De leermeester van Karel de Grote
.
DEEL I
Leerling op de kathedraalschool van York (742-767)
.
Hoofdstuk 1: Het geschenk
Alcuïn was pas zeven jaar oud toen zijn ouders hem weggaven aan de kerk. Het moment stond in zijn ziel gegrift voor de rest van zijn leven. Hoe verheugd liep hij niet de wenteltrap van het kasteel op om zich op de ochtend van zijn zevende verjaardag te melden in de raadskamer. Zijn vader was de graaf van het gebied rondom de rivier de Humber en de raadskamer was alleen voor belangrijke zaken. Alcuïn en zijn broers kwamen er zelden.
Vol verwachting klopte Alcuïn op de houten deur. Zou hij nu ook een zwaard en een schild krijgen om ridder te worden? Alle dagen zag hij zijn oudere broers hun gevechtstechnieken oefenen in de kasteeltuin. Zij mochten mee als hun vader ging jagen of paardrijden, maar tot nu toe was Alcuïn daar te jong voor geweest. Hij was een nakomertje. Zou hij vandaag dan eindelijk oud genoeg zijn?
Na een tijdje voor de deur van de raadskamer te hebben gewacht, werd Alcuïn ongeduldig. Had zijn vader hem wel gehoord? Net op het moment dat de jongen opnieuw wilde aankloppen, hoorde hij zijn vaders stem: “Binnen”.
Alcuïn duwde tegen de zware deur die piepend en knarsend openging en stapte de raadskamer in. Het rook er muf naar dikke wandtapijten en olie uit de lamp die op tafel brandde, want de prille lentezon kon amper door de donkergroene ruitjes naar binnen schijnen.
Achter een groot bureau zat zijn vader. Hij kwam niet op Alcuïn af om hem te feliciteren. De graaf leunde zwaar voorover alsof hij zich aan de rand van de tafel moest vasthouden en keek naar het eikenhouten blad. Zijn ogen leken niets te zien en zijn stem kwam van heel ver.
“De tijd is gekomen, jongen. Al jouw hele leven was jij voorbestemd om aan God gegeven te worden en nu je de gezegende leeftijd van zeven jaar hebt bereikt, hebben jouw moeder en ik geregeld dat je in het klooster van York zult gaan wonen.”
Alcuïn wist niet wat hij hoorde. De grond zakte onder zijn voeten vandaan. Was hij zijn hele leven voorbestemd geweest om weggegeven te worden? Hoorde hij daarom nooit helemaal echt bij dit gezin? Tot nu toe schreef hij de gevoelde afstand altijd toe aan het feit dat hij een nakomertje was.
De graaf sprak verder en moedigde zijn zoon aan goed zijn best te doen en de familienaam in ere te houden, maar de jongen hoorde het niet meer. Als verdoofd stond Alcuïn daar in die raadskamer. Nog dezelfde dag zou hij moeten vertrekken, dat was het enige wat hij begreep.
Het afscheid van zijn moeder was kil. De gravin was altijd al een hooghartige vrouw geweest die waardigheid wilde uitstralen. Als het vertrek van hun jongste zoon haar raakte, dan liet ze dat niet merken. De woorden die ze sprak gingen meer over haar dankbaarheid dat ze de kerk dit offer kon schenken, dan dat ze haar kind zou missen. Zijn vader gaf hem een stevige handdruk en een bemoedigend klopje op de schouder.
Alleen zijn broers vlogen Alcuïn om de nek. Grote sterke jongens. Allemaal minstens een kop groter dan hun jongste broertje. Ze stonden met tranen in hun ogen om hem heen, sloegen Alcuïn op de schouders en omhelsden hem tot slot om beurten.
Bedienden legden een tas – die blijkbaar ingepakt klaarstond – achter in de laadbak van een kar. Alcuïn keek naar de kleine tas. Er zat duidelijk niet veel in. Het klooster zou hem voortaan van de nodige kleding en voedsel voorzien en persoonlijke bezittingen werden een monnik blijkbaar niet gegund.
Met tegenzin klom Alcuïn op de bok naast de menner. Zodra de kar zich in beweging zette, draaide de kleine jongen zich nog één keer om en zwaaide. De graaf en gravin wuifden aarzelend terug en liepen daarna snel over de binnenplaats het kasteel weer in, steun zoekend bij elkaar. Alcuïn had zijn ouders elkaar nog nooit zien aanraken. Misschien deed dit afscheid hen toch meer dat ze hadden willen toegeven.
Zijn broers renden zo lang mogelijk achter de kar aan: de poort uit, de ophaalbrug over en langs het vertrouwde pad met de hoge bomen. Toen ze hen niet meer konden bijhouden, zwaaiden ze en riepen hun jongste broertje na totdat hij definitief uit het zicht verdwenen was. Wat ze riepen kon hij niet horen, maar dát ze riepen deed hem goed.
De kar hobbelde over het zanderige pad langs de rivier. De menner staarde zwijgend voor zich naar de paarden die zelf de weg leken te weten. Met weemoed keek Alcuïn naar het water van de Humber en dacht aan de vele keren dat hij hier met zijn broers in de rivier had gezwommen. Na vandaag was dat voorgoed verleden tijd, besefte de kleine jongen.
Zijn hoofd kon nog amper bevatten wat er gebeurd was. Het ging ook allemaal zo snel.
Had hij iets fout gedaan en was dit nu zijn straf? Maar wat dan? Hij had altijd geprobeerd zijn vader trots en zijn moeder blij te maken. Natuurlijk was hij weleens te ver weg gedwaald op zijn zoektocht naar kikkervisjes of het eerste kievietsei van het jaar. Soms kwam hij dan te laat thuis van zijn zwerftochten door de natuur met een nat pak of een scheur in zijn broek omdat hij in een hoge boom was geklommen om in een nest van een ekster te kijken. Van zulke ontdekkingstochten genoot hij altijd ten volle, terwijl zijn moeder daar telkens flink over kon mopperen tegen de wasvrouw en de naaister. Stuurden zijn ouders hem daarom nu weg?
Wat had zijn vader gezegd? Dat hij voorbestemd was geweest. Hadden zijn ouders dan zijn hele leven al geweten dat ze hem op de dag van zijn zevende verjaardag aan het klooster zouden afstaan? Alcuïn vond het een wrange gedachte. Hij kreeg geen cadeautje, hij was zelf een geschenk! Geofferd aan God, in de hoop op voorspoed, opdat God zijn familie zou belonen voor deze gift. Of hoopte zijn ouders dat hij – Alcuïn – als vrome monnik iedere dag voor hun welzijn zou bidden? Gezeten op de bok naast de stille menner voelde Alcuïn zich zo eenzaam en verraden dat hij zeker wist dat hij dat nooit zou doen.
Hoofdstuk 2: In York
Het was nog een flink eind rijden naar de dichtstbijzijnde grote stad. Pas tegen de namiddag kwamen ze in York aan.
De kar hield halt voor de deur van een enorm klooster. Van de buitenkant was het een imponerend gebouw. Blijkbaar was dit voortaan zijn nieuwe thuis. Alcuïn stapte af en pakte zijn tas. Ten groet knikte de man op de bok de jongen bemoedigend toe en zette de paarden weer in beweging. Hij had de hele weg niets gezegd.
Daar stond Alcuïn. In zijn eentje voor de grote deur van een vijandig klooster. Kwamen de monniken daarbinnen ooit weleens buiten?
Alcuïn twijfelde. Hij wilde helemaal geen monnik worden. Natuurlijk geloofde hij in God, dat deed iedereen, maar om zijn leven daar nu aan te wijden… Tot nu toe had hij altijd gedacht ridder te zullen worden, of graaf, net als zijn vader. Hoewel hij er geen idee van had of hij zwaardvechten, jagen en paardrijden echt leuk zou vinden, leken die bezigheden hem een stuk prettiger dan een hele dag bidden.
De kleine Alcuïn stond al met al misschien wel een uur te dralen voor de deur. Huiverig om naar binnen te gaan en zich voorgoed te laten opsluiten. Maar waar kon hij anders heen? Waar kon hij eten of slapen? Wie zou voor hem zorgen?
Uiteindelijk deed de honger hem besluiten toch aan te kloppen. Een allervriendelijkste monnik deed open en heette de jongen welkom. De man droeg een bruine pij en op zijn kruin was een stukje schedel kaalgeschoren, de tonsuur waar alle geestelijken aan te herkennen zijn.
De monnik liet Alcuïn binnen alsof hij hem verwachtte en leidde de jongen rond door de kamers en gangen van het reusachtige gebouw. Daarna toonde hij Alcuïn zijn slaapplek in een zaal vol bedden. De monnik hielp zelfs met het uitpakken van de weinige spullen uit de tas. Toen was het etenstijd en samen liepen ze naar de refter.
In een grote zaal zaten tientallen monniken en jongens aan lange tafels gebogen over hun kom met soep in een zee van bruine pijen en blauwe toga’s. Voor de grote hoeveelheid mensen die in deze ruimte aanwezig waren was het opvallend stil. Alleen de stem van de voorlezer op een verhoging was te horen. Hij citeerde een psalm, al leek niemand ernaar te luisteren.
Alcuïn kreeg een plaatsje in de rijen aangewezen tussen de blauwe toga’s. Als enige hier had hij nog zijn gewone kleren aan. Dat moest wel opvallen. Zwijgend zette de behulpzame monnik een kom soep en een homp bruin brood voor hem neer en ging toen op zijn eigen plaats aan het hoofd van de tafel zitten.
Een tijdlang staarde de kleine jongen wezenloos naar de dampende kom voor zich. Hoewel zijn maag rammelde, voelde het alsof hij geen hap zou kunnen eten. Zijn keel zat dichtgeknepen en de tranen prikten achter zijn ogen. Was dit nu zijn nieuwe thuis? Hoe kon het leven in één dag toch zo veranderen?
Een van de jongens naast hem aan tafel boog zich opzij en fluisterde: “Het is ons allemaal overkomen.”
Het was blijkbaar niet de bedoeling dat er gepraat werd, want alle ogen keken plotseling hun kant op en de jongen ging snel weer rechtop zitten. Haastig boog Alcuïn zich over zijn kom en deed net alsof hij at. De soep smaakte niet eens zo slecht en het brood was vers.
Na een tijdje durfde hij weer om zich heen te kijken. Aan de lange tafel zaten jongens van alle leeftijden. Wat had zijn buurjongen zojuist gezegd? “Het is ons allemaal overkomen.” Blijkbaar was het in meer families gebruikelijk om een zoon af te staan aan de kerk. Alcuïn vond het onbegrijpelijk.
Na het avondmaal gingen ze meteen naar bed. Tijdens het uitkleden was er even een moment om met een paar van de andere jongens te praten. Die beweerden allemaal dat ze het erg naar hun zin hadden hier in York en dat het heus wel zou wennen. Totdat de aartsbisschop zijn avondronde kwam maken en iedereen snel in bed kroop en deed alsof hij sliep.
Alcuïn ging ook liggen. De lakens roken anders dan thuis en hij miste de vertrouwde kuil in zijn eigen matras. Bijna was de kleine jongen in huilen uitgebarsten, zo ellendig hij voelde zich in die grote zaal tussen allemaal vreemden, maar de aartsbisschop liep door de zaal om te controleren of ze allemaal wel netjes in bed lagen met hun handen boven de dekens en dat weerhield de tranen.
Voordat de aartsbisschop vertrok draaide hij zich in de deuropening nog even om, sloeg een kruis en zegende alle leerlingen. Aan het korte avondgebed voegde hij één zin toe, speciaal voor Alcuïn: “Dat ook de nieuw aangekomene zich snel thuis mag gaan voelen bij ons in het klooster.” Verbaasd keek Alcuïn de man aan, maar die was al door de deur vertrokken.
De woorden doorgloeiden zijn lijf en deden Alcuïn goed. Maar het volgende moment dacht hij aan zijn broertjes en voelde het gemis als een zware deken op hem neerdalen.
Die nacht kon Alcuïn de slaap pas laat vatten, mede door alle onbekende geluiden op de overvolle slaapzaal. Er was niemand om mee te praten en hij moest hard vechten tegen de tranen van woede en verdriet. Er is niets eenzamers dan een kind dat zich geborgen dacht en dat zonder aanleiding of reden verstoten wordt.
Hoofdstuk 3: De A van Alcuïn
Geluiden, andere dan waaraan hij gewend was, wekten Alcuïn de volgende ochtend. Nog voordat hij zijn ogen opende realiseerde hij zich weer wat er gebeurd was. Met tegenzin keek hij om zich heen. Zodra de jongen in het bed naast hem zag dat hij wakker was, maande hij de nieuweling om op te staan en zich net als alle anderen aan te kleden.
Nog half slaapdronken stond Alcuïn te wankelen op zijn benen, toen hij plotseling zag dat zijn eigen vertrouwde kleren weg waren. Er ging een schok door zijn lichaam van zijn kruin tot zijn voetzolen en in één seconde was hij klaarwakker.
Aan het voeteneinde van zijn bed waar de kleren die Alcuïn gisteravond had uitgetrokken hadden gelegen, hing nu een donkerblauwe toga. Zo een als alle jongens hier droegen voordat ze monnik werden en een saaie bruine pij aankregen.
Als verdoofd keek Alcuïn naar de toga. Hij kon zichzelf er niet toe brengen het ding aan te trekken. Wanneer hij dat zou doen, was het net alsof hij zijn oude leven definitief achter zich liet en dat wilde hij niet. Er was echter niets anders om aan te doen en de zaal stroomde al leeg. De jongens die langs liepen maakten gebaren dat hij moest opschieten.
Daar stond hij in de lege zaal en keek om zich heen. Een soort innerlijke kou trok op vanuit zijn voeten. Een gevoel van vervreemding nestelde zich in elke cel en een diepe stilte viel overal rondom hem heen.
Er stak een grijs gerimpeld hoofd om de hoek van de deur. “Kom je,” maande de monnik, om meteen weer te verdwijnen. Alcuïn had geen keuze. Vol afkeer trok hij de vreemde toga over zijn hoofd en liep als laatste de slaapzaal uit. De linnen stof voelde ruw tegen zijn huid en rook eigenaardig. De kleine jongen voelde zich niet meer zichzelf.
Twee aan twee liepen ze in een eindeloze rij door de lange gang naar de kerk. Voor het ontbijt moesten ze ’s ochtends blijkbaar eerst de mis bijwonen.
De ruimte was koud, de houten bank hard. Alcuïn balde zijn vuisten. De monniken zongen mooi en de kathedraal van York was prachtig, maar alles in het kind verzette zich. Wat was dat voor een God die kleine kinderen meedogenloos bij hun ouders wegrukte? Hij raakte met de minuut vastbeslotener om iedere medewerking aan zo’n God te weigeren!
Nog vol verzet at hij even later zijn ochtendbrij en stuurs kijkend liep hij achter de meute aan voor het volgende onderdeel van de dag. School.
Alcuïn was nog nooit naar school geweest. Zijn broertjes ook niet. Zelfs zijn ouders konden amper lezen en schrijven. Dat vond zijn vader ook helemaal niet nodig. Om een goede ridder te zijn moest je kunnen vechten en paardrijden. Je had kennis nodig van wapens en niet van Latijn. Aan grammatica had je niets op het slagveld en met correcte spelling won je geen oorlog. Het was dus zonde om je kostbare tijd aan zulke nutteloze zaken te besteden, vond de graaf. Alcuïn was het daar hartgrondig mee eens.
Het klaslokaal oogde ruim en zonnig. In het midden stond een zetel waarop de hoofdmeester had plaatsgenomen. De leerlingen gingen kriskras door elkaar op de grond aan zijn voeten zitten. Alcuïn draalde bij de deur.
Zodra de hoofdmeester hem opmerkte, stond deze op uit zijn zetel en liep op Alcuïn toe. Ondanks zijn rijzige gestalte had de man een soepele manier van lopen die je alleen ziet bij mensen die werkelijk gelukkig zijn. Boven de bruine pij stak een vriendelijk rond gezicht met gladde wangen en heldere ogen. De man gaf Alcuïn een hand, stelde zich voor als “meester Albert, aangenaam kennis te maken” en keek zijn nieuwe leerling met zo’n open blik aan dat de muur die Alcuïn om zich heen had opgetrokken spontaan een beetje smolt. Hij gaf de monnik een stijf handje terug en stamelde zijn naam. “Alkwin… Ik heet Alcuïn.”
Op het gezicht van de schoolmeester brak een stralende glimlach door. “Alcuïn. Dat is nog eens een mooie Latijnsklinkende naam! Kom binnen en ga zitten, dan leren we jou die naam te schrijven.”
Alcuïn zocht een plaatsje op de grond. Er lag een vers laagje stro op de vloer. Dat prikte een beetje, maar het stro zat zachter en warmer dan rechtstreeks op de houten planken. Het stro was vermengd met gedroogde takjes lavendel, waardoor er een lichtzoete geur uit opsteeg.
Een oudere leerling bracht Alcuïn een wastablet en deed hem de eerste letter voor. Hij kraste met de punt van een stokje drie strepen door elkaar in het gele waslaagje op het houten plank. “Dat is de A,” legde hij uit. “De A van Alcuïn.” Toen veegde hij de zachte was weer glad en moest Alcuïn proberen de letter te krassen.
Het waren slechts drie streepjes, maar het bleek nog een heel gedoe. Alleen al dat stokje goed vasthouden was nog een flinke kunst. En hoe stonden die streepjes ook alweer? Telkens opnieuw moest Alcuïn proberen en weer uitvegen.
Het leek wel een pijler onder een brug, die letter. Een soort dakje met een streep erdoor. Ja, dat was het: een huisje met een zolder en een benedenverdieping. Alcuïn ging er helemaal in op. Hij vergat de tijd en hij vergat waar hij was. Die letter, dat was hij. Die vorm verklapte wie hij ten diepste was.
Het gebeier van de kerkklokken voor het middagmaal haalde hem met een ruk uit zijn concentratie. Alcuïn keek op. Recht in het gezicht van de hoofdmeester die goedkeurend naar hem knipoogde. Alcuïn kreeg een kleur. Snel borg hij de wastablet op en sloot achter in de rij aan. In stilte liepen de leerlingen door de gangen. In stilte aten ze hun middagmaal. Alcuïn dacht aan zijn letter. De A. Alfa was de eerste letter van het alfabet en het begin van alles, had meester Albert hem gezegd en hem toevertrouwd dat ook hij een bijzondere band met die letter had. De A van Albert. Wat had hij veel geleerd vanmorgen!
Die middag hadden ze vrij. Alcuïn wilde op bed gaan liggen, maar nietsdoen was verboden. Een van de jongens kwam hem halen.
“Je kunt met een groepje buiten gaan wandelen in de omgeving onder begeleiding van een monnik. Meestal is dat een van de oudste monniken, dus dat gaat niet snel. Er worden ook verschillende balspelen georganiseerd achter op het veld naast het klooster. Alleen Pyttel hè, die is zo goed in voetbal, als je die in het team tegen hebt dan verlies je altijd. Maar het miezert buiten, dus ik ga lekker in de conversatieruimte zitten. Daar is meestal een interessante debatmiddag.”
De jongen ratelde maar door. Alcuïn wist niet eens hoe hij heette. Toch liep hij volgzaam mee en ging naast hem zitten. Gelukkig zaten ze een beetje aan de rand van de groep. Vanaf die plek kon Alcuïn lekker naar buiten staren. Naar het gras en de bomen en de wolken in de lucht.
Opeens kwam meester Albert de conversatieruimte inlopen. Blijkbaar leidde de vriendelijke monnik ook deze middagbijeenkomsten. “Wat is het verschil tussen een mens en een dier?” vroeg de schoolmeester en keek olijk de groep rond.
Alcuïn had niet willen luisteren, maar hoorde het toch. De vraag verraste hem. Nog nooit had iemand thuis op het kasteel dat soort vragen gesteld. Zijn ouders leefden gewoon en deden wat ze moesten doen. Alcuïn had – zo jong als hij was – wél altijd graag over het leven na willen denken. Hij was op zijn eigen kinderlijke manier nieuwsgierig naar de reden achter de dingen en hier was plotseling deze schoolmeester die zomaar opeens deze interessante vraag stelde. Hoezeer Alcuïn zich ook had voorgenomen om zich te verzetten, er was geen houden aan. Hij wilde niet meedoen, maar hij kon het niet helpen. Hij moest wel.
Met rode oortjes luisterde Alcuïn naar de vragen en reacties tussen zijn meester en de leerlingen, en naar de serieuze antwoorden over het diepste wezen van mens en dier. Hij dronk alles in zoals verdroogde aarde een welkome regenbui opslurpt. Met verbazing keek hij toe hoe vertrouwelijk de schoolmeester met zijn leerlingen omging. Iedereen durfde op zijn beurt en met respect toch alles te zeggen wat op zijn hart lag. Dat hield de discussie levendig en sprankelend. Er werd zelfs gelachen, opvallend vaak eigenlijk en ook Alcuïn betrapte zichzelf erop dat hij af en toe per ongeluk in de lach schoot.
