net begonnen zijn met eten komt Bjorn binnen. Ter begroeting geeft hij mijn vader een hand. Na even aarzelen omhelst hij hem ook, uit pure blijdschap is dat mijn vader nog leeft. Ik zie het met ontroering aan en zet snel een bordje voor hem bij. De herderszoon vertelt opgelucht dat alles goed is met de schapen en de geiten. Die nacht slaap ik opnieuw in de armen van Bjorn en ook mijn eigen vader zegt er niets van.

Hoofdstuk 8: Op de markt

Pas de volgende dag bereikt de boot uit Honfleur onze nederzetting. Door de tegenwind hebben ze er behoorlijk lang over gedaan. Aan boord staan zwaarbewapende mannen klaar om aan te vallen. Ze hebben het Vikingschip zien liggen en denken dat wij gegijzeld zijn of vermoord. Gelukkig ziet Bjorn hen, terwijl we net samen wandelingetje maken. Ik herken de boot die wij samen met Willem Langzwaard buiten Honfleur uit het water hebben geprobeerd te trekken en zwaai naar de page. De jongen ziet ons vrolijk aan komen lopen en kijkt verbaasd. “Stop maar met vechten,” roept Bjorn hem toe. “Het is goed volk. Ze wonen nu hier bij ons.” De ogen van de mannen aan boord vallen bijna uit hun kassen van verbijstering. Vertwijfeld laten ze hun schilden zakken en kijken om zich heen. Dan zien ze pas dat er geen gevaar dreigt. Het leven in de nederzetting gaat zijn gewone gang. Voor het grote huis van onze hoofdman spelen kinderen en Wieland hamert op een stuk ijzer in de smidse. Overal heerst rust en vrede. De meeste inwoners zijn even verderop bezig om huizen te bouwen voor de nieuwkomers. Niets wijst op een vijandelijke aanval van gemene Vikingen.

Bjorn helpt de boot aan te leggen en de mannen van Willem Langzwaard stappen aan land. De meesten zijn stijf van het vele zitten en roeien. We nodigen hen uit om hier bij ons in de nederzetting iets te eten en even te rusten. Daar gaan ze graag op in. Met z’n allen lopen we naar het grote huis van hoofdman Jelter. Binnen zoekt iedereen een plekje. Vrouwe Marie Claire is heel gastvrij en laat royaal eten uitdelen. Ondertussen krijgen we honderd vragen op ons afgevuurd, want geen van de mannen uit Honfleur begrijpt wat er nou precies is gebeurd. Arnulfi neemt het op zich om alle verhalen te vertellen. Dat kan deze monnik als geen ander. Door de goede zorgen van Vrouwe Marie Claire is hij alweer behoorlijk opgeknapt, al zullen de wonden nog wel enige tijd nodig hebben om helemaal te genezen. Zodra de mensen uit Honfleur beseffen wie ze voor zich hebben hangen ze aan Arnulfi’s lippen. Ze hebben allemaal al zo vaak gehoord over deze oude monnik. Ik sta er geamuseerd naar te kijken als mij opeens iets te binnenvalt. Zachtjes fluisterend overleg ik mijn plan met Bjorn. Die knikt goedkeurend en in stilte verlaten we de verteller met zijn luisteraars.

Eenmaal buiten zet Bjorn het op een lopen. Hij zal helemaal naar zijn vader moeten rennen om toestemming te vragen. Ik zoek mijn eigen vader op in ons kleine huisje. Het geeft me een geruststellend gevoel wanneer ik hem net als altijd aan tafel zie zitten, gebogen over een nieuw sieraad en ik geef hem een dikke zoen. Naast zijn spullen ligt mijn tas onopgeruimd te slingeren. Ik graai het ding weg en loop naar de voordeur. Daar ligt een grote berg met sieraden. Dezelfde die ik Kjeld voor de voeten wierp. In de afgelopen dagen hebben de bewoners van de nederzetting de sieraden van de grond verzameld en voor onze deur neergelegd. De tas is net zo zwaar als de vorige keer. Het ontroert me. De sieraden die mijn vader maakt zijn ongekend mooi en zeer gewild. In de stad zijn ze zelfs veel geld waard. Al die tijd lagen ze open en bloot op de grond, zo voor het oprapen. Ik had ze weggegooid en iedereen had deze rijke buit zonder problemen kunnen inpikken. Toch is dat niet gebeurt. Elk sieraad is teruggegeven.

Er rolt een traan over mijn wang als ik ons huis weer binnen ga en alle gaatjes van de tas verder volstop met eten voor onderweg. Vader begrijpt dat ik van plan ben om opnieuw te proberen zijn maaksels in Rouen te verkopen. Hij is het er niet mee eens. “Dat bos is veel te gevaarlijk voor een jong meisje in haar eentje. Ik heb liever dat je een keer met Wieland meegaat als die toevallig in de stad moet zijn. Onze smid is groot en sterk.” Op dat moment stapt Bjorn net ons huisje binnen. “U denkt toch niet dat ik Rimke alleen laat gaan?!,” lacht hij tegen mijn vader. “Daarvoor houd ik teveel van uw dochter.” Vader knikt dankbaar. Hij is gerustgesteld. “Bovendien gaan we met de boot!,” roep ik. Blij met mijn eigen slimme plan. “Als de mannen uit Honfleur straks zijn uitgerust dan varen ze waarschijnlijk meteen door naar Rouen om zich bij koning Langzwaard te melden. Wij mogen vast wel mee.” Daarmee nemen we afscheid van mijn vader. Hij is veilig thuis en red zich wel.

Mijn vermoeden was juist. Er is nog genoeg plek aan boord van de boot en we mogen meevaren. Doordat de rivier zo kronkelt is de weg bijna drie keer zolang, maar dat geeft niets. Bjorn en ik hebben de tijd. We nemen plaats op de voorste bank en genieten van het tochtje en het uitzicht. Vanaf het water ziet alles er anders uit, zelfs de aanblik van onze vertrouwde nederzetting en van het pad dat ik vroeger vaak met Noes liep. Even overvalt me een verdrietig gevoel als ik aan mijn lieve hond denk. Bjorn begrijpt het gelukkig en trekt mij dicht tegen zich aan.

De mannen roeien bij toerbeurt. De boot moet tenslotte tegen de stroom in varen. Gelukkig staat de wind gunstig en worden we grote delen van de route vooruit geblazen. Het lijkt Bjorn wel leuk om te roeien en hij neemt een tijdje de plaats van Willemse page over. Die komt naast mij zitten en we raken aan de praat over het leven aan het hof, over die dikke Rollo en onze nieuwe koning Langzwaard. De page is een aardige jongen, maar als we wat al te gezellig naar Bjorns zin zitten te praten neemt die snel zijn plek naast mij weer in. “Vind je het roeien niet leuk?,” vraag ik hem. Nors haalt hij zijn schouders op. “Vind je hem leuk?,” vraagt hij terug, met een knikje in de richting van de page. “Ah, joh, gekkie, ik weet niet eens hoe hij heet!” Snel sla ik mijn armen om mijn vriend en voel hoe hij zich weer ontspant. Wat kan zo’n stoere herdersjongen toch snel jaloers zijn!

“Gelukkig maar,”gromt hij, “want ik ga de ring die ik van Poppa kreeg door Wieland de smid laten omsmelten en dan krijg jij iets moois als wij samen trouwen tijdens de Thing de komende lente.” Ik schiet in de lach. “Zo ken ik je weer!,” beaam ik en kan het niet laten hem te plagen. “Heb je al toestemming gevraagd aan onze vaders? En belangrijker nog: heb je het al aan mij gevraagd? Ik beslis zelf hoor met wie ik trouw, als een zelfbewuste Noorvrouw.” Bjorn trekt aan een van mijn blonde lokken zoals ook vader soms kan doen als ik hem met woorden klem zet. “Jij met je Noorvrouw! Kom hier.” En hij geeft me zo’n lange zoen op mijn mond dat het me de adem beneemt.

Na een paar uur komen we aan in Rouen. Bjorn en ik stappen als eerste uit. We groeten de page en alle anderen en bedanken hen voor de lift. Gearmd lopen we door de straten van de stad. Het blijft onwennig hoe druk het hier is. Geen van ons beiden kent de weg. Ik stel voor om naar de burcht te klimmen die hoog boven alles uittorent. Van daaruit weet ik in ieder geval een van de adresjes te vinden die vader mij heeft aangeraden. Bjorn vind het een goed idee. Telkens kiezen we straten die naar boven leiden en voordat we het weten staan we voor de burcht. De poort is dicht en als we dichterbij komen zie ik dat de wachters twee andere mannen zijn dan de vorige keer. Zou Willem Langzwaard thuis zijn? Met mijn ketting kan ik vast zo naar binnen, maar we hebben geen tijd voor bezoekjes. Als we een beetje opschieten kunnen we vanmiddag nog naar huis lopen en dan zijn we voor donker thuis.

Zonder moeite vind ik het adres terug waar ik laatst aan voorbij ben gelopen. Ditmaal stappen we naar binnen. Een knappe Fransman helpt ons vriendelijk. Hij bekijkt de sieraden van mijn vader aandachtig. “De hand van deze vakman herken ik,” zegt hij blij. Dan kijkt hij ons onderzoekend aan. “Meestal komt een ander zijn waren aanbieden.” Ik knik. “Alle andere jaren heeft Wieland de smid de sieraden van mijn vader verkocht. Dit jaar mocht ik het doen.” De koopman lacht. “Jij mag trots zijn op je vader, meiske. Hij is een echte kunstenaar en ik houd hem graag te vriend. Daarom bied ik een goede prijs en hoop dat jullie de volgende keer weer als eerste ben mij zijn sieraden komen aanbieden.” Meteen daarop voegt de man de daad bij het woord en telt een groot bedrag in geld uit. Het is meer dan wij ervoor hoopten te krijgen. Dankbaar aanvaard ik de muntstukken en stop ze in mijn tas. Met de belofte dat ik volgend jaar weer zal komen nemen we afscheid.