Die avond tijdens de stilte van de maaltijd zat hij er al heel anders bij dan de vorige dag. Hij dacht na over het verschil tussen mens en dier. Over hoe fijn het was dat hij een mens was. Die hadden een ziel en een geweten en het vermogen om te leren. Volgens meester Albert hadden mensen daarmee ook de verantwoordelijkheid om hun kwaliteiten ten goede te gebruiken voor zichzelf en de wereld. Het klonk allemaal zo logisch in Alcuïns oren, alsof de kleine jongen opeens meer van het leven begreep. Hij wilde er in bed nog verder over nadenken, maar was zo moe dat hij al haast in slaap viel nog voordat hij goed en wel lag.
Hoofdstuk 4: De magie van het leren
Natuurlijk dacht Alcuïn in het eerste jaar nog vaak aan thuis, aan zijn ouders en broertjes op het kasteel. Alleen kon hij gelukkig ook genieten van de dingen die de kathedraalschool van York hem bood en dan vooral van de lessen van schoolmeester Albert. Het was alsof er een nieuwe wereld voor hem openging.
Hoeveel moeite Alcuïn ook had om de letters van het alfabet netjes in het wastablet te krassen, elke keer opnieuw beleefde hij de magie achter die rare rondjes en streepjes zodra hij hun vorm eenmaal begreep: de S was een slang die over het oppervlak van zijn plank kronkelde, de V een vogel die ieder moment kon wegvliegen.
“Oh,” riep hij spontaan toen het eindelijk gelukt was een perfecte ronde cirkel te tekenen. Zo’n lijn die geen begin en geen einde had en eeuwig doordraaide. De O van oneindig. Alcuïn hoorde zijn eigen stem door de stille ruimte van het klaslokaal galmen en keek verschrikt op. Alle hoofden van de leerlingen draaiden zich om en keken naar Alcuïn. Hij voelde hoe de schoolmeester achter hem stond en zich over het wastablet boog.
“De O van oké. Prima gedaan,” hoorde hij een warme stem zeggen en voelde hoe een zachte hand even over zijn hoofd streek.
De vlammen sloegen Alcuïn uit. Misschien omdat hij zo geprezen werd en nog wel voor de ogen van de hele groep! Wellicht nog meer omdat hij van huis uit geen complimentjes gewend was en nog veel minder een vaderlijke aanraking. Het maakte dat Alcuïn nog beter zijn best ging doen.
Na de afzonderlijke letters kwamen de losse woorden en daarna de echte zinnen. De beste methode was om meteen de psalmen te lezen en die uit het hoofd te leren, vond meester Albert.
Alcuïns geheugen werkte uitstekend. Niet alleen onthield hij de teksten gemakkelijk, de kleine jongen kon zijn lessen ook na weken nog foutloos opzeggen. Binnen een paar maanden haalde hij andere leerlingen die al langer in de klas zaten in.
Dat meester Albert van zijn leergierige nieuwe leerling genoot merkte Alcuïn aan alles, maar vooral wanneer hij per ongeluk een slimme vraag stelde. Dan verscheen er een soort twinkeling in de ogen van de monnik en soms werd Alcuïns vraag dan het onderwerp voor het middagdebat.
Binnen de kortste keren was Alcuïn het lievelingetje van de hoofdmeester en dat viel niet bij iedereen in even goede aarde. Al heerste er in de eetkamer en op de slaapzaal absolute stilte, het lukte altijd wel een van de jaloerse kinderen om hem in de gangen of op de trappen een rottige opmerking toe te werpen. Daar leed de kleine jongen zichtbaar onder en hij raakte met zichzelf in de knoop. Leren was verrukkelijk, maar als dat betekende dat hij buitengesloten zou worden uit de groep, dan zou hij hier verder geen leven hebben.
Alcuïn kon nergens anders naartoe. De kerk zou hem nooit laten gaan. Wie eenmaal aan God is opgedragen, kan daar nimmer meer onderuit. Dus zat er niets anders op dan minder ijverig te worden en opzettelijk domme fouten te maken, zodat de schoolmeester hem publiekelijk zou straffen voor zijn slechte gedrag. Hetgeen gebeurde.
Na de derde keer zijn les niet te hebben geleerd, riep meester Albert de jongen naar voren en gaf hem onder goedkeurend gegniffel van de andere leerlingen een paar ferme tikken met een rietje. Niet zozeer de slagen op zijn hand deden Alcuïn pijn, als wel de blik in de ogen van zijn meester. De teleurstelling op het gezicht van zijn geliefde leraar sneed Alcuïn door de ziel. Als een klein hoopje ellende zat hij onbeweeglijk op zijn plek. Zijn vingers waren te pijnlijk om vandaag nog een wastablet vast te houden.
De truc had echter wel geholpen. In de gangen werd hij niet meer gepest en Pyttel, de voetballer, vroeg die middag zelfs of Alcuïn buiten met de andere jongens een balletje kwam trappen. Alcuïn ging graag op het aanbod in en al bakte hij er niets van, bij Pyttel in het team won je altijd.
Een goede herder kent alleen al zijn schaapjes echter niet alleen bij naam, maar ook van karakter en meester Albert was een bijzonder gevoelige man. Hij had meteen door wat er speelde, zag het een week aan en besprak de situatie met de aartsbisschop. Die liet Alcuïn bij zich komen.
Het gebeurde niet vaak dat iemand zich bij de aartsbisschop moest melden. Er ging een rilling door de gangen toen Alcuïn na de mis op weg naar het ontbijt uit de rijen werd gehaald, omdat hij zich bij de baas van het klooster en de kathedraalschool moest melden.
De andere leerlingen hadden duidelijk met Alcuïn te doen en knikten hem zwijgend toe of gaven hem zo onopvallend mogelijk een schouderklopje. Die steun deed hem goed.
Met trillende knieën en een wee gevoel in zijn buik liep Alcuïn naar de kamer van aartsbisschop Egbert. Hij kende hem wel. Het was een wat oudere monnik. Een gemoedelijke mollige man die iedere avond in de slaapzaal het laatste gebed voor de nacht kwam zeggen en soms in de klas kwam om uitleg te geven over het nieuwe testament. Maar uit ervaring wist Alcuïn inmiddels dat de aartsbisschop als dat nodig was óók erg streng kon zijn en dan zat de hele klas voor hem te sidderen.
Ook nu was Alcuïn bang. Hij had al een week de kantjes ervan af gelopen en wist zeker dat hij straf zou krijgen, maar wat precies? Nog meer slagen met het rietje? Een week lang op water en brood? Of een hele dag eenzame opsluiting?? Voor de deur van de kamer waar hij moest zijn stond Alcuïn stil en haalde even diep adem. Uitstellen had geen zin, dus klopte hij aan. Zijn hand beefde.
“Binnen,” klonk er direct een mannenstem. Alcuïn schrok toen hij de deur openduwde. In de kleine kamer zat niet alleen aartsbisschop Egbert achter zijn bureau, maar naast hem stond meester Albert. Die gebaarde dat Alcuïn moest binnenkomen en de deur achter zich moest sluiten. Dat deed de kleine jongen met dichtgeknepen keel. Hij kon bijna geen adem halen toen hij zich omdraaide en met gebogen hoofd voor zijn twee docenten stond.
“Wij zijn hier om het onrecht recht te buigen,” sprak de aartsbisschop plechtig en gaf meester Albert het woord. Alcuïn keek naar de punten van zijn schoenen en verroerde zich niet. Nu zou het geweld losbarsten…
De stem van de hoofdmeester klonk echter warm en vriendelijk als altijd. Hij vertelde hoe hijzelf ook ooit als kleine jongen hier aan de deur van het klooster was afgeleverd. Hoe moeilijk dat in het begin was, totdat hij ontdekt had hoe fijn leren was. Het verhaal van de schoolmeester leek op dat van Alcuïn. Het studeren was meester Albert goed afgegaan, daar waren anderen jaloers op geweest.
Al die tijd had Alcuïn naar de grond gestaard. Nu keek hij met een schok van herkenning op, recht in het gezicht van meester Albert. Het was net alsof diens ogen tot ver in zijn ziel konden kijken. Meester had precies geweten wat er speelde! Hij begreep dat Alcuïn expres fouten had gemaakt. Betrapt bloosde de jongen van schaamte en van opluchting, alles door elkaar.
De kramp in Alcuïns ingewanden leek bijna te ontspannen toen hij plotseling een hand op zijn schouder voelde en tot zijn schrik de stem van de schoolmeester naast zijn oor hoorde zeggen: “Kom jongen, mee naar de klas, dan gaan we dit samen oplossen.” De sterke hand duwde hem de kamer uit.
Als verdoofd liet Alcuïn zich meevoeren de lange gang in, de trappen af in de richting van het klaslokaal. Een vreemde mengeling van gevoelens vocht in het binnenste van de jongen om aandacht. Aan de ene kant voelde die warme hand op zijn schouder intiemer dan hij ooit met iemand op aarde was geweest. Aan de andere kant liep hij zijn doodvonnis tegemoet. Begreep meester in al zijn wijsheid dan niet dat Alcuïn geen leven meer zou hebben als hij de klas nu ging vertellen dat Alcuïn expres fouten had gemaakt om erbij te horen en dat het niet deugdzaam was om zo jaloers te zijn als de jongens in de klas zich hadden getoond? Dreigen met straf zou helemaal niet helpen. De andere leerlingen zouden zich tegen Alcuïn keren en hij zou voorgoed verstoten worden uit de gemeenschap. Het piespaaltje van iedereen. Dan kon je nog beter dood zijn!
Ze kwamen het lokaal binnen. Plotsklaps viel de hele klas stil. Alcuïn werd door de zee van blauwe toga’s naar voren geduwd, waar iedereen het goed kon zien. Alle ogen waren nieuwsgierig op hem gericht.
“Deze jongen is gezegend met een uitzonderlijk goed verstand,” begon meester Albert. Hij stond achter Alcuïn en zijn beide handen rusten zwaar op de kleine voorovergebogen schouders. Het was niet mogelijk om onzichtbaar te worden, hoezeer de ongelukkige jongen dat ook probeerde. Aan zijn voeten op de grond hoorde hij enkele leerlingen zuchten, die voelde ook al wat voor preek er zat aan te komen.
“Bij een bijzonder talent hoort ook een grote verantwoordelijkheid,” ging de schoolmeester verder. “Omdat Alcuïn zo goed kan leren is het voortaan zijn taak om anderen te helpen. Bij deze benoem ik hem tot mijn persoonlijke assistent.”
Wat?? Het hoofd van Alcuïn had moeite om te begrijpen wat zijn oren net gehoord hadden. Wat zei de meester? Ook de leerlingen schuifelden onrustig over de vloer. Het stro kraakte, maar niemand durfde iets te zeggen. De toespraak van meester Albert had een heel andere wending genomen dan verwacht.
Alcuïn werd naar een hoekje van het lokaal verwezen. Daar moest hij voortaan gaan zitten. Niet voor straf, maar om er zachtjes fluisterend les te kunnen geven aan de leerlingen van de klas die extra hulp nodig hadden. Zijn hoofd was licht en duizelig op het moment dat hij naar zijn nieuwe plek liep.
Hij zat nog niet of Pyttel werd door de meester als eerste naar hem verwezen. De jongen was een stuk ouder dan Alcuïn, maar had nog altijd moeite met de letters. In het begin was het een beetje onwennig om een ander de dingen die hij zelf zo goed begreep uit te leggen, maar al snel wendde het. Binnen een paar minuten was hij de klas vergeten of wat de leerlingen zouden zeggen. Les geven was bijna nog fijner dan les krijgen!
Pyttel draaide alle letters om, schreef ze in de verkeerde volgorde en kon hun namen niet onthouden. Voetballen deed de lange slungel als de beste, maar van schrijven bakte hij niets. De onhandige Pyttel was blij toen Alcuïn hem vertelde van de vogel en de slang, van de oneindige O en zoveel meer van wat hij zelf had ontdekt.
Toen bleek dat de hulp die Alcuïn de langzame leerlingen bood echt hielp, was er niemand meer die de jongen pestte. Alcuïn was nu niet meer zozeer de favoriete leerling van de meester. Hij was zijn behulpzame assistent en daar kon iedereen mee leven.
Hoofdstuk 5: De nieuwe leerling
Op een dag zat er zomaar opeens een nieuw jongetje aan tafel tijdens het avondeten. Dat viel meteen op omdat het kind nog zijn gewone wereldse kleren droeg. Bovendien zat hij erbarmelijk te huilen. Blijkbaar was de jongen vandaag zeven jaar geworden en naar het klooster gebracht om God te dienen.
Alcuïn begreep inmiddels dat families hoopten dat een zoon die monnik werd later veel voor hen zou bidden, wat tot voorspoed en geluk moest leiden. Daarom kwamen de meeste van de jongens hier ook uit grote gezinnen. Eerst moesten er genoeg zonen de gevaarlijke kinderjaren hebben overleefd om hun vader als graaf of landheer op te kunnen volgen en de erfenis veilig te stellen, dan kon de jongste zoon aan een carrière binnen de kerk beginnen.
Het nieuwe jongetje wist dit alles niet. Onophoudelijk zat hij te huilen en kreeg geen hap door zijn keel. Het hart van Alcuïn smolt. Wat zag het kind er klein en weerloos uit. Had hij er zelf ook zo bij gezeten op zijn eerste dag en was dat echt nog maar pas een jaar en een paar maanden geleden? Ja, Alcuïn was vorig jaar in de lente gekomen en nu was het begin zomer.
Als assistent van de hoofdmeester ontfermde hij zich over de kleine jongen. Waar hij maar kon fluisterde Alcuïn het kind troostende woordjes toe. In de gang en op de trap en vlak voor het slapen gaan op het moment dat hij langs het bed liep waar een klein hoopje ellende wezenloos voor zich uit zat te staren. Omdat Alcuïn het verdriet niet kon aanzien, stapte hij snel uit de rij om naar het kind toe te gaan en het te helpen met uitkleden, maar die zette het toen pas echt op een blèren. De anderen gebaarden naar Alcuïn dat hij het alleen maar erger maakte, dus gaf die het joch nog snel even een aai over de bol en haastte zich zijn eigen bed in.
Vlak daarna kwam aartsbisschop Egbert voor de inzegening en het avondgebed. “En dat ook Eanbald zich thuis mag gaan voelen bij ons.” Een bemoediging die enkel tot nog meer gesnotter van de nieuweling leidde.
Eanbald. Zo heette het jongetje dus. De anderen hadden gelijk, dacht Alcuïn. Stuk voor stuk moesten ze hier ooit allemaal doorheen. Het beste was meteen door de zure appel heen te bijten. Ach, morgen zou het wel beter gaan. Dan zou hij de nieuwe leerling in de wonderlijke wereld van het leren alles doen helpen vergeten.
De kleine Eanbald liet zich echter niet zo makkelijk troosten. Niet door grammatica, niet door debatteren en zelfs niet door een potje voetbal bij Pyttel in het team. Hij kon al schrijven. Dat hadden zijn ouders hem geleerd. Dus met de magie van de letters op het wastablet was de jongen niet af te leiden.
Overdag in de lessen wilde hij niets, tijdens de maaltijden weigerde hij te eten en avond aan avond lag hij huilend in zijn bed. Meester Albert zei dat ze hem moesten laten betijen. “Eens in de zoveel tijd zit er eentje bij die het extra hard opneemt. Over een tijdje trekt het wel bij.” De andere leerlingen vonden ook dat ze Eanbald met rust moesten laten. “Hij krijgt vanzelf wel honger.”
Dat klopte. Op een gegeven moment zag Alcuïn hoe Eanbald toch af en toe wat probeerde te eten, maar alle nachten bleef hij echter hartverscheurend huilen. Sommige jongens werden er gek van. Zo met zijn allen op een slaapzaal hield hij iedereen wakker. Misschien raakte Eanbalds gesnik aan een oud verdriet dat ze allemaal diep verborgen in hun ziel meedroegen en waar ze liever niet aan herinnerd werden. Dat zou verklaren waarom een enkeling gemeen tegen Eanbald werd. Ze scholden hem uit voor moederskindje en dreigden met klappen als hij zijn mond niet hield. Daardoor voelde Eanbald zich enkel maar nog meer alleen gelaten. Ook een gesprek met aartsbisschop Egbert hielp niet.
Op een avond kon Alcuïn het niet meer aanhoren. Zo zachtjes als hij kon liet hij zich uit zijn bed glijden en sloop voorzichtig naar de huilende jongen toe. Die dacht dat iemand hem kwam slaan en gilde het bijna uit van pure angst. Alcuïn gebaarde dat hij stil moest zijn, pakte de deken en kroop bij de jongen in bed.
Daarmee overtrad hij alle regels van het klooster. Je mocht ’s nachts je bed niet uit en al helemaal niet gevonden worden in het bed van een ander. De monniken waren altijd bang voor vieze dingen, al hadden de meeste leerlingen geen idee wat ze daarmee bedoelden.
Alcuïn had niks anders kunnen verzinnen. Praten en afleiden werkten niet en er moest iets gebeuren. Liefdevol ging hij naast het jongetje liggen en sloeg een arm om hem heen. Dat hielp. Hij voelde hoe het stijve lichaampje verslapte. Het kind kroop dicht tegen hem aan. Het huilen ging over in een zacht snikken. Er volgde een langgerekte gaap en niet lang daarna viel het uitgeputte kind in slaap.
Alcuïn durfde niet terug te gaan naar zijn eigen bed uit angst Eanbald weer te wekken. Het was wel gek om zo dicht tegen een ander mens aan te liggen. Eigenlijk best prettig. Heel troostend en veilig, voelde het.
Al snel klonken er de gewone slaapgeluiden vanuit de zaal. Ook de andere jongens hadden eindelijk, na een lange vermoeiende week, de slaap kunnen vinden.
De volgende morgen werd Alcuïn gewekt door Pyttel. “Vlug, de meester komt eraan!” Slaapdronken keek Alcuïn om zich heen. Hij lag nog steeds naast Eanbald. Snel schoot hij het bed uit. Verschillende jongens waren al wakker en stonden zich aan te kleden. Ze hadden Alcuïn makkelijk kunnen verraden of uitlachen. Wie sliep er nu bij een ander in bed?! Maar dat deden ze niet. Alle anderen hadden geholpen door hem op tijd wakker te maken voordat de meester hen kwam wekken. Zo blij waren ze geweest dat de assistent het probleem had opgelost zodat iedereen eindelijk had kunnen slapen.
Ook alle volgende avonden kroop Alcuïn bij Eanbald in bed zodra aartsbisschop Egbert zijn zegen had gegeven voor de nacht. Soms spraken ze nog heel even stilletjes met elkaar. Daarna kroop Eanbald weg in Alcuïns holletje en ging braaf slapen. ’s Ochtends was er altijd wel een medeleerling op tijd wakker om hen te waarschuwen voordat ze ontdekt werden.
Door de korte gesprekjes kwam Alcuïn veel over Eanbald te weten. Hij had een heel sterke band met zijn ouders gehad. Zijn moeder had hem alle dagen geknuffeld en het kind had zelfs vaak bij zijn vader op schoot gezeten. Zoveel affectie had Alcuïn nooit gekend en soms voelde hij een steek van jaloezie als Eanbald vertelde over het fijne gezin waar hij vandaan kwam.
Voor zolang Eanbald zich kon herinneren had hij met zijn broers en zussen gespeeld. Ze kregen samen les in lezen en schrijven. De hele familie was meegekomen om Eanbald bij de poort van het klooster af te zetten en zijn moeder had verschrikkelijk moeten huilen bij het afscheid en haar kind niet los willen laten.
Geen wonder dat Eanbald de vaderlijke monniken niet als een warm bad ervaarde. Geen wonder wellicht ook dat Alcuïn zo genoot van alle nachten bij Eanbald in bed slapen. Zijn warm lijfje, zijn rustige ademhaling. Alcuïn ging er gewoon mee door toen het waarschijnlijk allang niet meer nodig was. Iedereen wendde eraan en niemand keek er vreemd van op dat die twee voortaan samen sliepen. Als assistent had je nu eenmaal een aparte positie.
Hoofdstuk 6: Een nachtelijk avontuur
Uit de vele fluistergesprekjes voor het slapen gaan, begreep Alcuïn al snel dat Eanbald één ding van alles het meest miste. Vroeger had hij in de zomer altijd samen met zijn broers in de rivier achter hun huis gezwommen. Dat waren de gelukkigste momenten geweest van zijn nog korte leven. Eanbald vond het moeilijk om hier zo opgesloten te zitten in het klooster tussen dikke muren. Hij miste de weidsheid en het voorbij stromende water. Alcuïn dacht aan de Humber in zijn eigen geboorteplaats en begreep precies wat Eanbald bedoelde.
Op een ochtend, toen hij in zijn hoekje van het schoollokaal met Pyttel gebogen zat over ingewikkelde Latijnse grammatica, nam Alcuïn een moment van de tijd om het probleem aan zijn pupil voor te leggen. Pyttel was een stuk ouder en woonde al vele jaren langer in het klooster.