“Dit is vast een geluksdag,” verzucht ik stralend naar Bjorn als we binnen een paar minuten alweer buiten staan. “Kom, nu gaan we spullen kopen!” Enthousiast trek ik hem mee door de straten naar het centrum van de stad. Daar is de markt volgens mijn vader. Als we het plein opkomen weet ik niet wat ik zie. Zoveel kramen en koopwaar. Overal lopen mensen. Ik kijk mijn ogen uit. Tijdens de Thing houden we in de nederzetting ook een soort markt. Dan ruilen we onderling spullen die we overhebben. Dit is veel massaler.

Plotseling word ik aangetikt. Opeens sta ik oog in oog met de twee poortwachters van de vorige keer. Ze maken een lichte buiging en verontschuldigen zich voor hun gedrag van toen. “We hadden u moeten doorlaten jonkvrouwe,” stamelt de één. “We hadden u niet mogen uitlachen,” stottert de ander. Blijkbaar hebben ze op hun kop gehad van Willem Langzwaard. Bij die gedachte moet ik wel een beetje grinniken. Tersluiks kijken ze naar de ketting die ik van Poppa heb gekregen en die sindsdien altijd om mijn nek hangt. “Als u die had gedragen…” Ik knik begrijpend. Bjorn naast mij wordt ongeduldig. “We moeten nog veel boodschappen doen,” zegt hij en trekt mij mee. “Pas maar op met die mooie ketting,” hoor ik één van de poortwachters ons nog naroepen, “er schijnen hier veel dieven te zijn.” Ik steek mijn hand op ten teken dat ik het gehoord heb. Dan verdwijnen we in de menigte.

Een beetje onder de indruk schuifelen we door de mensenmassa. Bij verschillende kramen houden we halt en kopen spullen die we nodig hebben om de winter door te komen. Net als ik een mooie hemelsblauwe lap stof heb afgerekend en boven in mijn tas leg, zie ik in mijn ooghoek iets bewegen. Als ik opkijk herken ik de gestalte. Een man met een muts, een baard en een oude bevlekte doek rondom zijn bovenarm. De struikrover! Ik sta als versteend. Bjorn naast mij voelt het. Hij volgt mijn ogen en ziet waar ik naar kijk. De man zit op een kratje en drinkt bier. “Is dat hem?,” vraagt hij zachtjes. Wanneer ik knik wil de herdersjongen er meteen op af, maar ik houd hem tegen. “Blijf in zijn buurt,” fluister ik in Bjorns oor en weg ben ik.

Tussen alle winkelende mensen door ren ik naar de plek waar we daarnet nog die twee poortwachters tegenkwamen. Ze zijn er niet meer. Ik heb echter geluk. Even verderop zie ik ze nog lopen. Een kort sprintje en ik heb ze ingehaald. Geamuseerd kijken ze mij aan. “U alweer, jonkvrouwe.” Maar dit is geen tijd voor kwinkslagen, Ik wenk ze en sommeer hen mee te komen. Normaal zouden deze mannen echt geen bevelen van een jong meisje aannemen. Toch volgen ze mij gedwee. Zo snel ik kan hol ik terug naar de stoffenkraam. De twee poortwachters op mijn hielen. Bij Bjorn blijven we staan. De struikrover zit nog nietsvermoedend op zijn kratje. “Dat is de man die mij in het bos wilde bestelen,” wijs ik. Tot mijn verbazing weifelen de wachters geen moment. Ze lopen meteen op de rover af. Voordat de man het doorheeft en een poging doet om weg te rennen is hij al gegrepen en wordt weggevoerd. In het voorbijgaan knikken de poortwachters ons beleefd toe en eentje beweert dat ze deze man al een tijdje in de gaten verdachten en nu eindelijk een getuige hebben. “Hij zal voor koning Langzwaard worden voorgeleid,” voegt de ander nog toe. Dan zijn ze weg.

Wij staan midden op de drukke markt. Alle boodschappen zijn gedaan. Niets weerhoudt ons ervan om direct naar huis te lopen. We komen wel langs een herberg waar we onze dorst zouden kunnen lessen met wat bier, maar we talen er niet naar. Door de heenreis per boot zijn onze benen nog helemaal niet moe. Bovendien hebben we aan boord allebei nog wat gegeten. Het beste wat we kunnen doen is zo snel mogelijk gaan lopen. Want we moeten tenslotte nog door het donker woud waar vast nog wel meer struikrovers wonen dan de ene die net is opgepakt. Zouden zij kunnen ruiken wanneer er een extra kostbare buit te halen valt? Onze tassen zijn tenslotte zwaar beladen. En er zitten ook nog een heleboel munten in.