Even dacht de jongen dat het een valstrik was. Wist de assistent dat hij ’s avonds weleens uit het kloostergebouw ontsnapte naar de tuin? Gewoon omdat het moest. De voetballer kreeg het soms zo benauwd hier tussen al die monniken. Hele dagen alleen maar tussen mannen. Soms, als niemand het doorhad, klom hij wel eens in de verste boom van de kloostertuin. Enkel en alleen om over de muur te gluren naar de meisjes en de vrouwen die daar op straat voorbij liepen. Naar hun mooie haren en prachtig huid. Nog niet eens zozeer om hun borsten en lange benen. Ook wel natuurlijk, maar vooral om de elegante manier van lopen, hun sierlijke gebaren en twinkelende lach. Daarbuiten was nog een heel andere wereld, zacht en aangenaam, waar de monniken hier in het klooster geen deel aan hadden.
Onderzoekend keek Pyttel in de ogen van Alcuïn. Was zijn geheim ontdekt? Maar de assistent keek zo open en eerlijk terug, daar stak niks kwaads achter. Dus legde Pyttel aan hem uit dat er een boom was in de noordwesthoek van de kloostertuin met takken tot over de kloostermuur. Daar kon je in klimmen en dan zag je vijfhonderd meter verderop de Ouse, een brede rivier die door York stroomde.
Het was hartje zomer en plakkerig warm. Toch kon Alcuïn het niet laten om alle nachten nog bij Eanbald in bed te kruipen. Die avond vertelde hij zijn bedgenoot het goede nieuws. “Vanuit de tuin van het klooster is de rivier de Ouse te zien.”
Eanbald zat met een ruk rechtop. Hij was niet meer te houden. Hij moest en zou naar de rivier. Alcuïn kon de kleine jongen maar met moeite overtuigen om weer te gaan liggen. “Straks, als iedereen slaapt,” beloofde de assistent en toen zat hij er aan vast.
Ze lagen een uur in spanning te luisteren hoe de stilte van de slaap over de zaal trok. Daarna gleden ze uit bed en slopen samen naar de deur. Die piepte, maar niemand werd er wakker van.
Het was best eng om zo laat op de avond door de gangen van het klooster te dwalen, waar het wel leek te spoken door de schaduw die het gedimde lichtschijnsel wierp op de donkere muren. De jongens grepen snel elkaars hand beet. Zeven en acht jaar oud trokken ze samen op wereldreis in slechts een hemd en een onderbroek.
Voorzichtig slopen ze de tuin in. Gelukkig was de zon nog niet onder. Achterin, naast de muur, precies zoals Pyttel gezegd had, stond een grote kastanjeboom. Het was niet moeilijk om hem te vinden. Met een beetje hulp zat Eanbald algauw boven op een tak. Alcuïn klom achter hem aan. Je kon vanuit hier inderdaad heel makkelijk over de kloostermuur heen kijken. In de verte glinsterde de laatste rode stralen van de ondergaande zon op het voorbij stromende water.
De kleine Eanbald werd razend enthousiast. Hij wilde er per se naartoe!
“Kom, even zwemmen,” fluisterde hij en schoof verder over de tak. Zonder lawaai te maken probeerde Alcuïn hem nog tegen te houden, maar het was al te laat. Soepel als een slang op een wastablet gleed Eanbald over de tak die een flink eind over de muur uitstak en had zich aan de andere kant op de grond laten vallen. Wat kon Alcuïn anders doen dan achter hem aan te gaan?
De muur was hoog. Even moest Alcuïn al zijn moed bij elkaar rapen, maar toen liet hij zich toch aan de andere kant op straat vallen. Hij kwam hard op de stenen terecht en schaafde zijn knie open. Veel tijd om er bij stil te staan had Alcuïn niet. Op zijn korte beentjes was de opgewonden Eanbald hem al vooruit gerend en Alcuïn moest nog flink zijn best doen om hem in te halen. Gelukkig was hij meer dan een jaar ouder.
Samen holden ze door de straten van York. Twee jongetjes in hun ondergoed. Ontsnapt uit het klooster. Het was maar goed dat de hele stad zo laat op de avond al sliep. De mensen gingen vroeg naar bed, want ze moesten iedere ochtend bij zonsopgang in alle vroegte opstaan om aan het werk te gaan.
Niemand zag de blijde gezichtjes toen ze de oever van de Ouse bereikten of hoe Eanbald slechts een kort moment twijfelde voordat hij een besluit nam. Resoluut trok hij zijn hemd en broekje uit en stortte zich poedelnaakt in het koude water. Alcuïn stond op de kant toe te kijken.
Kom, gebaarde Eanbald en fluisterde haast onhoorbaar. “Het water is lekker.” Hij dook kopje onder en spetterde en deed de rugcrawl. Het zag er zo heerlijk uit dat Alcuïn zijn schroom overwon. In een mum van tijd lagen zijn schamele kledingstukken op de grond en rende hij de snelstromende rivier in. Het water was prettig verkoelend.
Samen zwommen ze in de maneschijn. De rivier was net diep genoeg om in te bewegen en ondiep genoeg om overal goed te kunnen staan. Dat was nodig bij deze redelijk sterke stroming die voor leuke golfjes zorgden. Er stond geen wind, dus het was geen moment te koud. Terwijl ze speelden moesten de jongens erg hun best doen om het niet uit te kraaien van plezier.
Moe maar voldaan droogden ze zich na een uurtje af met hun hemden. Met alleen hun droge onderbroek aan liepen ze – de armen om elkaars schouders geslagen – als gezworen vrienden terug door de straat.
Aangekomen bij de kloostermuur keken ze omhoog. De tak hing boven hun hoofd, net buiten hun bereik. Konden ze nog wel terug? Gelukkig hadden ze elkaar en stak er op kniehoogte precies een stukje steen uit de muur waarop ze zich konden afzetten. Het vergde nog een bepaalde mate van kracht en lenigheid, maar met een beetje hulp van de ander lukte het uiteindelijk toch om weer over de hoge muur te klimmen. Zonder problemen slopen ze terug het klooster binnen en kropen dicht tegen elkaar aan in bed.
“Nu ben jij mijn broertje,” lispelde Eanbald in Alcuïns oor. Die knikte. “Broers voor het leven,” beaamde hij zachtjes. Gelukzalig vielen ze dicht tegen elkaar aan in slaap.
De volgende ochtend keek een enkeling misschien gek op van de twee hemdjes die daar op het voeteneinde te drogen hingen, maar niemand vroeg iets. Als ze dat wel hadden gedaan, zouden de jongens toch enkel hun schouders hebben opgehaald. Het was maar goed dat ze geacht werden in volstrekte stilte hun dagen door te brengen, anders had een van beiden vast zijn mond voorbijgepraat, zo verrukkelijk hadden zij hun nachtelijke escapade gevonden.
Eerlijk gezegd konden ze het niet laten om de volgende nacht opnieuw te gaan en de avond daarop weer. Telkens vluchtten ze weg zodra iedereen sliep om te gaan zwemmen in de rivier even verderop en iedere ochtend hingen daar diezelfde hemdjes te drogen.
Dat ging goed totdat Pyttel doorhad dat de jongens niet alleen stiekem vanuit zijn vaste uitkijkpost de rivier de Ouse bekeken, maar ook daadwerkelijk over de muur klommen. Pyttel had het zelf nooit durven proberen om te ontsnappen, uit angst dat hij in zijn eentje niet meer terug kon komen over de hoge muur.
“Er is een steen in de kloostermuur die aan de buitenkant uitsteekt. Jij bent een kop groter dan wij en een stuk sterker, dus dat zal heus wel lukken,” beaamde Alcuïn tijdens de les, terwijl ze zogenaamd hard studeerden op Pyttels Latijnse grammatica. Hoeveel bijles Alcuïn hem ook gaf, de jongen leek te verdrinken in de moeilijke stof. Veel liever ging hij voetballen met dat lange gespierde lijf van hem.
“Misschien kunnen we een keer samen gaan,” opperde Alcuïn. “Maar tegen niemand anders zeggen hoor! Als teveel leerlingen ervan afweten dan wil iedereen mee en gaat het een keer mis.” Pyttel knikte gretig.
Die avond echter barstte er na een broeierige dag zo’n hevig onweer los dat de jongens besloten het plan om met zijn drieën te gaan zwemmen uit te stellen tot de nacht erop.
Omdat zij avond aan avond veel later naar bed waren gegaan dan alle anderen, waren Alcuïn en Eanbald bekaf en vielen als een van de eersten – zoals gewoonlijk helemaal in elkaars armen verstrengeld – in slaap. Dit keer zelfs zonder kort fluistergesprekje. Ook het onweer, dat pal boven York tot ontlading leek te komen, kon hen niet uit hun welverdiende slaap halen, waar de anderen eerst nog een paar uur wakker lagen door de hevige donderknallen en de felle bliksemflitsen. Menigeen zou deze nacht zelf van angst ook wel bij zijn buurjongen in bed hebben willen kruipen, maar de anderen waren te bang voor straf in geval van ontdekking.
Hoofdstuk 7: Pyttel
De volgende ochtend was Pyttel weg. Zijn bed was leeg en onbeslapen. Niemand had hem gezien. Geen mens wist waar hij was. Tijdens de ochtendmis – die altijd doorgang moest vinden – sprak de aartsbisschop een speciaal gebed uit voor de vermiste jongen en daarna volgde een grote zoekactie.
Het ontbijt werd overgeslagen. Alle monniken en leerlingen doorzochten iedere plek van het klooster, de kathedraal en de tuin. Nergens was Pyttel te vinden. Niet in de recreatiezaal en niet op zijn geliefde voetbalveld. Misschien was hij onwel geworden op de pot, maar ook de ruimte van het sanitair was leeg. Akelig leeg. Waar kon hij zijn?
Alcuïn en Eanbald hadden wel een angstig vermoeden. Had Pyttel niet kunnen wachten met zwemmen en was hij ondanks het onweer toch naar de rivier gegaan? Wellicht was het hem in zijn eentje toch niet gelukt om over de hoge kloostermuur terug te klauteren?
Ze klommen in de uitkijkboom en keken door de straten. In de verte lag de Ouse, maar nergens zagen ze een spoor van Pyttel.
Na een paar uur werd het zoeken onderbroken voor het middagmaal. Ondanks de verplichte stilte hielden de monniken aan hun lange tafels druk beraad. Waar was die snotjongen? Als het een kwajongensstreek was en hij zich voor de grap had verstopt, dan hadden ze hem inmiddels allang gevonden. Iedere denkbare plek was doorzocht. Waar kon die lange slungel nu nog zijn? Moesten zijn ouders al worden ingelicht? En wat zouden ze dan moeten zeggen? Uw zoon is van de aardbodem verdwenen…?
De sloten van de deuren waren allemaal nagekeken. Die zaten goed op slot en geen van de sleutels werd vermist. Hij kon dus niet naar buiten ontsnapt zijn.
Alcuïn schaamde zich. De plichtsgetrouwe assistent zag de bezorgdheid in de ogen van meester Albert en toch durfde hij niet te zeggen dat Pyttel vannacht wellicht via een boom in de tuin over de muur geklommen was. Hoe kon hij dat doen zonder zichzelf te verraden? Alcuïn was bang voor de straf die dan zou volgen. Misschien werd hij wel naar een andere klooster verbannen?! Hij moest er niet aan denken. Daar zou hij vast bij niemand in bed kunnen slapen.
Het was gewoon een kwestie van geduld. Pyttel was vermoedelijk gaan zwemmen en had wellicht niet in zijn eentje terug over de muur kunnen klimmen. Die lag nu waarschijnlijk ergens in de stad uit te slapen en kon ieder moment aankloppen bij de poort om binnengelaten te worden. Waar kon hij anders heen? Misschien stond hij inmiddels al reeds moed te verzamelen om terug te keren, want straf zou hij zeker krijgen, zo sprak Alcuïn op zichzelf in.
Hoor, daar zou je hem eindelijk hebben. Van buiten werd er zo hard met de klopper op de deur geslagen dat het overal in het klooster te horen was. Die Pyttel was niet bang! Alcuïn zou zelf veel bescheidener aangeklopt hebben als hij had moeten opbiechten de hele nacht aan de zwalk te zijn geweest.
Aartsbisschop Egbert en schoolmeester Albert snelden naar de voordeur. Hoewel de regel hen voorschreef te allen tijde waardig voort te schreiden, leken hun passen dit keer meer op hollen. Er was niemand die het ze kwalijk nam. Vele monniken volgden hen zelfs haastig naar de deur. De anderen in de eetzaal hielden hun adem in om te kunnen horen wat er verderop gezegd werd, maar er was geen wijs te worden uit het gerucht bij de poort. De leerlingen wiebelden ongedurig op hun banken. Waar bleef Pyttel?
Na een tijdje kwam aartsbisschop Egbert terug. Alleen. Hij liep met gebogen hoofd naar het begin van de eetzaal. Geestelijken richten hun blik sowieso altijd al naar de grond, dat moet vanuit het voorschrift van nederigheid, maar nu liep de leider van alle monniken hier gebogen alsof het gewicht van de hele wereld op zijn schouder drukte.
Aan het begin van de refter bleef de oude aartsbisschop staan en keek de menigte rond. Er stonden tranen in zijn ogen. Gewoontegetrouw hief hij zijn hand op om tot stilte te manen, terwijl iedereen al onbeweeglijk in zijn bank zat en je een speld in de ruimte had kunnen horen vallen.
“Tot mijn grote spijt moet ik u allen meedelen,” de keel van aartsbisschop Egbert zat dichtgeknepen, toch klonk zijn stem even helder als altijd, “dat de Heer in al zijn wijsheid tot zich heeft geroepen onze broeder Pyttel van York.”
Er ging een schok door de rijen. Was Pyttel dood? Hoe kon dat zomaar?
Rumoer alom. Iedereen fluisterde door elkaar. De aartsbisschop maande opnieuw tot stilte. Hij riep alle monniken op om mee te komen. De leerlingen kregen die middag vrijaf.
Hoewel Alcuïn in de maanden dat hij in het klooster was nog nooit een sterfgeval had meegemaakt, voelde hij drommels goed aan dat Pyttel niet de gebruikelijke begrafenis kreeg die bij een gestorven kloosterling hoorde. Normaal werd het lichaam opgebaard, volgde er een dienst vol mooie woorden en tot slot een begrafenis op het kerkhof naast de kathedraal van York.
Voor Pyttel niets van dit alles. De leerlingen kregen zijn lichaam niet te zien, er werd geen mis voor hem gehouden en naderhand was er nergens op het kerkhof een nieuw gedolven graf te bespeuren. Ook werd er nooit meer over Pyttel gesproken en was het een ieder verboden om naar de toedracht van zijn dood te vragen.
Pas veel later, door een veelbetekenende oogopslag hier en een onopvallende beklemtoning van een woord daar, kwam Alcuïn er achter wat er mogelijk gebeurd zou kunnen zijn.
Pyttel had inderdaad niet kunnen wachten en was die nacht in zijn eentje gaan zwemmen. Daarbij is hij verdronken. Was de stroming van de Ouse te sterk die nacht? Of had het onweer ermee te maken? In al die gevallen was zijn dood een ongeluk geweest.
Maar de monniken wisten van Pyttels moeite met leren en ze twijfelden. Was de jongen gevlucht omdat hij het leven in het klooster te zwaar vond? Had hij slechts één uitweg gezien?
Zelfdoding werd gerekend tot de meest zware zonden. In dat geval mocht Pyttel niet in de aarde van het kerkhof begraven worden, want zijn lichaam zou de heilige grond ontwijden. Het feit dat Pyttel zo sterk gebouwd was en zo goed in sport, maakte dat men de kans op een ongeluk het kleinst inschatte. Daarom werd zijn lichaam weggemoffeld en zijn nagedachtenis verzwegen. Alsof zijn dood schande over de hele gemeenschap had gebracht.
Achteraf was Alcuïn blij dat hij op die akelige zomerdag dat Pyttels lichaam was gevonden ’s nachts nogmaals samen met Eanbald naar de Ouse was gegaan. Niet om te zwemmen. Daarvoor waren ze teveel onder de indruk van het nieuws dat Pyttel waarschijnlijk in deze rivier gestorven was.
Die avond knielden ze bij het water en zeiden samen een gebed voor de ziel van hun vriend. In al die maanden in de kathedraalschool hadden de jongens genoeg psalmen uit hun hoofd moeten leren om hier Pyttel een gepast afscheid te geven. Tot slot gooiden ze bloemen die ze onderweg hadden geplukt in het voorbij stromende water.
Innig gearmd liepen ze terug naar het klooster. Wat er ook gebeurde, gelukkig hadden ze elkaar.
De volgende dag ontdekten de monniken de overhellende tak aan de kastanjeboom in het verste hoekje van de tuin en zaagden hem af. Dat was het einde van alle nachtelijke avonturen buiten de kloostermuur.
Hoofdstuk 8: Bijna betrapt
Wanneer een leerling na vele jaren in de klas bij meester Albert voldoende onderwijs hadden genoten, werd hij tot deken gewijd en leefde nog een tijdje als monnik in het klooster voordat hij elders in het land geplaatst werd als abt. De kathedraalschool van York stond goed aangeschreven en velen schopten het tot bisschop of zelfs tot aartsbisschop – het hoogst haalbare. Toch raakte de school nooit leeg, want er was altijd voldoende aanwas van kinderen die werden opgedragen aan God.
Alcuïn wende er nooit aan zo’n klein verloren hummeltje te zien, afgezet bij de kloosterpoort, weggerukt uit het vertrouwde gezinsleven en totaal ontwricht door de plotselinge overgang naar zijn nieuwe vreemde omgeving. Wel leken nieuwe leerlingen steeds kleiner te worden, maar dat kwam waarschijnlijk alleen omdat hij zelf ieder jaar gewoon ouder werd.
Soms kroop Alcuïn dan een aantal nachten bij die nieuwe kinderen in bed om ze te troosten, om daarna weer snel bij zijn vriend Eanbald te gaan slapen. Dat ging telkens moeilijker. Ze pasten bijna niet meer naast elkaar op hetzelfde kleine matras. Hun lichamen waren in de loop van de tijd te groot geworden.
Het was op een avond dat er net een nieuwe leerling was aangekomen. Na het avondeten waren ze allemaal naar bed gegaan. De aartsbisschop kwam voor de nachtelijke zegen. Dit keer vergat hij per ongeluk voor de nieuweling te bidden. Wellicht omdat het jongetje enkel stil voor zich uit lag te staren en niet het gebruikelijke gesnotter liet horen.
Zodra de aartsbisschop weg was, gleed Alcuïn zachtjes uit zijn eigen bed en ging even bij het kind kijken. Het was een ijskoude winteravond. Als het niet nodig was, kroop hij liever direct bij Eanbald in bed. Daarom besloot hij niet bij het kind te gaan liggen en hem troostrijk in zijn armen te nemen, maar enkel en alleen even op de rand van diens bed te gaan zitten om te zien hoe de jongen het maakte. Misschien waren een aai over zijn bol en een troostend woord al meer dan genoeg. Niet ieder kind vond lichamelijk contact prettig, had Alcuïn in de loop der jaren geleerd.
Opeens verscheen aartsbisschop Egbert in de deuropening. Halverwege de lange gang had de oude man zich plotseling gerealiseerd dat hij vergeten was de speciale zegen voor de nieuw aangekomene uit te spreken en was teruggekeerd om dat alsnog te doen.
Als verstomd stond hij in de deuropening en keek vol afschuw en verbazing naar Alcuïn die op de rand van het bed van de nieuweling zat. Eerst leek de aartsbisschop te verbijsterd om iets te zeggen. Toen trok hij van leer. Iedereen hoorde ’s nachts in zijn eigen bed te liggen. Overtreding van die regel was ten strengste verboden. Het was dat Alcuïn de assistent van de schoolmeester was, dat hij zo uitstekend kon leren en altijd deugdzaam was geweest, want dit was een grove overtreding. Daarom zou de aartsbisschop het nu voor één keer door de vingers zien. Hij begreep dat de assistent het kind waarschijnlijk had willen troosten en de monniken waren geen onmensen, maar regels waren regels en die bestonden niet voor niets.
“Laat ik je niet nog eens betrappen, of een van de anderen, want dan zwaait er wat!” En weg was de woedende aartsbisschop. Opnieuw de zegen voor de nieuweling vergetend.
Ondertussen was Alcuïn snel terug naar zijn eigen bed geslopen. In het voorbijgaan een blik van verstandhouding met Eanbald wisselend. Beiden wisten ze dat samen slapen nu voorgoed verleden tijd was. De monniken waren nog altijd als de dood voor vies gedoe, al zeiden ze er nog steeds niet bij wat ze daar nu precies mee bedoelden. Alhoewel, misschien wist Alcuïn het toch wel. Soms, als hij een rare broeierige droom had gehad, werd hij ’s ochtends wakker met een vreemde natte plek in zijn onderbroek. Maar dat gebeurde ook af en toe als hij alleen sliep, zo merkte hij alras.