Vol goede moed gaan we samen op huis aan. Dicht naast elkaar lopen we Rouen uit en volgen een tijdje de rivier mee met de stroom. Waar we de Seine verlaten om het kortere pad door het bos te kiezen, drinken we eerst nog wat van het verfrissende water. Druk in gesprek wandelen we door het bos. Net als ik Bjorn de plek wil laten zien waar ik tot twee keer toe heb moeten schuilen horen we geritsel achter ons. Ik grijp naar de tas en trek hem dicht tegen mij aan. Bjorn pakt mij bij de elleboog en samen rennen we naar de bosjes. Het geluid komt echter snel dichterbij. Hoefgetrappel! Dat kan niet de tandeloze struikrover op het gestolen paard zijn, maar wie dan wel?

Het geluid komt zo snel dichterbij dat we te laat zijn om ons nog te kunnen verstoppen. Toch rennen we door. De paardenhoeven houden in. Als ik probeer achterom te kijken zie ik dat er zelfs twee paarden op het pad halt houden. Nu zijn we verloren! Tezamen kunnen Bjorn en ik één struikrover nog wel aan, maar twee sterke mannen zijn teveel voor ons. Dan hoor ik opeens een stem. “Wacht toch jonkvrouwe uit de nederzetting van hoofdman Jelter.” Verbaasd draai ik me om en herken in een van de ruiters de page van Willem Langzwaard. Dit zijn geen struikrovers, maar gewoon twee mannen van de koning!

Opgelucht halen Bjorn en ik adem en keren terug naar het pad. “Willen jullie meerijden,” vraagt de page. “Wij zijn net onderweg naar jullie nederzetting, waar we een belangrijke boodschap moeten afgeven. Onze paarden kunnen makkelijk een extra passagier dragen.” Dat laten we ons geen tweede keer vragen. Met een knipoog helpt Bjorn mij achterop bij de page. Behendig klimt hij daarna zelf bij de andere man op het paard. Die geven hun dieren direct de sporen en met een noodvaart razen we door het bos. “Dit is echt een geluksdag!,” denk ik en laat mijn haren wapperen in de wind.

Binnen een uur komen we aan in de nederzetting. Het liefst wil ik onmiddellijk naar mijn vader toe om hem de hoge beloning voor zijn vlijtige werk te geven en alle complimenten over te brengen van de Franse koopman, maar de page haalt mij over om eerst mee te gaan naar het grote huis van hoofdman Jelter. De boodschap die hij van koning Langzwaard moet overbrengen gaat ons allemaal aan.

Binnen is het een drukte van belang. De mensen zijn net teruggekeerd van de huizenbouw en hebben honger. Overal lopen bedienden grote scheppen van een heerlijk ruikende stoofpot rond te delen. De hoofdman zit net aan de avondmaaltijd. Gastvrij als hij is nodigt hij de beide bodes uit om mee te eten. Die slaan de uitnodiging vriendelijk af. Zij willen voordat het donker wordt nog een eind doorrijden in de richting van Honfleur. Wel zeggen ze een belangrijke mededeling te hebben voor alle inwoners van onze nederzetting. De page slaat met een houten pollepel op tafel om ieders aandacht te trekken. Hij gaat stevig wijdbeens staan en trekt een serieus gezicht.

“Koning Willem Langzwaard laat u weten dat allen in deze nederzetting van de hoogverheven hoofdman tot de laagste bedienden is uitgenodigd voor een feest ter ere van zijn pas verworven koningschap en om te vieren dat een levensgevaarlijke aanval van de Vikingen is afgeslagen. Als speciale gasten zijn uitgenodigd: hoofdman Jelter en zijn vrouw, Hindi de sieraadmaker en zijn dochter Rimke, de monnik Arnulfi, de monnik Béronne en ook alle mensen die onder Kjeld naar hier zijn gekomen zijn van harte uitgenodigd.” De page spreekt met luide stem, zodat iedereen in het grote huis hem kan horen. Natuurlijk heb ik meteen opgemerkt dat de koning Bjorn niet als eregast heeft uitgenodigd. Vast omdat de herdersjongen mijn vriend is. Wat kunnen mannen toch kinderachtig doen, zelfs als ze een machtige koning zijn!