Zo groeiden ze op, Alcuïn en Eanbald, als hechte broeders in de kathedraalschool van York. Ook al sliepen ze niet meer samen, ze waren onafscheidelijk. Ze zaten naast elkaar op de grond aan de voeten van meester Albert en leerden om het hardst. De twee slimste leerlingen van de school en aan elkaar gewaagd in discussies en debatten. Zij aan zij liepen ze door de gangen, aten hun maaltijden en zongen mee in de mis.
Zodra het kon, kozen ze twee bedden naast elkaar en verschoven die allebei een onzichtbaar klein stukje om de afstand tussen hen zo klein mogelijk te maken. Telkens wanneer ze dat wilden, hoefden ze enkel allebei hun arm maar uit te strekken om elkaars hand te kunnen vasthouden. In die houding slapen lukte niet, daarvan ging je arm teveel tintelen, hadden ze gemerkt. Maar het was al een prettig idee dat de ander zo dichtbij was dat ze elkaar konden aanraken als ze dat zouden willen.
’s Ochtends na de mis en het ontbijt studeerden ze zoals altijd Latijn, Grieks en grammatica in de klas bij meester Albert. Daar kwamen later ook nog literatuur, Romeinse wetgeving en zelfs theologie bij. Na het middagmaal kozen de broeders meestal de discussielessen in de conversatiezaal. Gewoon omdat meester Albert vaak van die interessante onderwerpen had. Dan vroeg hij bijvoorbeeld wat het wezen van de mens was, of gekker nog: hij vroeg naar de eigenschappen van getallen. Een andere keer vertelde hun leraar hoe stormen en aardbevingen ontstonden. Alcuïn en Eanbald hingen aan zijn lippen en de hoofdmeester had plezier in die twee leergierige jongens die niet alleen hun lichaam wilde voeden, maar ook hun geest.
Hoofdstuk 9: De bijzondere opdracht
Leven in een klooster is eentonig. De dagen zijn haast allemaal hetzelfde. Wie niet beter weet zou denken dat de tijd voor eeuwig stil lijkt te staan door verveling en saaiheid. Niets is minder waar. Juist door de herhaling rijgen de dagen zich moeiteloos aaneen tot weken, de weken worden al snel maanden en de maanden ongemerkt een aantal jaren.
De aartsbisschop van York zag Alcuïn en Eanbald met genoegen opgroeien tot twee verantwoordelijke jongemannen van zeventien en achttien jaar. De kathedraal, helemaal gemaakt van hout, had met spoed enkele reparaties nodig, maar voorlopig leek aartsbisschop Egbert het zelf veel te druk te hebben om iets te kunnen ondernemen. Dus gaf hij de beiden jongens op een goede dag de opdracht zich over de zaak te buigen. Die wisten niet hoe ze het hadden. Nu waren ze ineens bouwbroeders! Nog meer dan anders konden ze nu samen optrekken. Waar ze normaal geacht werden in stilte te leven en alleen tijdens conversatie met elkaar in dispuut konden gaan, mochten ze nu de hele dag samen overleggen.
De reparatiewerkzaamheden vonden plaats in de zomer. Delen van het dak van de kathedraal moesten vervangen worden en in een ander jaargetijde zou het te koud zijn in de kerk tijdens de dagelijkse diensten die altijd door moesten kunnen gaan. Eigenlijk hoefden de twee broeders enkel toezicht te houden en de werklieden “van buiten” aan te sturen. Onbehouwen kerels die plat Yorks spraken en verschrikkelijk vloekten wanneer ze op hun duim sloegen.
Er kwam een dag waarop alles tegenzat. Misschien door de warmte, want er hing al een hele week onweer in de lucht. Of wellicht hadden ze die dag een te groot stuk dak willen vervangen? In ieder geval hingen er dreigende zwarte wolken boven de hoge kathedraal en zaten ze met een nog veel te groot gat in het dak. Tot overmaat van ramp bevond de opening zich vlak boven het altaar.
“Wanneer de bui straks losbarst wordt de aartsbisschop kletsnat daar beneden,” piepte Eanbald benauwd.
“En de heilige Schrift,” beaamde Alcuïn. “Dat vind ik veel erger. Aartsbisschop Egbert kan zijn pij nog drogen, maar de inkt op de bladeren van de bijbel loopt onherroepelijk door.”
Eanbald schoot in de lach. Alcuïn had geen idee waarom, maar hij lachte mee. Hij vond het heerlijk om zijn vriend zo vrolijk te zien.
“Kom, we gaan ze een handje helpen!” riep Eanbald met een hoofdknik naar de werklieden en klom de dichtstbijzijnde ladder op. Vakkundig nam hij een hamer ter hand en begon als een bezetene de losse houten planken te bevestigen. Alcuïn kon niet achterblijven en stond binnen de kortste keren gewapend met een eigen hamer op een andere ladder.
Algauw hadden ze zich allebei vreselijk in het zweet gewerkt. Hierboven leek het haast nog warmer dan daar beneden. Eanbald viel bijna flauw van de hitte, zo benauwd had hij het, maar het dak moest dicht. Hij keek om zich heen naar alle timmerlieden die inmiddels met ontbloot bovenlijf stonden te werken. Hup, daar vloog zijn toga door de lucht en viel vele meters onder hem op de grond. Dit voelde een stuk beter!
Met grote ogen keek Alcuïn hem aan. Was zijn broer gek geworden? Zonder toga rondlopen, dat deed je toch niet?
“Moet je ook proberen,” riep zijn broeder hem uitdagend toe. “Heerlijk koel. Ik werk nu echt twee keer zo hard.”
Zonder verder nadenken volgde Alcuïn zijn voorbeeld. Inderdaad veel beter. Snel als de bliksem, die ieder moment boven hun hoofden kon losbarsten, sloegen ze de laatste spijkers in de planken.
Daar vielen al de eerste spetters. Dikke druppels. Eerst een paar, maar alras meer. Een hoosbui barstte los, maar het gaf niet. Met hun hulp was het gat precies op tijd gedicht en de timmerlieden bedankten de broeders voor hun hulp alvorens haastig in de kloosterkeuken te gaan schuilen tegen de regen.
Alcuïn was voorzichtig van de ladder naar beneden geklommen en stond weer met beide benen op de grond. Hij wilde net bukken om zijn op het gras gooide toga te pakken, toen die onder zijn handen werd weggegrist. Het was Eanbald. Met beide toga’s in zijn handen rende de pestkop weg. Eerst slechts een klein stukje bij Alcuïn vandaan. Daar draaide hij zich om en keek zijn vriend uitdagend aan:
“Wil je jouw toga? Kom hem dan maar halen,” en weg spurtte hij, langs de kathedraal, om het klooster, zo de tuin in. Met Alcuïn op zijn hielen.
“Geef terug!”
Zo zaten ze elkaar een tijdje joelend achterna in de regen.
Eanbald had een beter uithoudingsvermogen en op een gegeven moment moest Alcuïn gewoonweg even stilhouden om op adem te komen en wachten tot de steken in zijn zij weer wat bedaarden. Net buiten handbereik maakte Eanbald een plagend dansje om hem heen. Steeds Alcuïn zijn toga toestekend en net op tijd weer weggrissend.
Met pijpenstelen stroomde de regen uit de hemel. Het droop in Eanbalds haren, over zijn lachende gezicht en langs zijn blote torso. Wat hield Alcuïn van zijn aangenomen broer. “Wacht maar,” lachte hij terug en haalde onverwachts uit.
Alcuïn kreeg een slip van zijn eigen toga te pakken. Samen vochten ze er om en trokken om het hardst. Eanbald draaide en schudde. Er ontstond een worsteling. Lachend en stoeiend probeerden ze elkaar weg te duwen of pootje te haken in de strijd om de toga.
Plotseling verloor Alcuïn zijn evenwicht en Eanbald viel bovenop hem. Voor even was zijn gezicht heel dicht bij. Alcuïn kon de adem van zijn vriend ruiken. Eén moment keken ze elkaar aan. Een moment dat wel een eeuwigheid scheen te duren en waarin het leek alsof hun ogen doordrongen tot recht in elkaars ziel.
Toen rolde Eanbald van Alcuïn af en lagen ze lachend en nahijgend naast elkaar op het natte gras. De toga als een opgerold vod tussen hen in. Eanbald drukte Alcuïns hand, stond op en liep zonder iets te zeggen naar binnen.
In de kathedraal was de mis duidelijk al begonnen. Alcuïn lag daar nog lang uitgestrekt op de aarde en voelde de verkoelende regenspetters op zijn gloeiend hete huid vallen.
Hoofdstuk 10: Een kamer vol schatten
Al die jaren was Alcuïn de vaste assistent van meester Albert. Met enige regelmaat vertrok de hoofdmeester naar het buitenland om andere klooster te bezoeken en dan viel Alcuïn voor hem in. De eerste keer was dat best spannend. Als assistent had hij enkel één op één aan sommige leerlingen wat bijles gegeven, nu was hij verantwoordelijk voor de hele klas van tussen de dertig en veertig leerlingen.
Hij kende ze allemaal door en door. De meesten had hij opgevangen in de eerste week dat ze hier aankwamen. Hij en Eanbald behoorden al bijna tot de oudsten van de groep. De rest was in de loop van de jaren uitgevlogen naar andere kloosters of woonden nu als monniken in York. Alcuïn vreesde de dag dat dit hem zou overkomen. Zou hij Eanbald dan nog wel zien? Hij probeerde de beklemmende gedachte terug te dringen met de hoop dat meester Albert hem nog heel lang nodig had als assistent en invaller.
Lesgeven ging Alcuïn bijzonder goed af. De inmiddels volgroeide man van bijna twintig jaar merkte dat hij het steeds leuker vond naarmate hij het vaker deed en zich langzaamaan zekerder voor de klas begon te voelen. In het begin zat hij stijf op de zetel van de hoofdmeester en keek zenuwachtig naar de verwachtingsvolle gezichtjes aan zijn voeten op de grond. Gaandeweg begon hij zich vrijer te gedragen. Vooral tijdens de middaguurtjes in de conversatieles die hij ook overnam, kreeg Alcuïn steeds meer plezier in zijn rol.
“Wat moet ik ze vertellen?” had hij de eerste keer benauwd gepiept toen meester Albert hem op het hart had gedrukt dat ook de discussiemomenten in de middag bij Alcuïns taak zouden horen als de schoolmeester op reis was.
“De aartsbisschop heeft het veel te druk om zich iedere middag vrij te maken,” was alles wat hij als antwoord kreeg.
“Maar alles wat ik weet, heb ik van u geleerd en daar zaten veel van de andere leerlingen ook bij.” Meester Albert keek Alcuïn vriendelijk aan, wenkte geheimzinnig met zijn vinger dat zijn assistent hem moest volgen en nam hem mee naar een bijzondere ruimte in het klooster. De deur van die kamer zat altijd op slot en Alcuïn was er nog nooit geweest. Nu kreeg hij zomaar de sleutel van meester Albert en mocht de deur open doen. Dat ging heel gemakkelijk. Samen liepen ze de kamer in en Alcuïn keek zijn ogen uit.
Langs de wanden stonden kasten met planken vol boeken. Zeker meer dan honderd! Verbouwereerd staarde hij in het rond. Naast hem lachte de schoolmeester.
“Die heb ik allemaal bij elkaar gebracht.” Er klonk trots door in zijn stem.
Alcuïn keek van de boeken naar de meester en terug. Hij kon zijn ogen haast niet geloven. Wat een rijkdom! Nieuwsgierig liep hij langs de schappen. Er was van alles: literatuur, filosofie, theologie. Werken van Cassiodorus en Vergilius naast dat van Plinius en Boethius. De belangrijkste kerkvaders waren vertegenwoordigd. Alcuïn zag boeken in het Grieks en in het Latijn en een hele rij werken over muziek, wiskunde en astronomie.
“Nu begrijp je wat ik doe als ik op reis ben. In de kloosters die ik langsga, zoek ik naar goede boeken en daarvan laat ik een kopie maken voor in onze bibliotheek. Hier heb je een schatkamer aan gedachten. Zolang ik weg ben, mag jij de sleutel houden en hier gaan zitten lezen. Er staat genoeg bijzondere informatie in om voor de rest van je leven het middagprogramma mee te vullen.”
Alcuïn schoot in de lach. Zo lang hoefde hij zijn medeleerlingen gelukkig niet te vermaken. Over een paar maanden kwam meester Albert terug om de lessen weer over te nemen.
De sleutel van de boekenkamer was een zegen voor Alcuïn. Stiekem nam hij Eanbald mee. Niemand had gezegd dat het niet mocht, al wisten ze natuurlijk wel dat zonder toezicht ergens samen zijn absoluut verboden was. Nu hadden ze een kamer, helemaal voor hen alleen, waar ze urenlang met zijn tweeën hardop konden praten. Avond aan avond zaten ze daar en lazen elkaar voor uit de meest mooie passages die ze vonden.
Er bestaat geen grotere intimiteit dan voorgelezen worden. Wat genoot Alcuïn ervan om met zijn hoofd in de schoot van zijn vriend te liggen en te luisteren naar het ritme van de zinnen en de warme klank van diens stem. Soms viel hij dan in slaap om de volgende ochtend op dezelfde plek wakker te worden, verstijfd door de harde houten vloer, maar verwarmd omdat Eanbald net als vroeger dicht tegen hem was aangekropen.
Op een keer waren ze zo in elkaar en het gesprek opgegaan dat Alcuïn niets had om de volgende dag als onderwerp in de themales te gebruiken. Zwetend at hij zijn middagsoep, terwijl zijn gedachten maalden. Wat moest hij nu doen? Het ging erom dat de leerlingen leerden nadenken…
Opeens viel hem een idee in. Hij zou ze een raadsel opgeven! Alcuïn hoefde niet eens lang na te denken en verzon daar ter plekke aan tafel tussen alle andere blauwe toga’s een verhaaltje. Het ging over een boer die met een kool, een geit en een wolf de sloot moest overvaren. Telkens kon de boer slechts één van hen meenemen in zijn boot, maar hij moest oppassen dat de wolf in de tijd dat hij de sloot overstak de geit niet opat en de geit de kool niet. De hele middag zaten de leerlingen te puzzelen en hadden de grootste pret.
Voortaan las Alcuïn alleen nog maar voor zijn eigen ontwikkeling in de boeken van de kloosterbibliotheek. Voor de lessen ’s middags verzon hij gewoon een leuk raadseltje. De kinderen waren er dol op. Zelfs moeilijke rekenlessen werden op deze manier plezierig. Zoals die van een kapelaan die in het eerste dorp waar hij op zijn wandeling langskwam één zieltje won en in het tweede dorp twee zieltjes en zo verder. Hoeveel zieltjes had deze kapelaan gewonnen als hij honderd dorpen afging? Nou, daar waren ze een hele middag mee zoet!
De dag dat meester Albert terugkeerde, hoorde hij de enthousiaste verhalen van zijn leerlingen en vroeg Alcuïn naar de middagraadseltjes. Om de schoolmeester, waar hij het geweldig goed mee kon vinden, een beetje te plagen, gaf hij hem een extra moeilijke rekensom op.
“Als een os een dag lang over een veld van zeven are ploegt, hoeveel pootafdrukken staan er dan in de laatste vore?”
Meester Albert lag de hele nacht te puzzelen, klaarwakker, maar kwam er niet uit. Hoe lang was het veld? Hoe groot waren de passen van de os? Hij wist het niet.
Nog voordat de mis de volgende dag begon, zocht hij Alcuïn op.
“Wat een moeilijk raadsel. Ik heb echt geen flauw idee hoe ik dat moet berekenen. Kom, vertel op en verlos me uit dit lijden.”
Alcuïn trok een serieus gezicht.
“Wel,” antwoordde hij. “De ploeg trekt de vore achter de os. Dus als er al pootafdrukken waren, dan heeft de geul die de ploeg graaft ze allemaal weggewist. Het goede antwoord is dus: geen.”
De ogen van meester Albert werden groot van verbazing en toen van pret.
“Geen! Ha, ha, je hebt me beetgenomen. Die is goed! Heb ik daar nu de hele nacht voor wakker gelegen?!”
De tranen rolden de schoolmeester over de wangen en hij sloeg zich op zijn dijen van plezier. Ook Alcuïn barstte in lachen uit. Hij had goed gegokt dat de meester tegen een plaagstootje kon. Zelfs onder de mis hoorde hij af en toe nog onderdrukt gegrinnik vanaf de plek waar meester Albert stond.
Helaas had hij de sleutel van de bibliotheek wel weer moeten afstaan. Het zou weer een tijdje duren voordat de schoolmeester opnieuw op reis ging. Misschien volgend jaar aan het eind van de zomer voordat de herfst begon.
Dus toen meester Albert zijn vlijtige assistent ergens in de laatste zomermaand bij zich op de kamer riep, dacht Alcuïn al te weten waar de bespreking over ging. Natuurlijk zou hij weer gevraagd worden om de lessen van de schoolmeester over te nemen tijdens diens aanstaande reis.
Het gesprek liep echter anders. Dit keer lag de sleutel van de boekenkamer niet klaar. Dat was vreemd. Zouden de andere monniken erachter gekomen zijn dat hij en Eanbald zich daarin weleens terugtrokken? Maar ze deden toch niets verkeerds?! Alleen praten, studeren en heel soms slapen.
Meester Albert zat achter zijn schrijftafel en schraapte zijn keel.
“Ik ga op reis. Dit keer naar het Frankenland en Italië. Nu dacht ik zo… misschien heb je wel zin om mee te gaan?”
Het duurde even voordat de vraag tot Alcuïn doordrong. Hij? Mee op reis? Wat een geweldig aanbod! Hoe graag zou hij niet iets van de wereld zien, andere kloosters bezoeken, naar andere landen gaan.
“En Eanbald?” was zijn eerste vraag. Meester Albert reikte naar de sleutel van de boekenkamer. “Die mag onze taken overnemen.”
Eanbald bleef hier, realiseerde hij zich. Het hart van Alcuïn kneep een beetje samen. Met meester Albert meegaan betekende drie maanden zonder Eanbald. Maar aan de andere kant… Zo’n kans kreeg hij nooit meer. Naar het rijk van de Franken en naar Italië, misschien wel helemaal tot aan het graf van de heilige Petrus in Rome.
“Graag,” hakte hij de knoop door. “Dank u, meester, ik ga graag mee.”
Schoolmeester Albert kwam achter zijn bureau vandaan en omhelsde Alcuïn hartelijk.
“Een aangenaam besluit, mijn zoon. We vertrekken aan het einde van de week.”
Eanbald was jaloers en teleurgesteld en blij voor Alcuïn, alles door elkaar.
“Een volgende keer mag jij misschien mee,” probeerde Alcuïn zijn broeder op te peppen. Die knikte toegeeflijk, maar Alcuïn zag dat hij er niet in geloofde. Gelukkig overheerste al gauw de blijdschap. Over drie maanden was hij weer terug en wat zouden ze elkaar dan veel te vertellen hebben!
Alleen het echte afscheid viel hen beiden zwaarder dan verwacht. Minutenlang stonden ze in innige omarming dicht tegen elkaar aan. Ze waren in de afgelopen twintig jaar nog nooit een dag zonder elkaar geweest, laat staan drie hele maanden.
“Ik zal je missen,” prevelde Eanbalds stem in Alcuïns oor.
“Ik jou ook, broertje,” fluisterde Alcuïn terug.
Tot slot gaven ze elkaar een stevige zoen. Eentje. Op hun beider linkerwang. Dat hadden ze nog nooit gedaan, maar het voelde goed, als een echt passend afscheid.
Toen pakte Alcuïn zijn ransel op en liep de poort uit. Buiten stond meester Albert al op hem te wachten. Niet veel later reed hun wagen voor, getrokken door een os. Ze schoten beiden in de lach. “Hoeveel voetstappen tot de zee?” ginnegapte meester Albert. De grote reis was begonnen.
Hoofdstuk 11: Op reis
Alcuïn had nooit geweten dat Engeland zo groot was. Dagenlang reden ze door het steeds wisselende landschap en nog waren ze Northumbrië niet uit. De jongeman was haast vergeten hoe het er in de wereld buiten het klooster aan toeging. Hier leefden mensen die niet van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat bezig waren met bidden of diep met hun neus over boeken gebogen zaten. De kooplui stonden op de markt, de ambachtslieden zaten in hun werkplaats en de boeren liepen de hele dag in weer en wind te ploeteren op het land. Waarschijnlijk spraken ze amper Latijn en konden ze geen letter lezen. Wat misten deze mensen veel. Alcuïn voelde zich gezegend met zijn beschermde leven in het klooster.
Voor het eerst zag hij de zee. Een overweldigende ervaring. Vooral midden op het Kanaal waar overal rondom enkel water en golven te zien was. Wat voelde een mens zich dan nietig op zo’n klein bootje en Alcuïn was blij om aan de andere kant van de Noordzee weer vaste grond onder de voeten te hebben.