Er breekt een luid gejuich uit, maar de page slaat ferm met de pollepel op de tafel om opnieuw om stilte te malen. Hij wil duidelijk nog iets zeggen. Het duurt echter even voordat de rust is weergekkerd. “Het feest zal vandaag precies over twee weken gehouden worden in de burcht van Honfleur. Lang leve koning Willem Langzwaard!” Daarmee eindigt de page zijn toespraak. Prompt draaien de beide bodes zich om en lopen naar de deur. In het voorbijgaan knikt de page mij toe ter begroeting. Ik knik terug. Om ons heen is een enorme beroering ontstaan. Iedereen in het grote huis van hoofdman Jelter spreekt door elkaar. Zo opgewonden zijn ze over het aanstaande feest. Ik glip de deur uit en ren naar ons huisje. Binnen vertel ik vader over al het goede nieuws. Over de hoge prijs die hij voor zijn maandenlange winterwerk heeft gekregen en dat hij als speciale gast is uitgenodigd op een feest van de koning! Vader knikt blij. Al zou hij niet weten hoe hij met zijn zere lijf helemaal in Honfleur zou moeten komen.

Dat probleem wordt echter makkelijk opgelost. Hoofdman Jelter besluit dat we met het Vikingschip gaan. Dat supersnelle langschip behoorde ooit zijn broer Kjeld toe. Vanaf nu is het voor alle mensen van de nederzetting, mits ze beloven er niet mee te gaan plunderen of roven.

Dagenlang zijn we druk met de voorbereiding. Van de prachtige hemelsblauwe stof naai ik de mooiste jurk die ik ooit bezat. Af en toe ga ik even bij de monnik Arnulfi kijken. Hij zou graag de kluizenaar van Jumieges ontmoeten. Als hoofdman Jelter dat hoort vraagt hij Bjorn of zijn vader nog in de buurt van de oude ruïne moet zijn de komende paar dagen. Via Knoet bereikt de uitnodiging voor het feest uiteindelijk de kluizenaar precies op tijd. Aan alles is gedacht.

Hoofdstuk 9: Feest

Twee weken later schepen we in. Béronne stapt als eerste over de loopplank. Hij is al die tijd in de nederzetting gebleven om voor Arnulfi te zorgen. Vanavond zal de bescheiden monnik als een van de eregasten op het feest van de koning verschijnen. Vervolgens wordt Arnulfi zelf aan boord gedragen. Het gaat een stuk beter met hem en hij heeft alweer praatjes voor tien. Vader kan dat kleine stukje van ons huis naar het schip op eigen kracht lopen. Zijn linkervoet sleept zoals het altijd gedaan heeft. De pijn wordt gelukkig minder. De twee vrienden nemen naast elkaar plaats op een bank. Ook alle andere stappen aan boord. Knoet schuift aan bij Wieland de smid, zodat Bjorn naast mij kan komen zitten. Hoofdman Jelter en Vrouwe Marie Claire hebben zich beiden schitterend uitgedost. Al zie ik haar soms kijken naar mijn blauwe jurk met daarop de ketting van Poppa. “Jij bent de mooiste van allemaal,” fluistert Bjorn in mijn oor en dan bloos ik verlegen.

Als iedereen aan boord is worden de zeilen gehesen. Ze bollen roodwit op zodra ze wind vangen. Dit is een bijzonder schip, dat voel ik meteen. Het steekt niet diep in het water en is daardoor supersnel. Geen wonder dat Vikingen over de hele wereld gevreesd worden. Met hun vernuftige schepen kunnen ze bliksemsnel andere volkeren aanvallen zonder dat iemand hen ziet aankomen en na het plunderen zijn ze ook weer zo vertrokken. Zou ik op precies zo’n schip geboren zijn? Mijn vader zit te ver weg om het te vragen. Ik vlei me tegen Bjorn aan en nestel mij in zijn holletje. Vandaag is het feest!

Niet lang nadat we vertrokken zijn komen we langs de plek waar Jumieges ons een paar keer de rivier heeft overgezet. Zie maar, daar ligt zijn bootje. En daar is de kluizenaar zelf, half naakt, maar met een schone nieuwe lendendoek om zijn magere lijf. Het is nog vroeg op de dag, maar hij staat al rustig te wachten om opgehaald te worden. Voor een kort moment leggen we aan zodat de kluizenaar aan boord kan stappen om mee te gaan naar het feest. Dat zal de koning verheugen. Iedereen weet inmiddels hoe graag die met Jumieges van gedachten wisselt. Volgens Knoet was de kluizenaar al eerder dan hij het bericht kon overbrengen hoogstpersoonlijk door Willem Langzwaard uitgenodigd. Er wordt zelfs gefluisterd dat onze koning af en toe een hele nacht naar de ruïne in Jumieges gaat om met de kluizenaar te praten! Of dat waar is weet niemand en de magere man met zijn hoge piepstem spreekt over van alles, maar laat over dit onderwerp geen woord los.

Als de kluizenaar heeft plaatsgenomen duwt Wieland de boot af. Met een flinke vaart schiet de oever meteen weer aan ons voorbij. Daar aan de andere kant ligt de torenklok tussen het riet. Wat gaan we hard! Dit keer hebben we niet alleen de wind, maar ook de stroming mee. De rivier kronkelt noordwaarts en zuidwaarts en dan weer noordwaarts. We leggen veel meer kilometers af dan een vogel die in een rechte lijn over alles heen kan vliegen. Toch voelt ook dit bijna als vliegen, zo licht scheert het Vikingschip over het water.