Het schip meerde aan in een haven aan de kust van het Frankenrijk. Al snel merkte Alcuïn dat dit gebied zowaar nog groter was dan hun thuisland. Immens en uitgestrekt lag het voor hen. Iedere dag opnieuw. Telkens anders. Heuvels, bossen, akkerlanden. Kilometer naar kilometer legden de schoolmeester en zijn assistent af. Soms te voet en soms op een hobbelende wagen. Zo reisden ze van klooster naar abdij en overal bestudeerden ze de boekencollectie van de plaatselijke monniken. Hoewel in iedere streek een ander dialect werd gesproken, beheersten alle katholieke geestelijken op aarde de taal van God – Latijn – en dus kon Alcuïn makkelijk met hen spreken al was hij nu in een ver vreemd land. Ook de manuscripten die hij onder ogen kreeg waren allemaal in die taal geschreven. Of een enkele keer in het Grieks of Hebreeuws.
Van de meest bijzondere werken verzocht meester Albert om een kopie. Vervolgens werd die in het scriptorium van de kloosters vervaardigd. Alcuïn ging er graag even kijken. Het was een machtig gezicht om een zaal vol monniken te zien die dag in dag uit voorovergebogen de mooiste boeken letter voor letter zaten over te schrijven. Dat vroeg een opperste concentratie, dus Alcuïn hield zich nog stiller dan anders. Er hing altijd zo’n prettige serene rust in deze schrijfzalen waar alleen het krassen van de ganzenpennen op het papier te horen was.
Het bleek nog een hele kunst om van schapenhuid perkamenten vellen te vervaardigen, of om inkt te bereiden en een ganzenveer zo te snijden dat er een scherpe schrijfpunt ontstond. Urenlang bestudeerde Alcuïn elk van deze ambachten en altijd weer verliet hij zo’n schrijfzaal vol ontzag voor het zware monnikenwerk.
Om in Italië te komen moesten de beide mannen de hoge Alpen over. Deze bergen waren schitterend, maar de weg was stijl en best gevaarlijk.
“Ik heb ergens gelezen dat er in een van deze bergpassen een kerkje is waar verschillende koren elkaar dag en nacht afwisselden zodat er altijd heilige liederen gezongen worden. Kunnen wij daar naartoe?” vroeg Alcuïn. Meester Albert wist precies wat hij bedoelde, maar de plek was te ver weg om er langs te gaan.
“Misschien een volgende keer.”
Alcuïns hart sprong op. Wat een heerlijk vooruitzicht dat hij een volgende keer weer mee mocht. Natuurlijk miste hij Eanbald, maar er was zoveel te zien dat hij genoeg afleiding had om niet de hele dag aan zijn vriend thuis te hoeven denken. ’s Avonds in bed voor het slapen gaan, zei hij wel altijd trouw een gebedje voor Eanbald. Hij hoopte van harte dat het een beetje lukte met lesgeven.
De Alpen waren een vreemde ribbeling in het landschap. Zo wandelden de twee reizigers in de bergen en zo hadden ze de laatste hoge berg gehad en werd het land opeens vlak en plat.
“De Po-vlakte,” wist meester Albert te vertellen. Wat fijn dat hij hier de weg kende. Alcuïn had anders niet geweten waar hij naartoe moest.
“Komt vanzelf goed,” lachte de schoolmeester. “Alle wegen leiden tenslotte naar Rome. En je kunt de richting ook altijd vragen.”
Meester Albert had gelijk. Hoe dichter bij Rome, hoe duidelijker de weg werd. Het pad was niet alleen beter onderhouden, er kwamen ook steeds meer mensen bij die naar de pauselijke stad wilden. Pelgrims en marskramers, soldaten en vrouwen van lichte zeden. Mensen van allerlei rangen en standen. Rome was echt het pompende hart van het christendom en Alcuïn werd steeds enthousiaster.
Na een onafgebroken reis van enkele weken zagen ze de heilige stad eindelijk vanuit de verte liggen. Alcuïn kon haast niet meer wachten en ook meester Albert – die er toch al vaker was geweest – zat hoopvol naast hem te glimmen op de bok.
De stad overtrof alle verwachtingen. Het ene gebouw was nog mooier dan het andere, maar niet één haalde het bij hun einddoel, de Sint Pieterskerk. Vol eerbied betrad Alcuïn het enorme plein voor de schitterende kathedraal. Zijn pilarengalerijen staken verwelkomend naar beide zijden uit als twee uitgestrekte armen en lagen beschermend om het plein heen.
Via een van de rijkversierde deuren traden ze binnen in een gigantische ruimte. Zo’n grote en hoge kathedraal had Alcuïn nog nooit gezien, terwijl hij in de afgelopen weken toch menig kerk bezocht had.
Nadat ze samen wat rondgekeken hadden, kwam het belangrijkste van alles: een bezoek aan het graf van de heilige Petrus. Meester Albert wist precies waar de sarcofaag met het lichaam van de eerste plaatsbekleder van Christus op aarde bewaard werd. Dat was ook niet zo moeilijk te vinden, want het heilige graf bleek midden in de kerk aan de zijkant een prominente plek in te nemen. Zodra Alcuïn het graf zag, zonk hij op zijn knieën en begon te bidden. Er daalde een diepe stilte in hem neer. Een sereniteit die hij nog niet vaak had ervaren. Alsof hij werd opgetild en boven zichzelf uitsteeg.
Hoe langer hij daar zat, des te lichter werd het in zijn hoofd en in zijn hart.
“Ik ben het leven en de liefde,” voelde hij diep in zichzelf. Tijd leek niet meer te bestaan.
Een tikje op zijn schouder haalde hem uit zijn concentratie. Meester Albert gebaarde dat hij alvast naar het gastenverblijf ging. “Blijf zolang je wilt,” fluisterde hij. Alcuïn knikte en verzonk weer in gebed. Wat had hij nou net voor geks gedacht? Dat niet alleen God het leven en de liefde, de weg en de waarheid was, maar hijzelf ook! Mocht hij dat soort dingen wel denken? Het was alleen zo’n heerlijk gevoel, alsof hij van de top tot teen met licht gevuld was.
Alcuïn merkte niet dat alle anderen om hen heen vertrokken. Het werd later en later, de kerk raakte leeg. Iedereen ging eten. Alcuïn had geen honger. Hij was vervuld van de heilige geest.
Plotseling voelde Alcuïn hoe een sterke hand hem van achteren in zijn nek greep. Nog voordat hij kon reageren omsloot een andere hand zijn mond en hoorde hij een hese mannenstem achter zich triomfantelijk uitroepen: “Ik heb er één. Zo’n echte vrome.”
Van schrik opende Alcuïn zijn ogen. Vanaf de zijkant hoorde hij voetstappen aansnellen en nog meer stemmen. Hij probeerde zich los te trekken, maar de handen waren zo sterk dat hij zijn hoofd amper kon bewegen. Wat gebeurde er?
Met angstige ogen speurde Alcuïn zo ver hij kon de omgeving af. Het was inmiddels donker in de kerk, zo lang had hij zitten bidden. Hier en daar brandden kaarsen. Waar was iedereen? Zijn maag vertelde hem dat het etenstijd was. Waarschijnlijk zaten alle anderen in de refter.
“Deze is precies goed,” hoorde Alcuïn een zware stem zeggen, terwijl meerdere handen hem overeind trokken en hem voortsleurden totdat hij voor een van de mannen stond. Ze waren met zijn zessen. Deze was blijkbaar de leider. Het was een magere man van middelbare leeftijd. Zijn haar was vet en zijn kleding ongewassen. In zijn hand blonk een mes. Elke spier in zijn pezige lijf leek gespannen te staan.
Met priemende ogen keek de zenuwachtige leider om zich heen. Hij wierp een blik op Alcuïn en zette toen een stap van hem af.
“Nee, dat is geen monnik. Het moet een echte monnik zijn.”
Haastig liet de man zijn speurende blik door de kerk gaan op zoek naar een ander slachtoffer.
“Deze is prima,” klonk de hese stem van heel dichtbij. “Deze leert voor monnik. Kijk maar naar de donkerblauwe toga. Dat is toch net zo erg?”
Alcuïn zag hoe de anderen die hem aan de zijkant vasthielden knikten. Wat was hier aan de hand?
Er kwam iemand aangerend. Alcuïn probeerde zich los te wringen om om hulp te roepen. Hij begreep niet goed wat deze mannen van hem wilden, maar erg veel goeds hadden ze niet in de zin.
Een jongen kwam de hoek om hollen, een kind haast nog.
“Ik zie verder niemand,” meldde hij aan de groep. Deze hoorde er ook nog bij. Zij waren dus met minstens zeven.
De leider dacht een paar tellen na, draaide zich toen naar Alcuïn om en zei vastbesloten: “Dan vermoorden we deze.”
Hoofdstuk 12: Alcuïns kruis
Alcuïn wist niet wat hij hoorde. Vermoorden? Het klamme zweet brak hem uit. Dit kon hij niet laten gebeuren.
Met alle kracht die in hem was, kwam hij in verzet. Hij trok en draaide. Hij sloeg en krabde en schopte om los te komen. De hand voor zijn mond schoot los en hij gilde om hulp. Zijn hoge angstige piepstem weerkaatste tussen de muren van de Sint Pieter tot in het hoge gewelf, maar er kwam niemand.
Uiteindelijk waren de mannen te sterk voor Alcuïn. Ze overmeesterden hem opnieuw.
Daar lag hij, op zijn rug boven op het graf van de heilige Petrus. Vier kerels hielden zijn armen vast. Een van de zwaarste mannen van de groep zat op zijn benen, zodat zijn knieën de verkeerde kant opgedrukt werden en bewegen pijn deed.
De jonge jongen hield zich een beetje afzijdig en keek op een afstandje toe hoe de getatoeëerde hand van de leider Alcuïn het mes op de keel zette.
“Waarom?” piepte Alcuïn. Zijn mond was nog steeds vrij, maar gillen had geen zin. Hij wist dat als hij nu om hulp zou roepen, het mes in één ruk zijn keel zou doorsnijden en elke vorm van hulp te laat zou komen. Als hij sterven moest, dan wilde hij weten waarom. Wat had hij misdaan?
“Waarom?” herhaalde de tandeloze mond van de leider smalend. “Waarom? Omdat jullie mij vermoord hebben.”
Nu was Alcuïn zeker dat hij met een stel gekken van doen had: de man die het zei was nog springlevend!
“Altijd maar heilig doen,” ging de ongewassen man verder, “maar ondertussen…”
Hij verplaatste het mes van Alcuïns keel over zijn borst naar zijn buik. Als hij daar zou toesteken wachtte Alcuïn een veel pijnlijker en langzamer dood, wist de geleerde student. Maar wat had hij aan al zijn boekenwijsheid tegenover zo’n overmacht aan boze idioten? Dus bleef hij zo bewegingloos mogelijk liggen.
Het kind kwam met een gedoofde kaars aanlopen. “Misschien moet je hem precies terugdoen wat zij jou aangedaan hebben, pap.”
Alcuïns woorden dat hij uit York kwam en de man nooit iets had aangedaan, verwaaiden in het tumult dat ontstond.
“Goed idee,” had de zware basstem vanaf Alcuïns knieën gezegd. “Draai hem om, dan rammen we die kaars in zijn kont.”
Alcuïns hart stond stil. Wat zeiden ze nu?? Dat leek hem haast nog erger dan sterven!
De handen probeerden hem op zijn buik te draaien. Daartoe moest de zware man even van zijn knieën afstappen. Alcuïn besefte dat dit zijn laatste en enige kans was om te vechten voor zijn leven.
Gedreven door angst is een mens oneindig sterk en het kostte de groep grote moeite om Alcuïn in bedwang te houden. Zelfs de leider en zijn zoon moesten eraan te pas komen om hun slachtoffer weer in de klem te krijgen.
Uitgeput moest Alcuïn na een tijdje opgeven. Daar lag hij, terug op zijn rug, boven op het heilige graf met die loodzware man weer op zijn pijnlijke knieën. Hij kon alleen nog maar bidden.
“Dat wordt niks,” sprak de leider teleurgesteld. “Jammer. Ik had ze hier allemaal wel willen castreren om de hel waar ze mij doorheen hebben laten gaan. Ik was nog maar een kind, weet je.” Het leek er bijna op dat de magere leider zou gaan huilen. Maar zijn maten gaven de strijd niet zomaar op.
“Castreren, zei je?” Daar lag hun gevangene precies goed voor en vele handen sjorden Alcuïns toga omhoog. In een mum van tijd was ook zijn onderbroek naar beneden. Zijn geslacht toonde zich open en bloot als een klein bang teruggetrokken wurmpje dat snel de aarde in wilde kruipen.
Alcuïn bad en bad. Zijn ogen stijf dicht. Hij smeekte de heilige Petrus, die toch slechts een meter onder hem lag, om hulp. “Laat uw graf toch niet zo ontheiligen. Help mij alstublieft. Doe iets!”
Hoewel hij zich probeerde af te sluiten voor zijn lichaam, voelde Alcuïn hoe iemand de punt van zijn voorhuid naar boven trok en pijnlijk ver uitrekte. Nog vlugger bad hij. De stank van de leider drong in zijn neus, terwijl de ongewassen man dichterbij kwam en naast hem neerknielde ter hoogte van zijn heupen.
Alcuïns geest stokte. De gedachte dat ieder moment zijn piemel er afgesneden kon worden, deed hem bij voorbaat ineenkrimpen van pijn. Hij besefte dat zijn lichaam zou doodbloeden. Het lemmet kraste in zijn huid. Zonder het te willen gilde hij het uit.
Er ontstond verwarring in de groep. Opeens hoorde Alcuïn het ook. De deur van de kathedraal was opengegaan en even verderop waren stemmen en voetstappen.
“Wegwezen,” riep de donkere mannenstem. Alcuïn kreeg een zet en rolde aan de ene kant van het graf, terwijl de mannen haastig de andere kant op vluchtten.
Alcuïn lag plat op zijn buik op de marmeren vloer. Hij had het overleefd. Misschien wel met dank aan de heilige Petrus die op het laatste moment voor de nodige interruptie zorgde.
Dat alles er nog aan zat voelde hij door de kou die optrok via zijn blote huid. Zo snel hij kon krabbelde Alcuïn op en trok zijn toga recht. Net op tijd. Daar was de groep met verlate pelgrims. Ze bekruisigden zich bij het graf van Petrus, maar liepen meteen verder om eerst iets te eten na hun lange reis. Alcuïn wist niets beters te doen dan al strompelend achter hen aan te gaan. Ondertussen onmerkbaar zijn onderbroek rechttrekkend en voorzichtig zijn geslacht betastend. Zijn hand was plakkerig en kleverig van het bloed. Zo te voelen hadden ze er toch een sneetje in gemaakt. Meteen daarop begon het wondje te steken en te branden. Blijkbaar had hij zweet in de wond gewreven.
Bij het verlaten van de kerk stak Alcuïn net als de anderen zijn bebloede hand in het bakje met wijwater. Het water kleurde meteen alarmerend rood, maar hij kon toch moeilijk met vieze handen de refter betreden? Dan zou iedereen kunnen zien wat hem net was overkomen. Dat wilde Alcuïn niet. Daarvoor schaamde hij zich te veel.
In de eetzaal ging hij expres niet naast meester Albert zitten, maar zocht een plekje naast de laat aangekomen groep met pelgrims. Veel eten kreeg hij niet naar binnen, het stond hem tegen. Na de maaltijd ging iedereen zwijgend naar de slaapzaal. In alle kloosters heerste stilte. Die regel gold gelukkig ook voor gasten. Nu hoefde hij niet met meester Albert te spreken.
Die nacht lag Alcuïn te draaien en te woelen op zijn dunne strozak. Telkens weer zag hij de gezichten van zijn aanvallers voor zich en beleefde hij de angstige momenten van die dag opnieuw. De heerlijke gevoelens van de uren daarvoor waren totaal uit zijn geheugen verdwenen, ze leken niet werkelijk, alsof die bijzondere ervaring slechts domme fantasie was geweest.
De volgende dag was het zondag. Alcuïn wilde niet terug naar de kerk en veinsde ziek te zijn. Hij mocht de hele dag in het veilige gastenverblijf liggen en sliep zelfs af en toe de troostrijke slaap van de vergetelheid.
De dag erna stonden de twee Yorkers vroeg op en begonnen aan de terugreis. Omdat ze inmiddels alle kloosters op hun route langsgegaan waren op zoek naar mooie manuscripten, reisden ze per schip over zee naar huis. Voor Alcuïn was het fijn dat hij met zijn pijnlijke knieën niet hoefde te lopen. Nu konden de stijve spieren met rust genezen.
Hij zat aan boord en zei niet veel. Volledig in zichzelf teruggetrokken staarde hij in de verte, maar zijn ogen zagen niets. Het was voor hem onmogelijk om te genieten van de golven en de wind. De anders zo nieuwsgierige jonge man, die al meer dan twintig jaar het leven met open vizier in zich opnam, toonde ditmaal geen interesse in het hijsen van de zeilen of de machtige procedure van het overstag gaan.
Gedurende de hele reis liet meester Albert hem met rust. Denkend dat zijn assistent een extatische ervaring had beleefd door een hele dag bij het graf van de heilige Petrus te hebben gebeden. In de afwezige ogen van Alcuïn meende hij de blik te herkennen van iemand die was aangeraakt door God. Die gelukkigen waren altijd een beetje van de wereld.
Eigenlijk was de schoolmeester er wel jaloers op. Zelf had hij nooit die vorm van verlichting mogen ervaren, hoe hij het ook had geprobeerd. Die zegen was alleen weggelegd voor de uitzonderlijke enkeling. En Alcuïn had unieke kwaliteiten, dat was meester Albert al meteen in de eerste weken opgevallen. Zijn favoriete leerling bezat niet alleen een goed stel hersenen, maar ook een vriendelijk hart. Dat nam hem voor mensen in. Juist omdat hij van Alcuïn hield kon de schoolmeester het verdragen dat zijn assistent de verlichting was geschonken en hem niet. Als geen ander besefte meester Albert dat alleen wie een nederige dienaar was ook een goede meester kon worden en Alcuïn zou later een uitstekende leraar zijn. Dat kon niet anders. Dus slikte hij zijn jaloezie in en liet de jongeman met rust.
Ondertussen leed Alcuïn in stilte aan angsten en slapeloosheid. Als hij na uren woelen in zijn bed eindelijk even indommelde, schrok hij verwilderd wakker uit een nachtmerrie. De hele dag zag hij de akelige beelden opnieuw voor zijn geestesoog en hoorde hij de hatelijke stemmen nog in zijn oren. Hij werd er gek van en gaandeweg de lange boottocht stapelden de depressieve gedachten zich steeds meer op.
Hoofdstuk 13: Veilig thuis
Wat een verademing toen ze na weken van water en zee in een van de havens van hun eigen Engeland van boord konden gaan. Nog een paar dagen op een kar en daar doemde eindelijk de kathedraal van York op aan de horizon. Het was al laat op de avond, na etenstijd, dat de twee reisgenoten bij de poort aanklopten. Een van de monniken deed open en liet ze hartelijk binnen. Je zag aan zijn ogen dat hij het liefst meteen honderduit had willen vragen, maar tot grote opluchting van Alcuïn verhinderde de zwijgplicht de monnik om zijn mond open te doen.
Meester Albert wilde het liefst direct in de tobbe het vuil van de lange reis van zich afspoelen. Alcuïn knikte dat het goed was. Zelf verlangde hij slechts één ding. Zijn hele lichaam schreeuwde om troost. Dus hij zette zijn ransel neer en ging op zoek naar zijn broeder.
Op de eerste plek waar hij keek vond hij Eanbald al. Zoals Alcuïn had verwacht zat zijn trouwe vriend rustig te studeren in de boekenkamer. Zodra de deur openging keek Eanbald op, liet zijn boeken in de steek en kwam vrolijk op Alcuïn af. De lichtjes in zijn ogen verschoten van kleur toen hij de uitdrukking op Alcuïns gezicht zag. Die had de deur nog niet achter zich gesloten of hij stortte zich in Eanbalds armen. Een ingehouden opgebouwd verdriet kolkte er in één keer uit. Terwijl hij zich als een drenkeling aan Eanbald vastklampte, huilde hij met lange uithalen en dikke zoute tranen.
Eanbald hield hem vast, aaide over zijn broeders hoofd en zei zachtjes dat hij Alcuïn ook erg gemist had. Maar dat was het niet. Niet helemaal. Niet alleen. Alcuïn had iets ergs meegemaakt. Hij was met de dood bedreigd geweest en nog veel meer. Met horten en stoten kwam het hele verhaal eruit. Hoe meer hij vertelde, hoe rustiger Alcuïn werd. Het hielp om een luisterend oor te vinden. Vooral omdat Eanbald onvoorwaardelijk van hem hield en zijn vriend geen verwijten maakte dat Alcuïn dit alles uitgerekend op het graf van de heilige Petrus had laten gebeuren.