Op een gegeven moment leggen we opnieuw aan. Maar we zijn er toch nog niet? En er staat ook niemand te wachten op de oever. Dan zie ik Béronne uitstappen en ik herken de plek. Hier in de omgeving staat het kleine klooster waar wij hebben overnacht. Béronne gaat de andere monniken halen. Over twee uur kunnen ook zij in de burcht van Honfleur zijn. Ons schip wacht daar niet op en vaart direct met een noodgang verder. Niet lang daarna zien we het dorpje Honfleur en even verderop de burcht. Het is bijna jammer dat ons heerlijke tochtje al ten einde is. We leggen aan en stappen uit. De page van koning Langzwaard staat ons al bij de kade op te wachten en gaat ons voor over de ophaalbrug naar het binnenplein. Even moet ik aan Noes denken en aan de slimme manier waarop zij een paar weken geleden nog ons hielp om de ophaalbrug te laten zakken. Wat maakte dat toen een herrie!

Dit keer is de binnenplaats allesbehalve uitgestorven. Bodes en bediendes lopen af en aan met kippen en fazanten, met manden vol broden en houtblokken voor op het vuur. Het belooft een geweldig feest te worden. Dienstmeisjes tonen ons de slaapvertrekken. Na het feest zullen we hier allemaal overnachten. Ieder van ons krijgt een eigen slaapkamer. Ik deel er eentje met mijn vader. We hebben nog een paar uur de tijd om ons op te frissen en eventueel wat uit te rusten van de reis. Maar ik ben totaal niet moe en zwerf door de gangen van de burcht. Stiekem neem ik een kijkje in de keuken en in de stallen. De voorbereidingen van ons feest zijn in volle gang en ik kijk mijn ogen uit. Voordat ik het weet, slaat er iemand met een gong op de binnenplaats ten teken dat het tijd is en het feest gaat beginnen.

Opgewonden volg ik de menigte. Iedereen is uitgelaten en dringt in lange rijen door de gangen naar de grote zaal. Die is prachtig versierd met slingers en overal branden fakkels. In het midden staan vier tronen. Op twee daarvan zitten Rollo en Poppa. De andere twee zetels zijn nog leeg, maar niemand van ons haalt het in zijn hoofd om daarop te gaan zitten. Zodra we allemaal binnen zijn komt Willem Langzwaard de zaal binnen. Onze koning ziet er waardig uit in een dure hermelijnen mantel naar Franse snit. De mensen vallen stil. Er wordt zelfs niet meer gehoest. Plechtig kijkt koning Langzwaard om zich heen en verwelkomt dan alle aanwezigen. Het volgende moment klapt hij in zijn handen en beveelt: “Een stoel voor onze speciale gasten.” Meteen komen er van verschillende kanten bediendes aanlopen met stoelen. Ze worden vooraan op een rijtje gezet. Om de beurt roept de koning onze namen af en mogen we naar voren komen om plaats te nemen. Hoofdman Jelter en zijn vrouw in hun prachtige gewaden, Jumieges, Arnulfi, Béronne en natuurlijk mijn vader en ik. Voor vader en Arnulfi is het wel fijn dat zij kunnen zitten. Alle anderen zullen de hele avond staan. Dat geeft niks. Het is tenslotte feest. Alleen Bjorn ziet tandenknarsend toe dat hij wederom niet genoemd wordt als eregast.

Koning Willem Langzwaard zegt dat hij een paar dingen wil regelen voordat het feest echt zal losbarsten. We zijn benieuwd! “Eerst de zaak van de schurk,” begint de koning en op zijn teken wordt er een jammerende man binnengeleid. Tussen alle feestgangers die hun mooiste kleren hebben aangetrokken ziet hij eruit als een zwerver. Wanneer ik beter kijk zie ik dat het de struikrover is die mij heeft aangevallen. Hij wordt voor ons geleid door twee schildwachten die hem goed vastgehouden. De koning richt zich tot Arnulfi. “Is dit de man die jullie heeft beroofd van het paard, die mijn bode heeft doodgestoken en u heeft verwond?” De oude monnik is bleek weggetrokken en fluistert zachtjes “Hij is het.” Vervolgens kijkt Willem Langzwaard naar mij. Nog voordat hij het mij gevraagd heeft zeg ik al luid en duidelijk “Hij is het!” De koning knikt en gebaart dat de schildwachters de gevangene weer in de kerker kunnen gooien. Die krijgt zijn verdiende straf, dat staat vast.