Toen hij het hele verhaal tot in ieder schaamtevol detail verteld had, viel Alcuïn haast ongemerkt in slaap en voor het eerst sinds die schokkende gebeurtenis kon hij een hele nacht zorgeloos doorslapen, veilig in Eanbalds omhelzing.
De volgende ochtend voelde Alcuïn zich al een stuk beter. Opgelucht, alsof er een last van zijn schouders was gevallen. Nu wilde hij heel graag in de tobbe en die besmette toga uit!
Samen liepen ze naar het washok. Eanbald vulde de tobbe met heet water en zette een tweede emmer op het vuur. Ondertussen had Alcuïn al zijn kleren uitgetrokken. Even twijfelde hij. Toen smeet hij ze met een doelbewust gebaar in de vlammen van het vuur. Een voor een. De toga, zijn hemd en tenslotte de onderbroek waar de rode bloedvlek nooit helemaal uitgewassen kon worden. Met zichtbaar genoegen keek hij toe hoe de vlammen de gewraakte stoffen verzwolgen. De woorden uit de bijbel klopten: vuur zuivert.
De tobbe was klaar en Alcuïn stapte erin. Voorzichtig liet hij zijn hele lichaam in het warme weldadige water zakken. Voor een moment ging hij zelfs even helemaal kopje onder en hield zijn adem in. Onder water kon hij zijn eigen hartslag horen en een apart soort gesuis in zijn oren als een baby in de buik van zijn moeder. Omhuld door de warmte verbond hij zich weer met zijn diepste zelf.
Ademnood deed hem boven water komen. Daar zoog hij zijn longen vol verse lucht en schudde zijn hoofd zo hard heen en weer dat de druppels alle kanten op vlogen. Tot zijn grote plezier had hij Eanbalds toga helemaal nat gespat. Voor het eerst sinds tijden kon hij weer lachen.
Die lieve Eanbald zeepte zijn beide handen in totdat ze goed schuimden en waste Alcuïns haren. Daarna nam hij ieder stukje van Alcuïns lichaam onder handen, zorgvuldig ervoor zorgend dat hij geen enkel deel, hoe klein ook, oversloeg. Alsof hij een extra laagje over de huid van zijn gekwetste vriend wilde leggen en elk gemist plekje een ingang zou kunnen zijn voor de oude kwelgeesten om door terug te komen.
Zo kwam hij ook bij Alcuïns geslachtsdeel. Alcuïn had zelf nog niet één keer durven kijken naar de verwonding die hem daar was toegebracht. Maar hier in de tobbe, met behulp van de zachte handen van zijn vriend, vatte hij opeens moed.
Samen bekeken ze de plek. Het viel eigenlijk reuze mee. In zijn hoofd had het veel groter geleken. Een klein krasje op de voorhuid. Wat een rare plaats eigenlijk. Het zag er eerder uit alsof ze hem hadden willen besnijden dan castreren.
“Je had bijna een jood geweest,” grapte Eanbald. “Net als Christus.”
Alcuïn knikte en dacht even na.
“Dat is niet de minste om mee vergeleken te worden,” antwoordde hij met een kwinkslag en stapte als herboren uit het water. De lichtjes in zijn ogen waren gelukkig weer teruggekeerd.
Met een ruwe handdoek droogde Eanbald zijn vriend af. Gewoon omdat het zo heerlijk was om te doen. Hij kon nog amper geloven dat ze weer samen waren en wilde hem voelen, zijn geur ruiken, zijn stem horen.
Alcuïn kon er niets aan doen. Opeens richtte zijn geslacht zich op. “Nou, alles werkt in ieder geval nog,” merkte Eanbald luchtig op en legde nog wat blokken op het vuur. Daarna ging hij in de linnenkamer schone kleren voor Alcuïn halen.
In het voorbijgaan kwam hij meester Albert tegen en gaf hem zijn sleutel van de boekenkamer terug. Alle volgende nachten sliepen Alcuïn en hij weer gewoon naast elkaar in hun eigen bed op de slaapzaal. Het gaf niet. Zijn broeder was weer terug en leefde, at, sliep, zong en bad slechts een armlengte bij hem vandaan. Het leven was weer goed.
.
DEEL II
Schoolmeester van York (767 – 781)
.
Hoofdstuk 1: Aartsbisschop Egbert
In de maanden die volgden nam Alcuïn zijn werk als assistent van meester Albert weer op. Al vrij snel kwam hij terug in zijn gewone doen; door de vertrouwde omgeving, door de beschutting van de beschermende kloostermuren, door de regelmaat van zijn dagelijkse bezigheden en vooral omdat hij omringd werd door broeders en leerlingen die dol op hem waren.
Het duurde alleen nog een flinke tijd voordat Alcuïn de prettige indrukken, die hij óók had opgedaan tijdens zijn verre reis, ging verwerken in de conversatiemiddagen. De leerlingen smulden echter zo van zijn verhalen over de wereld buiten het klooster en over vreemde landen zoals Italië of het Frankenrijk, dat de leuke herinneringen gaandeweg begonnen te overheersen en de verschrikkelijke aanval als een losstaand incident diep werd weggeborgen in zijn geheugen.
De eerstvolgende keer dat meester Albert op reis ging en aan Alcuïn vroeg of hij weer meewilde, kon deze met een gerust hart zeggen dat hij vond dat Eanbald aan de beurt was.
Eanbald hoefde zelfs geen hartslag lang na te denken. Hij zou maar wat graag iets van de wereld zien. Natuurlijk wist hij wat zijn vriend was overkomen, maar meester Albert was zo vaak weggeweest en op al die reizen was er nog nooit iets gebeurd. Hij zou gewoon dicht bij de schoolmeester blijven. Dan waren ze allebei vast veilig.
In de drie maanden dat Eanbald met meester Albert op pad was, beheerde Alcuïn de sleutel van de boekenkamer. Er was niets heerlijker dan iedere dag voor de klas te zitten en de overige uren – naast slapen, eten en bidden – tussen de boeken te leven. Soms bleef hij er zelfs overnachten, in zijn eentje, omringd door de honderden kostbare werken, elk met zijn eigen geur. Er kwamen er steeds meer bij. Van verschillende kanten werden nieuwe manuscripten naar York toegezonden uit alle kloosters die schoolmeester Albert op zijn reizen had aangedaan en waar hij kopieën had besteld. Daar zat menig bijzonder werk tussen.
Dagenlang besteedde Alcuïn zijn tijd aan het indelen van de kasten: oudheid bij geschiedenis, Latijn naast Grieks. Er waren boeken over grammatica en retorica van klinkende namen als Cicero en Aristoteles. Zouden ze ergens ter wereld zoveel kerkvaders op een rij naast elkaar hebben staan of zoveel literatuur?
Hij begon een catalogus aan te leggen. Boek na boek nam hij de manuscripten uit de kast, legde ze open op zijn lessenaar en noteerde de titel van alle werken die inmiddels in hun bezit waren. Hoezeer genoot Alcuïn van de schitterende handschriften op de zachte schapenhuiden, van de mooie hoofdletters en de versieringen in de kantlijn. Vaak ging hij zo op in zijn bezigheden dat hij vergat te eten.
Na drie maanden stond opeens Eanbald weer voor zijn neus. Alcuïn kon nog net zijn pas gesneden ganzenveer neerleggen voordat zijn vriend hem om de nek vloog. Ze omhelsden elkaar lang en innig. Het was voor beide vrienden even plezierig om de sterke armen van de ander weer om zich heen te voelen.
Eanbald zat vol verhalen. Reizen was zijn grote passie, zo bleek. Hij had genoten en stroomde over van geluk. Maar het fijnste was thuiskomen en alle wonderbaarlijke belevenissen aan zijn vriend vertellen. Dat kon slechts zelden, want als aankomende kloosterlingen werden de twee geacht eigenlijk altijd te zwijgen en zodra meester Albert terug was moesten ze de sleutel van de boekenkamer weer afgeven.
Soms troffen ze elkaar na de avonddienst onder de verste boom van de kloostertuin. De monniken zorgden ervoor dat de takken van de kastanje niet meer tot over de muren groeiden, maar dat gaf niet. De twee innig verbonden broeders gingen naast elkaar tegen de stam zitten en dan luisterde Alcuïn naar alle fantastische verhalen die Eanbald te vertellen had.
Een heel enkele keer sliepen ze daar nog hand in hand samen op het mos. De mannen waren echter inmiddels oud en wereldwijs genoeg om te beseffen dat het afgelopen was met hun carrière als iemand hen daar ooit per ongeluk zou aantreffen. Alcuïn vond het lesgeven zo fijn dat hij een overplaatsing niet wilde riskeren en ook Eanbald verkoos het om Alcuïn dicht bij zich te weten en niet alles te vergooien voor de nabijheid van een nachtelijke slaap.
Zodra meester Albert weer op reis ging, was Eanbald opnieuw van de partij en lieten ze school en bibliotheek over aan Alcuïn die altijd liever binnen zat, al wist de schoolmeester nooit precies waarom zijn assistent niet meer meewilde. Alcuïn merkte hoe moeilijk het is om zomaar vanuit het niets zomaar ineens over een pijnlijke gebeurtenis uit het verleden te vertellen, want er is eigenlijk nooit een goede aanleiding en op een plek waar niet gesproken wordt is het extra lastig. Gelukkig kon Eanbald goed geheimen bewaren en heeft hij nooit iets van het voorval in de Sint Pieter aan meester Albert laten doorschemeren.
Op een ochtend verscheen aartsbisschop Egbert niet bij de ochtendmis, terwijl de goede man in zijn lange loopbaan nooit een dienst had overgeslagen. Toen zijn plaatsje aan de ontbijttafel ook leeg bleef, gaf meester Albert aan zijn assistent de opdracht om even bij de aartsbisschop te gaan kijken. Eanbald, die net terug was van zijn tweede reis, liep met Alcuïn mee en vertelde in de doodstille gangen opgewonden fluisterend over alles wat hij had meegemaakt. Totdat ze de cel van aartsbisschop Egbert openden en de man in een verkrampte houding op zijn strozak aantroffen. Aan de grimas en het grijsbleke gezicht zagen ze meteen dat hij dood was.
Eanbald hield abrupt zijn mond, keerde zich om en haastte zich terug naar de refter om de andere monniken in te lichten dat het hoofd van hun kathedraal en klooster was heengegaan.
Alcuïn bleef alleen achter in de kille donkere cel. Hij had nog nooit een dode gezien en aarzelde dichterbij te komen. Maar de ogen van de aartsbisschop staarden zo akelig in den vreemde dat iemand ze nodig moest sluiten. Moedig drukte Alcuïn met zijn vingers de oogleden zachtjes toe. Het voorhoofd en de wangen voelden eigenaardig aan, zo koud en stijf.
Met gesloten ogen zag het er al beter uit, zag de schoolmeestersassistent. Voordat de anderen kwamen, veegde hij nog snel even een kruisje met zijn duim op het voorhoofd van de oude aartsbisschop en bedankte hem voor alle goede zorgen. Toen verscheen meester Albert naast het bed en nam de leiding over.
Hoofdstuk 2: Een nieuwe aartsbisschop
Er braken drukke tijden aan. Alcuïn had geen moment rust om naar zijn broeder te luisteren, terwijl Eanbald dit keer toch helemaal naar Spanje was afgezakt om de mooiste wiskundige boeken op te duikelen. Er moest van alles geregeld worden.
De alom beweende aartsbisschop werd met gepaste eer en soberheid begraven. De hele week hield men missen voor zijn nagedachtenis en ziel.
Ondertussen was er in de kloostergangen een stuk meer bedrijvigheid dan normaal, in ieder geval schreden de monniken met snellere passen dan anders. Het zag er soms zelfs gehaast uit, want er moest een nieuwe aartsbisschop gekozen worden. Dat was niet zomaar iets en velen aasden op deze hoogst haalbare positie.
Bij de stemming was het oordeel van de kloosterlingen echter unaniem. Iedereen had schoolmeester Albert aangewezen als meest geschikte opvolger. Daarmee veranderde Alcuïns leven enorm. Hij werd namelijk als vanzelf de nieuwe schoolmeester. Niet voor wat betreft het werk, want dat deed hij als assistent toch al, dus dat maakte geen verschil. Echter, om officieel tot meester van de kathedraalschool van het klooster van York te kunnen worden benoemd, moest Alcuïn vooraf tot deken worden gewijd. Dat was de eerste stap van een geestelijke op weg om monnik te worden. Voortaan droeg Alcuïn een bruine wollen pij, net als alle geestelijken in het klooster, maar hij kreeg nog geen gladgeschoren kruin. De tonsuur kwam pas als hij misschien ooit eventueel tot priester zou worden gewijd.
De promotie betekende ook dat hij een eigen cel in het klooster kreeg en dus niet meer naast Eanbald op de leerlingenzaal zou slapen. Voor beiden was dat een pijnlijke verandering en toen Alcuïn zijn spullen kwam halen, namen de beide broeders afscheid van elkaar alsof een van hen voor altijd op reis zou gaan. Zelfs de omhelzing voelde anders nu Alcuïn een dikke pij aan had en Eanbald zijn vertrouwde toga. Natuurlijk zouden ze elkaar nog dagelijks zien, maar wel veel minder. In de refter konden ze niet meer in stilte naast elkaar zitten, omdat Alcuïn nu aan tafel bij de kloosterlingen moest aanschuiven en ook tijdens de diensten in de kathedraal had het nieuwe schoolhoofd een andere plek toebedeeld gekregen. Snel benoemde hij Eanbald tot zijn vaste assistent. Ze waren allebei begin dertig, maar vonden het toch aangenaam om elkaar overdag in de klas tenminste nog om zich heen te weten.
Er was alleen één probleem. Iemand moest het pallium voor de nieuwe aartsbisschop gaan halen. Het pallium is een soort witte sjerp van lamswol dat een aartsbisschop draagt ten teken dat hij hoogstpersoonlijk zijn gezag van de paus zelf heeft gekregen. Een van de mannen uit het klooster zou die hele lange gevaarlijke weg naar Rome moeten afleggen om dat kleine lapje stof bij paus Adrianus te gaan halen.
Geen haar op het hoofd van Alcuïn – en hij had ze gelukkig nog allemaal – dacht eraan om naar Italië te reizen en al helemaal niet om terug te gaan naar de plaats waar hij ooit zo kwaadaardig was aangevallen. De gebeurtenissen hadden een plekje gekregen in zijn geest, diep opgeborgen achterin een lade van de minst gebruikte kast in zijn geheugen. Voor geen goud zou hij echter nog eens voet in de Sint Pieterskerk zetten of langs het graf van de heilige Petrus lopen.
Eanbald, die net terug was van een lange reis, stond echter te popelen om weer te vertrekken, dus kon Alcuïn zijn vriend gelukkig in zijn plaats op pad sturen. Albert kon dit keer zelf niet mee. Als aanstaande aartsbisschop had hij simpelweg teveel te doen.
Ditmaal zag Alcuïn zijn broeder met pijn in het hart in zijn eentje vertrekken. Eanbald zwoer dat hem niets zou overkomen. Hij kende de weg en zou goed op zichzelf passen, maar hoe kon hij dat zo zeker weten? Een mens had zelf niets te zeggen over het lot dat hem trof.
“Maar je kunt het lot wel een handje helpen,” had die malle Eanbald gelachen en toen toonde hij zijn vriend een scherp mes dat hij uit de keuken van het klooster had ontvreemd en voortaan bij zich zou dragen. Dat ging geheel tegen alle voorschriften in! Het was als monnik verboden om wapens te dragen, alle leven is tenslotte heilig.
“Ik ben nog geen monnik,” verontschuldigde Eanbald zich.
“En jouw leven is ook heilig, dat mag je best beschermen,” knikte Alcuïn goedkeurend en hij tekende zegenend met zijn duim een kruisje op het voorhoofd van zijn broeder.
Ze zwaaiden naar elkaar totdat het niet meer kon en Alcuïn zei iedere avond voor het slapen gaan in zijn koude kloostercel een extra intens gebedje voor Eanbald, want hij was er niet gerust op.
Met Pasen, de dag waarop Albert als nieuwe aartsbisschop werd aangesteld, was Eanbald nog steeds niet terug. Voor de aartsbisschop maakte dat niet uit. Zo’n pallium kon best een tijdje wachten. Bij aartsbisschop Egbert had het drie jaar geduurd voordat het pauselijk gezag goed geregeld was. Maar waarom liet Eanbald zo lang op zich wachten? De bergpassen zaten vast dicht met sneeuw, het was tenslotte een strenge winter geweest, hield Alcuïn zijn ongerust kloppende hart voor. Als zijn vriend iets was overkomen zou hij dat toch wel gevoeld hebben? Hij moest gewoon rustig Eanbalds terugkomst afwachten.
Een van de eerste dingen die de nieuwe aartsbisschop Albert deed was een extra sleutel voor de boekenkamer laten bijmaken. Hij had gezien hoe zorgvuldig Alcuïn alle manuscripten in de bibliotheek had geordend en opgeschreven, daar zou hij zelf voorlopig geen tijd voor hebben. Dus hij stelde de nieuwe schoolmeester voor om in het vervolg samen zorg te dragen voor hun schatkamer vol gedachten.
Dat klonk Alcuïn als muziek in de oren. Hij had namelijk een plan: als nieuwe schoolmeester wilde hij zelf een boek schrijven! Alle andere leerboeken die hij tot nu toe had ingezien stonden vol saaie droge stof. Het vergde al zijn inzet en talent om daar als docent een aantrekkelijke les uit te peuren. Vol medelijden dacht Alcuïn aan alle andere schoolmeesters in de andere kloosters die dat talent niet hadden én aan de arme leerlingen die zich door de taaie schoolstof moesten worstelen. Leerlingen die later op de hoogste posities in de kerk terecht zouden komen.
In de ogen van Alcuïn was een goede opleiding van het grootste belang om verantwoordelijke mensen te kweken. Wie goed kon nadenken, zou betere keuzes maken. Als iemand sterke argumenten had, kon diegenen rustig spreken in plaats van schreeuwen of geweld te gebruiken. Alleen degelijk onderwijs kon de noodzakelijke basis leveren voor deugdelijke communicatie en een vreedzame omgang met elkaar.
Dus nam Alcuïn een geprepareerd schapenvel, ging achter zijn lessenaar staan en dacht na. Had hij niet ooit eens een zeer geslaagd raadseltje opgegeven over een kool, een geit en een wolf? Daar waren vast nog wel meer varianten op te bedenken. Wat nu als drie broers samen met hun bloedmooie echtgenotes naar de overkant van een rivier wilden en ze slechts één tweepersoons bootje hadden. De vrouwen liet hij er zo mooi uitzien dat het onverstandig was om een van de andere broers bij hun jonge echtgenotes achter te laten. Er verscheen een lach om de mondhoeken van Alcuïn terwijl hij schreef. Zoveel plezier had de nieuwe schoolmeester in zijn eigen grappige verzinsels.
Ook op de andere puzzels verzon hij varianten: op een trap naar de hemel zaten ontelbaar veel duiven, eentje vliegt er op van de eerste trede, twee van de tweede. Hoeveel duiven zijn er naar de hemel gevlogen als je op de honderdste trede staat?
Net wilde hij een som bedenken over een os die een akker omploegde of daar werd plotseling de deur van de boekenkamer opengetrokken en stormde Eanbald naar binnen. In een paar stappen was hij bij zijn vriend en vloog hem in de armen.
Daar was Eanbald.
Eanbald was terug!
Hij was bijna een half jaar weggeweest. Zo lang had de reis dit keer geduurd. Alcuïns hart maakte een sprongetje van blijdschap en er prikten tranen van vreugde achter zijn ogen. Al die tijd had hij niets van zijn broeder gehoord en hoe langer het duurde, des te meer zorgen had hij zich gemaakt. Maar met Eanbald was niets aan de hand. Het reizen was juist erg voorspoedig gegaan en daarom had hij er eigenhandig een stukje aan vastgeknoopt.
Vol enthousiasme vertelde Eanbald over de dingen die hij had gezien en meegemaakt. Dat reizen was zozeer zijn lust en zijn leven, dat Alcuïn niet eens boos op hem kon worden omdat hij hem zo in de zorgen had laten zitten.
“Er zullen ons weer prachtige manuscripten toegestuurd worden, broeder. Zelfs eentje van Chrysostomos.”
Eanbald wist precies hoe hij de nieuwe schoolmeester warm kon laten lopen. Hij had de bezorgde rimpels op het gezicht van Alcuïn wel zien, maar Chrysostomos was een schot in de roos. Deze oude Griekse redenaar miste nog in hun collectie. Ze hadden al vaker naar werk van de goede man laten zoeken, maar zijn manuscripten waren zeldzaam.
“Is het heus? Een echte Chrysostomos? Waar heb je die gevonden?” riep Alcuïn opgewonden. Bleek Eanbald toch helemaal naar het klooster te zijn afgereisd waar verschillende koren elkaar dag en nacht afwisselen, zodat er altijd ergens op aarde liederen voor God gezongen werden.
Ze spraken samen tot diep in de nacht, gezeten aan tafel in de boekenkamer en waren allebei zielsgelukkig dat ze weer samen waren.
Hoofdstuk 3: Nieuwe assistenten
Sinds Alcuïn de nieuwe meester in York was bloeide de kathedraalschool op als nooit tevoren. Ondanks de verplichte stilte en de dikke kloostermuren verspreidde het bericht over het inspirerende onderwijs in de Northumbrische stad zich al snel door heel het land, tot in het buitenland toe. Van heinde en verre stroomden nieuwe leerlingen binnen om samen aan Alcuïns voeten te zitten en de honing van zijn kennis in te drinken.
Wat kon die man boeiend vertellen! Met aanstekelijk vuur bracht hij de meest dode teksten weer tot leven. Hij probeerde de onervaren geesten niet een onhaalbare berg op de duwen, maar daagde ze uit tot vragen en tegenspraak, tot verwondering en suggestie.
Door zijn eigen eeuwige honger naar het waarom achter de dingen en zijn niet aflatende dorst naar studie werd op een gegeven moment zelfs gefluisterd dat Alcuïn een van de meest geleerde mannen van zijn tijd was geworden. De bibliotheek die hij beheerde was – mede door de eindeloze zoektochten van Eanbald – in ieder geval uitgegroeid tot een van de grootste van Engeland en zelfs van het uitgestrekte Frankenrijk. In Canterbury en Parijs was zijn gelijke niet te vinden. Slechts het boekenbezit van de paus in Rome was groter.
Alcuïn was onvermoeibaar. Iedere dag opnieuw stond hij met frisse energie voor dag en dauw op, zocht in de kostbare bibliotheekboeken naar bruikbare kennis en deelde daar de hele dag van uit aan zijn leerlingen: de één liet hij proeven van de zoete vruchten van grammatica, een ander schonk hij de bedwelmende wijn van literatuur of de meest prachtige bloemen van de heilige Schriften.
Op alle andere uren schreef hij zijn eigen lesboeken en liet die in het scriptorium van het klooster kopiëren, zodat ook docenten elders in het land konden genieten van de geestige creatieve raadseltjes die hij had verzonnen. Of… had hij ze eigenlijk wel zelf verzonnen? Vandaag was het grote feest van Pinksteren en vierden ze de gave van de heilige geest. Was het niet veel eerder die geest van God die hem de vrolijke puzzeltjes influisterde? Tenslotte betekende het Latijnse woord voor inspiratie letterlijk “adem van de geest”. Moest God niet zelf hartelijk lachen om het plezier dat deze manier van lesgeven leerlingen bezorgde?
Voor Alcuïn was Pinksteren altijd al zijn favoriete feestdag en dit jaar helemaal, want tijdens deze dienst werd Eanbald gewijd tot deken. Dat betekende dat zijn broeder nu ook de pij aankreeg en voortaan weer naast hem aan tafel zat in de rijen met andere monniken bij het eten. Ook kreeg Eanbald een kloostercel naast die van Alcuïn aangewezen en daarmee sliepen ze weer als vanouds naast elkaar, alleen met een dikke koude muur ertussen. Eanbald kreeg andere taken toebedeeld en kon niet langer Alcuïns assistent zijn, al bleef hij nog wel regelmatig de wereld afreizen op zoek naar nog meer mooie boeken.
Een tijdlang weigerde Alcuïn om een nieuwe assistent aan te wijzen, want niemand kon Eanbald vervangen. De groep was alleen zo groot geworden dat hij al vrij snel merkte echt een hulpje nodig te hebben. Meerdere zelfs. Uiteindelijk wees hij zowel Sigwulf als Fredigius aan. Twee intelligente leergierige jongens die ongeveer in dezelfde periode aan het klooster waren afgegeven en nu als gezworen broeders door het leven gingen. Hun hechte band deed Alcuïn met veel genoegen aan zijn eigen vriendschap met Eanbald denken. Zouden zij ook stiekem samen in een bed slapen? Alcuïn hoopte dat hij de beide vrienden nooit zou betrappen, want dan zou hij hen moeten bestraffen en dat wilde hij pertinent niet. Dus kneep hij bij voorbaat een oogje toe als hij dacht een van de twee door de kloostertuin naar de verste boom te zien sluipen. Zouden ze samen gaan zwemmen, die twee? Het mocht niet, maar hij liet ze. Zoals ook aartsbisschop Albert, toen die nog hun schoolmeester was, hem en Eanbald wellicht ooit had laten gaan.
Op een dag zat er een opmerkelijk jongetje in de refter. Het was zijn eerste dag en hij had zijn wereldse kleren nog aan. In tegenstelling tot alle voorgaande nieuwelingen zat dit joch niet ineengedoken verdwaasd voor zich uit te staren, maar keek hij vrolijk rond, nieuwsgierig naar de andere wereld waarin hij was beland. Het kind at zijn eten keurig op en sliep al voordat Eanbald de nachtelijke zegen kwam brengen, zo zag Alcuïn. Altijd als er een nieuweling was aangekomen liep hij met zijn vriend mee om troost te bieden op de eerste avond in het klooster.
Nooit meer ging Alcuïn in bed liggen bij net aangekomenen, maar het hielp vaak al om hen onder te stoppen met een vriendelijk woord. Soms nam hij kinderen die niet konden wennen en bleven huilen de volgende dag even midden in de klas op schoot en streelde net zolang over hun rug totdat het ergste verdriet bedaarde. Dan leidde hij hun geest af door aan te knopen bij iets wat het kind interesseerde. Dat hielp meestal goed, al bleef de overgang naar het kloosterleven voor de meesten in het begin erg wennen.
Witzo was echter anders. Hij leek dolblij in het klooster te zijn opgenomen en zielsgelukkig dat hij naar school mocht. Zijn ouders waren jong gestorven, die had hij nooit gekend. Zwervend van familielid naar familielid was hij eigenlijk nergens echt welkom geweest. Hier in York bij de monniken voelde hij zich daarentegen direct thuis. Het kind bezat humor en een levendige geest. Alcuïn verheugde zich zo in de jongen dat hij hem spontaan tot zijn derde persoonlijke assistent uitriep, tot grote dankbaarheid van Witzo die alle dagen huppelend door de gangen liep. Het was zo vertederend om te zien dat Alcuïn regelmatig “vergat” de jongen tot waardig schreiden te manen.
Jarenlang gaf meester Alcuïn les, ving nieuwe leerlingen op en begeleidde hen door hun leerschool tot monnik. De meesten liepen weg met hun begenadigde leraar. Soms echter ging het mis. Dan kon Alcuïn de juiste toon niet vinden. Het gebeurde slechts een enkel keertje, zoals bij Osulf. Die was en bleef ontroostbaar, wat Alcuïn ook deed. Toen de schoolmeester hem tenslotte tot zijn vierde assistent benoemde in de hoop dat dat zou helpen, bleef Osulf boos en stuurs, alleen het huilen hield gelukkig op.
Hoofdstuk 4: Terug naar Rome
Ruim tien jaar gaf Alcuïn les in de kathedraalschool. Heerlijke jaren van studie, onderwijs en heilig leven. Jaren waarin Alcuïn was uitgegroeid tot een zelfbewuste man in de kracht van zijn leven. Onder zijn leiding floreerde de kathedraalschool zodanig dat hij alle vier zijn assistenten hard nodig had. Het klooster barstte bijna uit zijn voegen van de grote toestroom aan nieuwe leerlingen in de loop der tijd. Misschien waren dit wel de gelukkigste jaren van zijn leven, dacht Alcuïn regelmatig, want wat gaf nu grotere bevrediging dan je passie vinden en uit te leven? Het voelde alsof hij zijn zielenlicht van binnenuit liet schijnen.
Het leven was goed, totdat op een dag het noodlot toesloeg. Op 8 november 780 overleed totaal onverwacht aartsbisschop Albert, tot groot verdriet van de hele gemeenschap van York en vooral van Alcuïn die altijd zo nauw met zijn oude leermeester had samengewerkt.
Tijdens de dienst en de begrafenis kon Alcuïn zijn aandacht echter bijna niet bij het zingen houden. Zonder het te willen dwaalden zijn gedachten af: wie moest er nu aartsbisschop worden? Het meest voor de hand liggend was als hij – Alcuïn – die baan zou krijgen. Maar dan moest hij afscheid nemen van zijn geliefde leerlingen, van lesgeven en boeken schrijven. Dat nooit! Kennis vergaren en uitdelen was zijn leven, daar kreeg hij energie van, daar bloeide zijn ziel van op. Als aartsbisschop kreeg hij veel meer regeltaken, dat was niets voor hem. Of was dat precies hetgeen waartoe God hem nu beriep?
Tot Alcuïns grote opluchting luisterden de monniken naar de wensen van hun geëerde schoolmeester. Ze waren maar wat blij met de internationale roem van hun school en bibliotheek en dat was enkel en alleen te danken aan de bezielde lessen van Alcuïn. Unaniem verkozen ze Eanbald – jarenlang Alcuïns rechterhand tenslotte – tot aartsbisschop van York.
Voor Eanbald kwam deze benoeming als een totale verrassing en hij moest er even over nadenken. Als hij die hoge functie aannam was het gedaan met zijn verre reizen. Ach, hij had lang genoeg kloosters afgestruind. De boekenkamer was inmiddels rijkgeschakeerd en de kans om aartsbisschop te worden deed zich hooguit één keer in je leven voor. Hij deed het en het voelde goed.
Alcuïn was trots op zijn vriend en blij dat hij zelf schoolmeester mocht blijven. Alleen deed zich al snel een akelig probleem voor dat een schaduw wierp over hun geluk. Iemand moest voor Eanbald het pallium in Rome gaan halen bij de paus en de veelberezen Eanbald had meteen na zijn benoeming teveel taken om zelf te gaan.
In eerste instantie wilde Alcuïn nog een ander op pad sturen, maar toen mengde opeens koning Elfwald zich in de zaak. De koning van Northumbrië wilde graag een oorkonde waarin de paus schriftelijk zou bevestigen dat York inderdaad het aartsbisdom van Northumbrië was, zodat niemand dat bijzondere recht van zijn land ooit nog zou kunnen betwisten en daarom moest er iemand met aanzien en gezag naar de paus gestuurd worden. Het was voor iedereen duidelijk dat hun beroemde schoolmeester daartoe de enige juiste persoon was.
De zweet brak Alcuïn uit. Hij kreeg het beurtelings warm en koud van paniek. Hoe hij zijn creatieve geest ook afspeurde naar een oplossing, er was geen ander die ze konden sturen en hij wist dat hij moest gaan. Alleen. Naar Rome waar het graf van de heilige Petrus was.
Vol wanhoop zat hij in zijn kloostercel en bad hardop met zijn blote knieën op de koude grond. Kon zijn hemelse Vader deze beker niet aan hem voorbij laten gaan? Maar het kon niet en diep van binnen wist Alcuïn dat het Gods bedoeling was dat hij deze tocht zou maken.
Op allerlei manieren probeerde Alcuïn zichzelf moed in te praten: Eanbald was jaar in jaar uit op reis geweest en hem was nooit iets overkomen. Bandieten lieten geestelijken over het algemeen met rust, want die hadden zelden geld bij zich en de straf van God zou vast zwaarder zijn als je een van Gods mannen aanviel, zo was de algemene aanname. En je bent inmiddels een volwassen man van vijfenveertig jaar.
Alcuïn redeneerde en redeneerde. Misschien was het juist goed dat hij ging. Om zichzelf bloot te stellen aan zijn angsten, om de oude demonen uit het verleden op te ruimen. Zijn hemelse vader zou hier vast een bedoeling mee hebben. Wanneer een dienaar van God groepen wordt dan gaat hij, of hij durft of niet!
Dus Alcuïn ging. Hij verzamelde al zijn moed, wachtte tot de strengste winterdagen voorbij waren en ging op pad. Bij het afscheid gaf Eanbald hem het gestolen keukenmes mee dat hij zelf altijd bij zich had gedragen op zijn verre reizen. Als laatste tekende de kersverse aartsbisschop met zijn duim een kruisje op het voorhoofd van zijn vriend: “Ik zal voor je bidden, dat je veilig aankomt en behouden weer terugkeert.” Alcuïn bedankte zijn broer met een hartelijke zoen.
Hoofdstuk 5: Catharsis
De overtocht viel eigenlijk reuze mee. Er was een plekje aan boord van een schip voor Alcuïn geregeld dat hem rechtstreeks van de kust van Engeland naar Italië vervoerde. Dit keer hoefde hij niet eerst van klooster naar klooster te lopen op jacht naar bruikbare manuscripten. De schoolmeester zou simpelweg praktisch voor de deur worden afgezet.
Aan boord verdween het gespannen gevoel al snel. De bemanning was zoals altijd ruig volk, met stinkende kleren en grof in de mond, maar meer dan een paar ongezouten vloeken was van deze kerels niet te vrezen.
Het weer was zacht en de zee kalm. Tot zijn verwondering merkte Alcuïn dat hij zelfs genoot van de tocht. Zoals de zeilen bolden in de wind en de boeg het grijze water doorkliefde. Hij rook de zilte geur van de zee, hoorde het klotsen van de golven tegen de romp en voelde het opspatten van het buiswater tegen zijn gezicht. Eanbald had gelijk. Reizen was best prettig.
Het laatste stukje van de tocht legde Alcuïn te voet af. Het wandelen beviel hem best na zoveel tijd op een wiebelig schip te hebben doorgebracht. Hoe dichter hij bij de heilige stad kwam echter, des te zenuwachtiger hij werd. Voortdurend sprak de schoolmeester zichzelf hardop op belerende toon toe:
“Het is bijna twintig jaar geleden.”
“De belagers van toen zijn allang dood.”
“Je hebt nu een mes bij je.”
“Je bent groter en sterker.”
“Zorg gewoon dat je steeds in de buurt van andere mensen bent, dan kan er niets gebeuren.”
Maar hoe hij ook probeerde het angstige stemmetje in zijn hoofd gerust te stellen, het hielp niet.
Hij besloot de stad via de andere kant binnen te gaan en benaderde de Sint Pieter vanaf de achteringang waar het gastenverblijf voor geestelijken was. Eenmaal tussen de dikke muren van het kloostergebouw omringd door monniken voelde hij zich veilig. Daar verbleef Alcuïn een paar dagen tot de dag dat hij een audiëntie had bij paus Adrianus. Op dat moment kon hij een bezoek aan de kerk van de Sint Pieter niet langer uitstellen.
Dapper raapte Alcuïn al zijn moed bij elkaar, zei een schietgebedje en ging met knikkende knieën op weg. Ook dit keer moest hij het plein voor de ingang van de kathedraal oversteken. Alleen leken de galerijen aan weerszijden hem ditmaal niet beschermend te omarmen maar eerder weg te duwen. In de verte zag Alcuïn de deur waar hij doorheen moest en waarachter het graf van de heilige Petrus was.
Hij probeerde het plein over te steken, maar het ging gewoon niet. Het was net alsof een paar onzichtbare handen hem tegenhielden. Er leek een muur van doorzichtig glas te staan tussen hem en de kerk.
Alcuïn wist dat hij naar binnen moest. De tijd drong. Nog even en dan zou zijn audiëntie met de paus beginnen.
Telkens opnieuw nam hij een soort aanloop, maar steeds kreeg hij het benauwd en week weer van de rechte lijn naar de deur af. Hij baadde in het zweet en raakte in ademnood. “Stel je niet aan, man,” sprak hij zichzelf streng toe terwijl zijn hart als een razende tekeer ging. “Je moet nu echt naar binnen anders ben je te laat en een paus kun je beslist niet laten wachten.”
Er kwam een groep monniken aan die ook onderweg naar de kerk leken. Alcuïn nam een hap lucht en haakte aan. Als laatste in de rij liep hij tot bij de ingang. Nog een paar passen, dan zou de gevreesde plek te zien zijn.
Opeens kon hij geen meer stap verzetten, hijgde, haperde en zakte in elkaar. Daar lag hij. Op de grond. De meest geleerde man van heel Europa was voor het oog van de wereld in katzwijm gevallen.
Van alle kanten snelde hulp toe. Er kwam een brancard waar het slappe lichaam van de bewusteloze monnik voorzichtig op neergelegd werd en toen rende men in looppas met hem naar de ziekenbroeders. Die konden Alcuïn slechts met de grootst mogelijke moeite weer bij brengen. Ze besloten hem een paar dagen op zaal te houden om aan te sterken.
“De paus,” kon Alcuïn nog net uitbrengen voordat hij opnieuw flauwviel. “Ik had een afspraak.”
Er werd een bericht naar paus Adrianus gestuurd dat de geleerde schoolmeester Alcuïn uit York verhinderd was en met spoed wegens flauwte in de ziekenboeg van de Sint Pieter was opgenomen.
Die nacht kreeg Alcuïn koorts. Hij lag te rillen in het ziekenhuisbed. Afwisselend voelde zijn lichaam ijskoud en gloeiend heet aan. Ondertussen leek hij het niet te kunnen laten om voortdurend met zijn tanden te klapperen.
De doktoren maakten zich ernstige zorgen. Ze hadden geen idee wat de geleerde mankeerde. Hij kon wel een enge vreemde ziekte onder de leden hebben. En de dingen die hij uitkraamde waren niet bepaald wijs. Er was geen touw aan vast te knopen. De goede man ijlde dag en nacht. Over messen en castratie en het graf van de heilige Petrus.
De verzorging in het Vaticaan was echter uitstekend en na een week flink zweten leek de koorts te zakken. Toen dat eenmaal gebeurde knapte Alcuïn zienderogen op.
“Ik weet niet wat voor duiveltje bezit van u genomen had,” sprak de arts ernstig toen hij Alcuïn ontsloeg, “maar u hebt hem goed uitgezweet en bent hem nu vast kwijt.”
Alcuïn bedankte alle monniken op de ziekenzaal uitbundig voor de goede zorgen en ging naar buiten in de zon een eindje wandelen. Hij voelde zich als herboren. Zo moest Jezus zich gevoeld hebben toen hij opstond uit de dood. Een zeer toepasselijke gedachte, want Alcuïn had juist met Pasen bewusteloos op de ziekenzaal gelegen.
De angst heeft toch ergens jarenlang diep in mij gehuisd, dacht hij al lopend bij zichzelf. Het is in me gekropen toen die kwaadwillende mannen mij aanvielen en het is nooit meer weggegaan. Maar ik wil er graag afscheid van nemen en daar is maar één manier voor: eropaf!
Dus trok hij de stoute schoenen aan, keerde terug op zijn schreden en liep richting Sint Pieter. Daar zag hij het plein al liggen en even verderop de ingang. Rustig ademend, maar vastbesloten, liep Alcuïn de trap op en de deur door. Dit keer stond hij in één keer binnen.
Voor hem lag het graf van de heilige Petrus. Even sloot Alcuïn zijn ogen en wachtte totdat het draaien in zijn hoofd verdwenen was. Toen keek hij op, welbewust. Het graf lag er nog precies zo bij als in zijn herinnering.
Rondom zaten verschillende mensen in gebed verzonken. Het zag er vredig uit. Op het gezicht van een enkeling stond een gelukzalige glimlach. Dat raakte Alcuïn. Tranen welden op vanuit zijn binnenste. Zo’n gevoel van geluk herkende hij. Vlak voordat hij was aangevallen had hij zich ook zo gevoel. Even totaal opgetild, gevuld en verbonden met God.
Wat verschrikkelijk dat een paar mannen hem het mooiste hadden afgenomen dat hij ooit had bezeten: een gevoel van verbondenheid. De angst had zijn bijzondere ervaring volkomen weggespoeld, maar nu hij hier was herinnerde hij het zich weer.
Alcuïn barstte in luid snikken uit, zette een paar stappen in de richting van het graf en viel toen voorover in gebedshouding neer. Niemand keek vreemd op van een hardop huilende man in een bruine pij die plat op zijn buik op de marmeren vloer lag met zijn gezicht naar de grond. Het graf van Petrus was het einddoel van menig pelgrimstocht, dus regelmatig stortten hier wildvreemde mensen ter aarde bij het zien van deze heilige plek. Meestal van blijdschap en opluchting, maar soms – zoals nu – van diep verdriet.
Alcuïn huilde en bad. Zodra hij zijn gevoelens de vrije loop liet, ging het gesprek met God een heel andere kant uit dan hij had verwacht. Voor zijn geestesoog zag hij weer de mannen die hem pijn hadden gedaan, maar in plaats van de inmiddels vertrouwde woede, voelde hij plotseling medelijden. Hij zag hun gekwelde gezichten en hoorde voor het eerst weer de woorden die ze tegen elkaar hadden gesproken. Uit alles bleek dat een van hen ooit gemolesteerd was door een geestelijke in de tijd dat hij nog maar een klein kind was. Hoe erg was dat! Het vertrouwen van een onschuldig kind was zo beschaamd dat het een scheefgegroeid mens tot gevolg had. Wie viel dat het meest te verwijten? Alcuïn besloot voortaan samen met Eanbald nog beter op te letten dat hun leerlingen in de kathedraalschool geen haar gekrenkt werd.