Is het hier zo warm in de zaal of ligt dat aan mij? Of komt het misschien omdat de ogen van de koning mij niet meer lijken los te laten. Ze staren in de mijne alsof ze me willen peilen. Ik raak ervan in de war. Wat wil de koning van mij? Zonder te knipperen begint Willem Langzwaard opeens tegen me te praten. Iedereen in de zaal kan het horen. Hoe mooi hij mij vindt en hoe dapper. Dat hij nog nooit een meisje is tegengekomen zoals ik en dat hij graag zou willen dat ik hier vandaag zijn vrouw wordt.

“Sta alsjeblieft op, jonkvrouwe Rimke, en neem hier plaats naast mij op deze troon. Dan zul je voor eeuwig mijn echtgenote zijn en koningin over heel Normannia.” Ik weet niet wat ik hoor. De koning vraagt mij ten overstaan van de complete nederzetting ten huwelijk. Wat moet ik doen? Ik hoef maar ja te zeggen en een heel land ligt aan mijn voeten. Roem en rijkdom zullen mijn deel zijn. Een leven in luxe en alles waar ik nog verder ooit naar zou kunnen verlangen.

Maar waar verlang ik eigenlijk naar? Ik kijk om mij heen en lees trots in de ogen van mijn vader. Hoofdman Jelter zit bemoedigend te knikken. De mensen vinden het ongelooflijk bijzonder en het is ook een hele eer. Misschien kan ik veel goeds doen voor mijn volk. Is dat wat ik het liefste wil op aarde? Als ik opsta gaat een rilling door de zaal. Ik sluit mijn ogen. Diep van binnen weet ik wat mij te doen staat. Dan haal ik hoorbaar adem en spreek. “Mijn geëerde en geliefde koning”. Als vanzelf doe ik mijn ogen open. Willem Langzwaard is inmiddels op de derde troon gaan zitten. Aan zijn gezicht kan ik zien dat hij zich al gelukkig prijst met mij als zijn vrouw aan zijn zijde. De vierde lege zetel ziet er aanlokkelijk uit. Maar ik ben Rimke, een vrije en onafhankelijke vrouw die haar eigen keuzes maakt en die weet waar ze zelf het meeste naar verlangt. Vastberaden recht ik mijn rug en steek mijn kin in de lucht. “Hoezeer ik u ook waardeer als koning, uw vrouw kan ik niet worden. Mijn hart behoort een ander toe.” Overrompeld staart de koning mij vanaf zijn troon aan. Ik verbreek het oogcontact en kijk opzij, naar de plaats waar Bjorn staat en lach hem bemoedigend toe. Met een paar passen is hij bij mij. In zijn ogen blinken tranen van ontroering en opluchting. Wanneer we elkaar omhelzen barst er een luid gejuich los. De mensen joelen en applaudisseren. Niemand van de nederzetting neemt het mij kwalijk dat ik voor mijn geliefde heb gekozen. Aan de manier waarop Bjorn mij vasthoudt voel ik dat deze keuze hem zekerder maakt en dat hij in de toekomst minder aan mijn gevoelens voor hem zal twijfelen. Fijn, want dat jaloerse gedoe was zijn minst aantrekkelijke kant.

De koning heeft zich hersteld. Ondanks zijn eigen teleurstelling laat hij het feest toch doorgaan. Vaten vol bier en wijn worden aangerukt, schalen met de heerlijkste lekkernijen komen langs. En als grote hoogtepunt van de avond komt er opeens een verhalenverteller tevoorschijn. Het is een stokoude man en zijn haren zijn spierwit. “Fiedeldie Dop!!,” roepen mijn vader en Arnulfi tegelijkertijd uit. De verteller blijkt een oude bekende van veel mensen uit de nederzetting te zijn en de man wordt eerst van alle kanten hartelijk begroet voordat hij kan beginnen met zijn programma. Maar als de man eenmaal van start gaat hangen we aan zijn lippen. Wat een fantastische verteller! We kunnen er geen genoeg van krijgen. Speciaal voor ons heeft hij een lied gemaakt over de afgelopen dagen waarin we dachten te worden aangevallen door moordende Vikingen. Fiedeldie Dop zingt over de hard rennende Arnulfi die het schip op de Noordzee had zien varen en over hoe “jonkvrouwe Rimke” de boodschap aan de koning had geprobeerd over te brengen. Vanuit de mond van een echte verteller klinkt het allemaal nog veel heldhaftiger. Het is leuk om de dappere heldin in een ballade te zijn. Zeker als ik bedenk dat deze Fiedeldie Dop de wereld bereist en zijn liederen overal zingt. Willem Langzwaard had gelijk: nu ben ik bijna net zo’n legendarische figuur als mijn eigen vader!

Ik schuif nog dichter tegen Bjorn aan, hoewel dat amper mogelijk is, want we zitten al de hele avond innig verstrengeld bij elkaar. Wanneer ik naar zijn lieve gezicht kijk en voel hoe mijn hart daarvan sneller gaat kloppen, weet ik dat ik de goede keuze heb gemaakt. Komende lente tijdens de algemene vergadering van de Thing zullen wij trouwen. Dat hoeven we niet meer aan te kondigen, want iedereen weet het nu. Als ik zie hoe onze vaders naar ons zitten te glunderen dan hoeven we zelfs geen toestemming meer te vragen. Hun zegen hebben wij. Na de Thing zullen we met alle mensen van de nederzetting over de aarde plassen, zoals na iedere plechtigheid. Zo zal ons leven zijn. Wij zullen hopelijk kinderen krijgen en misschien zullen die er andere gewoontes op nahouden, want sommige dingen verwateren, dat blijkt maar weer. Willem Langzwaard zal vast een goede Vikingkoning zijn, maar hij is inmiddels nog minder een Viking dan zijn eigen vader. Die liet zich ooit al christelijk dopen. Gezien zijn vriendschap met de kluizenaar van Jumieges zal Willem daarin vast een stuk verdergaan. Hij kleedt zich tenslotte ook al veel meer als een Franse koning dan als een Viking of Noorman. Toch zal ik mijn kinderen de waardes van de Noormannen meegeven. Want er zijn gewoontes uit het land in het noorden die ik tot mijn dood in ere wil blijven houden. We leven tenslotte in Normannia en ik ben en blijf Rimke de Noorman… ehh Noorvrouw.

NAWOORD

Dit boek over Rimke is een vervolg van het in 2015 verschenen boek over Hindi de Noorman. Beide verhalen zijn verzonnen, maar de Vikingen hebben echt bestaan en hun gewoonten en gebruiken zijn zo waarheidsgetrouw mogelijk weergegeven.

In het jaar 793 veroverde een groep mannen in snelle schepen uit het noorden het Engelse dorpje Lindisfarne. Dat was het begin van driehonderd jaar rooftochten. Vooral de rijke kloosters moesten het ontgelden omdat daar veel buit te halen was en de Noormannen niet bang waren voor de christelijke god van de monniken. Zelf geloofden ze in andere goden zoals Odin en Freya en Thor met de hamer.

Vóór die tijd leefden er ook al mensen in de noordelijke landen die wij nu Scandinavië noemen. Waarom begonnen ze dan pas in de achtste eeuw andere volkeren lastig te vallen? Er wordt wel gezegd dat de winters tot dan toe bijzonder koud waren in hun geboortestreek en dat veel inwoners tijdens de donkere maanden van het jaar stierven. Toen de winters warmer werden, groeide de bevolking opeens te snel om iedereen te herbergen en moesten ze wel uitzwermen.

De Noormannen waren meer dan alleen maar plunderende bandieten (de zogenoemde Vikingen). Het waren ambachtslieden die de mooiste dingen konden maken van bot en ijzer. Hun schepen behoorden tot de snelste van de wereld en daarmee ontdekten ze de landen Groenland en IJsland. Bovendien is Amerika niet ontdekt door Columbus, maar waren het de Noormannen die al veel eerder tijdens een van hun vele veroveringstochten op het continent Amerika stuitten!

Koning Rollo heeft echt geleefd. Of hij werkelijk te dik was, weet ik niet, maar hoe valt anders te verklaren dat er in verschillende bronnen over hem werd gezegd dat er geen paard was dat hem kon dragen?! In 911 kreeg Rollo een stuk land rondom de Seine van de Franse koning Karel de Eenvoudige in de hoop dat de oude Viking Parijs tegen nieuwe aanvallen van andere Noormannen zou behoeden. Dat plan van de Franse koning werkte en in de zestien jaar dat Rollo de hertog van Normandië was (toen nog Normannia geheten), is Parijs niet aangevallen. Het is waar dat deze koning zijn macht in 927 aan zijn zoon Willem Langzwaard overdroeg, het jaar waarin dit boek over Rimke zich afspeelt. Aan mij is niet bekend hoe dat precies in zijn werk is gegaan en daarom heb ik er dit verhaal over verzonnen.

Willem I van Normandië kreeg de bijnaam “langzwaard” omdat hij naar Franse mode altijd lange zwaarden gebruikte in plaats van de korte Vikingzwaarden. Hij hing het christelijke geloof aan en steunde kloosters en abdijen, die onder de eerdere plunderingen van Vikingen zeer te lijden hadden gehad. Zoals het klooster van Jumièges dat op 24 mei 841 door een rovende bende Vikingen in brand gestoken werd. In 934 keerden door hulp van Willem twaalf geestelijken terug naar Jumièges. De ruïne is nog altijd te bezichtigen.

Een van de nazaten van koning Rollo was Willem de Veroveraar die vanuit Normandië het Kanaal overstak en Engeland overwon. Het veroveren zat deze kleinzoon van Willem Langzwaard blijkbaar nog in het Noormannenbloed!


Reacties

Plaats een reactie