Al biddend sloot Alcuïn vrede met zichzelf en met alles wat er gebeurd was. Het verdriet ebde weg en een serene rust daalde neer in zijn hart. Zijn ziel vulde zich met licht, net zoals toen, stralend en wit.
Het was goed dat God hem naar deze plek had teruggestuurd. Niet om de paus te ontmoeten, maar om zichzelf weer tegen te komen.
Na een tijdje stond Alcuïn op en liep naar buiten. Hij voelde zich anders. Lichter. Met een heldere oogopslag keek hij het zonovergoten plein rond. Zijn tred veerde als nooit tevoren toen hij op willekeurige voorbijgangers toeliep en hen vrolijk begroette. Lachend maakte hij een praatje en zelfs grapjes met wie hij maar tegenkwam. Van pure blijdschap zou hij de hele wereld wel willen omarmen, zo bevrijd voelde de monnik zich. Alsof hij niet meer bang voor andere mensen hoefde te zijn.
Hoofdstuk 6: De omweg
De volgende dag mocht Alcuïn opnieuw op audiëntie bij de paus. Het schoolhoofd van York was niet bang, maar voelde wel een diep ontzag. Paus Adrianus was tenslotte de plaatsbekleder van Christus hier op aarde en daarmee het hoogste kerkelijk gezag.
In een rijkversierde zaal, op een verhoogde troon, zat een magere man van middelbare leeftijd, gehuld in een dure mantel. Aan al zijn vingers flonkerden ringen, zelfs rond de middelste kootjes. Onder zijn habijt staken luxe schoenen van herteleer uit.
De geleerde boog diep voor deze belangrijkste man van God, stelde zich netjes voor en noemde waar hij voor kwam. De paus zei geen woord, maar gebaarde naar een van zijn lakeien. Die snelde toe met een oorkonde en een opgerold lapje stof. Zonder Alcuïn aan te kijken stopte de lakei de beide dingen in diens handen. Toen kon de schoolmeester weer gaan. Een tel later stond Alcuïn verbouwereerd weer buiten. Was hij daar dat hele eind voor gekomen? Nou ja, niet zeuren, hij had de oorkonde voor koning Elfwald en het pallium voor zijn vriend Eanbald. Hij kon naar huis.
Nog diezelfde dag pakte Alcuïn zijn spullen en begon in de richting van de haven te lopen. Twee lange dagen deed hij erover om bij de kust te komen. Er was op dat moment alleen geen schip dat naar Engeland voer. Alcuïn zocht de kade af, maar zag nergens een klooster om te overnachten, enkel herbergen. Hij koos de minst smerige, stapte naar binnen en vroeg de herbergier om een plaatsje voor de nacht. Natuurlijk kon de eerwaarde een slaapplek krijgen, totdat de waard hoorde dat Alcuïn geen geld bij zich had. “Voor niks gaat de zon op, schooier,” bromde de man van achter zijn tap en maakte een wegwuif gebaar.
Even stond Alcuïn besluiteloos stil. Wat moest hij nu? Normaal sliep hij gratis in kloosters en abdijen, maar die stonden hier niet. Waar kon hij naar toe? Buiten slapen was veel te gevaarlijk al droeg hij een mes bij zich. Wacht… Het mes! Dat had hij niet meer nodig nu hij niet meer bang was en hij kon er mooi zijn overnachting mee betalen. Snel diepte hij het ding op en legde zijn wapen plat op de toonbank onder de neus van de herbergier. Die pakte het op en bekeek het kleinood aan alle kanten. Op zijn gezicht brak een glimlach door. “Voor deze prijs doe ik er ook nog een maaltijd bij. Neem plaats, wilt u een biertje?” Toen was het weer eerwaarde voor en eerwaarde na.
Alcuïn zocht een plekje in het midden van de zaak en dronk langzaam van zijn kan bier. Ondertussen maakte de herbergier een praatje met hem. Het was geen kwaaie pier. Nieuwsgierig vroeg de biertapper waar zijn nieuwe gast vandaan kwam. Zodra hij hoorde dat Alcuïn net in Rome was geweest, wilde de man weten of die dan ook Karel de Grote had gezien, de koning der Franken. Alcuïn zette grote ogen op. Karel de Grote? Hoezo?
De waard wist te vertellen dat de beroemde koning van het Frankenrijk de afgelopen winter in Rome had verbleven. “Samen met zijn gezin.” Terwijl hij met een smoezelige doek de tafels poetste, begon de herbergier smeuïg te vertellen wat hij allemaal over Karel de Grote gehoord had.
“Ze zeggen dat hij de naam van zijn zoon Karloman tijdens de afgelopen Paasdagen om heeft laten dopen tot Pepijn.” Alcuïn keek de poetsende man verbaasd aan. “De koning heeft toch al een zoon die Pepijn heet? Of is die overleden? Daar heb ik niets van gehoord.”
De herbergier rechtte zijn rug en likte zijn lippen vochtig. Het was duidelijk dat hij enorm in zijn nopjes was met een gast die nog van niks wist en aan wie hij de nieuwste roddels kon vertellen. Of roddels? Dit waren feiten! Karel de Grote had een oudste zoon uit een eerder huwelijk, in de volksmond Pepijn-met-de-bult geheten, maar deze winter was de koning met een andere zoon naar de paus gereden, helemaal vanuit het grote Frankenrijk de hoge Alpen over naar Rome, om deze jongen te laten omdopen van Karloman in Pepijn.
Er kwam een groepje stamgasten binnen die zich in het gesprek mengden: “Pepijn is een echte koningsnaam,” wist er eentje te vertellen. “Zo heette de vader van Karel de Grote ook.”
“Het is duidelijk dat de koning zijn oudste zoon onterfd heeft en wil dat deze zoon hem opvolgt,” riep een ander.
Alcuïn vond het maar een raar idee om een kind halverwege zijn leven een andere naam te geven. Uit alle verhalen die hij hoorde bleek wel dat hij veel gemist had in de week dat hij ziek was geweest.
Die nacht in de herberg sliep Alcuïn slecht. Ten dele door het belabberde bed en de stinkende lakens, maar ook omdat hij eigenlijk nog helemaal geen zin had om aan boord van een schip te gaan. Dat wandelen van de afgelopen dagen was hem goed bevallen. Lekker in de buitenlucht en wat van de wereld zien. Hij zag er tegenop om zichzelf meteen weer op te sluiten tussen dikke kloostermuren. Eanbald had gelijk. Reizen was zalig. De vorige keer had zijn vriend ook ongevraagd en zonder overleg een omweg gemaakt voordat hij naar huis kwam met het pallium voor de vorige aartsbisschop. Ook de oorkonde van koning Elfwald kon best even wachten. Vol overgave besloot Alcuïn om een stukje aan zijn tocht toe te voegen en niet de snelste weg terug naar York te kiezen.
Voor dag en dauw stond hij de volgende ochtend op, vroeg aan de herbergier waar hij een klooster op een dagmars hiervandaan kon vinden en ging op pad. Er was echt een last van hem afgevallen en hij keek met open blik om zich heen alsof de wereld als nieuw was.
Zo liep hij wekenlang van klooster naar klooster. Langs akkers en velden, langs steden en dorpen, door weer en wind. Regen of hagel maakte hem niks uit. Alcuïn genoot met volle teugen van alles wat hij zag: mensen die hun land bewerkten en spullen verkochten op de markt, pelgrims en ruiters te paard op weg naar hun kasteel. “Net zoals mijn vader en broers,” dacht de schoolmeester en hij prijsde zich gelukkig met het leven dat hij leidde.
Hoofdstuk 7: Een bijzondere ontmoeting
Het was redelijk lenteweer geweest en de zomer beloofde heerlijk zonnig te worden. Alcuïn was nu ruim een maand op pad. Via prachtige steden als Sienna, Florence en Bologna was hij door het Italiaanse landschap naar het noorden gelopen. Soms kreeg hij een lift op een kar.
Over een paar dagen was het Pinksteren en Alcuïn besloot zijn lievelingsfeest in Parma te vieren. Als hij een beetje opschoot haalde hij dat nog makkelijk.
Een dag voor Pinksteren kwam hij in de stad aan en tot zijn grote verbazing bleek ook Karel de Grote met diens gezin in Parma te zijn neergestreken om de mis van morgen mee te maken. Nu kreeg Alcuïn de koning der Franken toch nog te zien!
Op zondagochtend in alle vroegte wandelde Alcuïn op zijn gemak naar de grote kerk van Parma om een goede plek voor de dienst uit te kiezen, maar dat kon hij vergeten. Bij de toegangsdeuren was het een drukte van belang. De hele stad was uitgelopen om de machtige koning te zien.
Geduldig wachtte Alcuïn zijn beurt af en ging toen rustig ergens in een verscholen hoekje zitten waar het nog stil was. Veel beter eigenlijk. Hij kwam tenslotte voor de mis. Vanaf hier kon hij misschien het vrijlaten van de duiven goed zien, een van de vaste onderdelen in een Pinksterdienst.
Aan het rumoer kon hij horen dat de koning arriveerde. Zelfs geen glimp ving Alcuïn van hem op en de schoolmeester merkte dat hij dat toch jammer vond. De koning der Franken droeg niet voor niets als bijnaam De Grote. Hij had een enorm rijk geërfd en breidde dat almaar meer uit. Bijna alle volkeren uit het Westen waren onder zijn heerschappij verenigd. Misschien was zijn gebied wel even groot als eens het roemruchte Romeinse Rijk!
Tussen de menigte liepen bewakers en lijfwachten van Karel de Grote om te controleren of er niemand een wapen bij zich had om de koning te doden. Plotseling bleef een opvallend kleine man voor Alcuïn staan en keek hem onderzoekend aan.
“Bent u niet Alcuïn, de schoolmeester van York?” De stem klonk krakend.
Alcuïn knikte. Zijn eigen reputatie als beste onderwijzer van Engeland was hem vooruitgesneld, zo te merken, al moest de goede schoolmeester zelf altijd een beetje lachen om die eer. Voor hem was er niets bijzonders aan. Lesgeven ging hem net zo gemakkelijk af als ademhalen.
De hoffunctionaris van koning Karel was weggesneld, maar stond een paar tellen later alweer voor Alcuïns neus. Hij stelde zichzelf voor als Einhard. “Maar iedereen noemt mij altijd De Kleine, u begrijpt wel waarom,” zei hij en probeerde een elegante buiging te maken. De man was inderdaad slechts tot halverwege de lengte van een gewone man gegroeid. Zijn hoofd leek daardoor buitengewoon groot. Met een piepstemmetje vroeg hij of de meester uit York genegen was de koning der Franken te ontmoeten.
De vraag verraste Alcuïn en hij keek de kleine man verbaasd aan. Die knikte hem vriendelijk toe ten teken dat het echt waar was. Karel de Grote had naar Alcuïn gevraagd zodra hij hoorde dat die in de kerk zat. Toen hoefde de schoolmeester geen moment langer na te denken. Snel stond hij op uit zijn bank en liep achter de hoffunctionaris aan, die op zijn kleine beentjes voor hem uit dribbelde door het gangpad en de menigte, naar helemaal vooraan in de kerk.
Daar zat koning Karel op de eerste rij. Een gespierde man met een stierennek en een klein buikje. Zijn lengte was zeven keer die van zijn voeten. Hij had een mooie kop met dik haar en een korte afhangende snor. Opvallend genoeg droeg hij op deze feestelijke dag gewoon de eenvoudige dracht van alle Franken. Naast hem zaten zijn vrouw en kinderen, ook redelijk sober gekleed. Alleen aan de gouden speld die zijn blauwe mantel dichthield en aan de edelstenen op hun riemen en schoenen kon je zien dat dit de koninklijke familie was.
Er verscheen een glimlach op het gezicht van de koning zodra hij Alcuïn zag. “Wel, wel, wel… Wie hebben we daar?” sprak hij met een veel melodieuzere stem dan men bij zijn stevige postuur zou verwachten, in het vloeiende Latijn dat alle hooggeplaatste mensen machtig zijn. De koning sloeg van plezier zijn handen in elkaar en nam Alcuïn van top tot teen op. Die stond er wat verlegen bij.
“Ze zeggen dat u de meest geleerde man van het Westen bent.”
Alcuïn maakte een bescheiden buiging. Wat moest hij anders?
“Als u zo wijs bent, leg me dan eens uit, beste man, wat we nu eigenlijk vieren vandaag,” vroeg de koning en hij ging even verzitten. “Kijk, de andere hoogtijdagen begrijp ik. Met kerst gedenken we Jezus’ geboorte en met Pasen dat hij stierf en weer opstond. Maar wat is Pinksteren?”
Daar zat de grote koning, heerser over een gigantisch rijk, en hij stelde zomaar voor het oog van iedereen een vraag. Hij deed dat bovendien op zo’n joviale manier dat Alcuïn in de lach schoot. Als vanzelf gleed hij in zijn vertrouwde rol van leraar, een hoedanigheid die hem paste als een tweede huid.
“U heeft geluk, sire. Toevallig is Pinksteren mijn meest geliefde feest,” antwoordde hij die het Latijn meer meester was dan wie dan ook. Alcuïn droomde zelfs in die taal.
Er verschenen lichtjes in de ogen van de koning. Dit was een man naar zijn hart, dat voelde hij meteen. De schoolmeester die voor hem stond was net de meest wijze man uit de wijde omtrek genoemd, maar hij had er geen kapsones van gekregen. Zie hem daar nu staan in zijn eenvoudige pij. Met zichtbaar plezier legde de geleerde in alle eenvoud het antwoord op de moeilijke vraag uit.
“De koning heeft gelijk als hij zegt dat Jezus met Pasen uit de dood is opgestaan. Maar pas op de veertigste dag van Pasen is onze Heer naar de hemel gegaan.”
“Met Hemelvaart,” riep een klein jongetje dat naast koning Karel zat. Het kind had een schattige bos blonde krullen en zal niet ouder zijn geweest dan een jaar of drie. Alcuïn had er meteen schik in.
“Heel goed,” prees hij de kleuter. “Dan weet je misschien ook dat Jezus vlak voor zijn Hemelvaart had beloofd dat hij de geest van God naar de aarde zou sturen?” Het jongetje schudde heftig zijn hoofd, dat hij dat stukje van het verhaal nog niet kende en daarbij schudden zijn blonde krullen zo parmantig om zijn kleine gezicht dat Alcuïn tranen van ontroering in zijn ogen kreeg. Wat een engeltje!
“Hoe heet je?” vroeg hij aan het kind.
“Lodewijk, meneer,” antwoordde het jongetje beleefd en stak snel een duim in zijn mond.
“Lodewijk, koning van Aquitanië,” verbeterde zijn vader en haalde de duim weg. De kleuter probeerde het na te zeggen, maar struikelde tot drie keer toe over het woord Aquitanië.
Alcuïn ging snel verder met zijn verhaal om het kind van deze tongbreker te verlossen.
“Op de vijftigste dag van Pasen hield Jezus zijn belofte en stuurde de geest van God naar de aarde. Tegen het getal vijftig zegt men in het Grieks Pentekostos. En daar komt ons woord Pinksteren vandaan.”
Het gezicht van koning Karel klaarde op.
“Ik begrijp het! Zo heeft niemand het mij ooit nog uitgelegd, maar dit is heel duidelijk. Bedankt, schoolmeester uit York. Je bent met recht een wijs man.”
De koning maakte zelfs een soort applausgebaar met zijn handen, onhoorbaar in de lucht. De kleine Lodewijk zag het en klapte direct ook in zijn handjes, waarop zijn vader plagerig diens krullen door de war gooide.
Alcuïn maakte een buiging en wilde alweer weggaan.
“Eén ding weet ik nog niet, geleerde heer,” hervatte de koning het gesprek alsof de dienst niet bijna op het punt van beginnen stond. “Waarom is dit jouw favoriete feest?” Haast ongemerkt was hij begonnen met jij en jou te zeggen.
Alcuïn lachte. Die vraag had nog nooit iemand hem gesteld. Hij hield van leergierige mensen en van nieuwsgierige vragen nog veel meer. Zonder aarzeling antwoordde hij. De schroom was geheel van hem afgevallen.
“Omdat deze dag mij eraan herinnert dat God ooit zijn geest als hulp naar de aarde heeft gezonden. En zoals de koning weet: wat eenmaal gegeven is, blijft gegeven. Dat betekent dat de heilige geest nog altijd hier voor ons aanwezig is en dat wij allen – niemand uitgezonderd – Gods hulp nog iedere dag mogen ontvangen.”
De mensen in de kerk waren stil geworden. Ademloos zaten ze naar Alcuïn te luisteren. Wat kon deze man mooi vertellen! Alcuïn merkte het en ging nog even door. Zoveel leerlingen hadden er nog nooit tegelijkertijd aan zijn lippen gehangen en hij genoot zichtbaar van alle aandacht.
“We noemen dat inspiratie, als de heilige geest ons iets influistert. Vooral als ik mijn boeken schrijf voel ik altijd heel sterk dat de bijzonderste dingen die mij te binnen schieten niet van mijzelf komen, maar mij invallen met de hulp van de heilige geest.”
Boven hun hoofden begonnen de kerkklokken luid te beieren. De koning nam snel de kleine Lodewijk op schoot en gebaarde Alcuïn dat hij op de vrijgekomen plek kon gaan zitten. De dienst begon.
Daar zat Alcuïn, tussen de koning en twee van diens andere zoontjes. Direct naast hem zat een jongetje dat slechts een jaar ouder leek dan de kleine Lodewijk. Alcuïn voelde medelijden met het kind dat een paar weken geleden nog Karloman heette en sinds kort als Pepijn door het leven moest. Daarnaast zat de roodharige Karel junior, die een heel stuk ouder was dan zijn broertjes. Pepijn-met-de-bult was nergens te zien.
Alcuïn probeerde zich op de dienst te concentreren, terwijl hij links van zich de warmte van koning Karels dij door zijn pij heen voelde. Gelukkig gebeurde er altijd veel in de Pinksterdiensten wat voor afleiding zorgde. Er werden duiven losgelaten als symbool voor de heilige geest, men strooide rond met blaadjes van pioenrozen en blies op de klaroen. Hier op de eerste rij had de schoolmeester geweldig goed zicht.
De koning leek in gedachten verzonken alsof hij ergens over nagedacht. Direct na de dienst bleek waar hij over had zitten prakkiseren. De laatste tonen van het gregoriaanse gezang waren nog niet verklonken of koning Karel draaide zich naar Alcuïn om.
“Beste man, zou je niet voor een paar jaar aan mijn hof willen komen wonen? Je bent zo’n goede leraar. Zou je niet met ons mee willen gaan om mij en mijn kinderen van alles te leren? Wij hebben in Aken – waar we vaak verblijven – wel een paleisschool, maar iemand als jij zou die nieuw leven in kunnen blazen. Je zou er heel goed werk kunnen verrichten. Nou, wat zeg je ervan?”
De vraag overviel Alcuïn. Bijna gleed hij van de bank van verbazing. Verhuizen? Emigreren naar Aken? Hij hoorde in York bij Eanbald en op de kathedraalschool. Maar lesgeven aan de grootste koning van het Westen en diens kinderen opvoeden tot wijze leiders, dat was wel een uiterst belangrijke taak! Misschien had God hem daartoe wel geroepen en uitverkoren? Het kon toch geen toeval zijn dat zij elkaar hier nu ontmoette? Gods wist alles het beste, zo had de geleerde inmiddels wel begrepen.
“Ik moet eerst terug naar York. Aartsbisschop Eanbald wacht op zijn pallium en koning Elfwald op zijn oorkonde,” stamelde hij ten antwoord.
“Maar daarna?” haakte Karel de Grote gretig in. “Kom je daarna naar ons?”
Alcuïn keek de koning recht aan. Die open blik en heldere oogopslag met af en toe een twinkeling – hij mocht deze man wel. “Als mijn superieuren het goedvinden,” beaamde Alcuïn en hij wist dat zijn leven door die beslissing een heel andere wending zou nemen.
.
DEEL III
Hoofd van de paleisschool in Aken (782-790)
.
Hoofdstuk 1: Aankomst aan het hof
Het weerzien in York was allerhartelijkst met zowel collega’s als leerlingen. Koning Elfwald was in zijn nopjes met de pauselijke oorkonde en Eanbald kreeg zijn pallium persoonlijk door Alcuïn omgehangen. Alleen was iedereen geschokt door de mededeling dat hun geliefde schoolmeester en vriend in de lente wilde vertrekken om les te gaan geven in Aken.
“Het is maar voor een paar jaar,” voegde Alcuïn zijn vriend toe. Zelf had de schoolmeester er de hele verdere terugreis naar York over kunnen nadenken en hij was al haast aan het idee gewend geraakt, maar de geleerde begreep best dat zijn plan Eanbald rouw op het dak viel.
“Ik heb gezegd dat ik alleen kwam als jij toestemming gaf.”
Hoe kon Eanbald dit echter weigeren? Als geen ander snapte hij dat de ontmoeting tussen Alcuïn en koning Karel geen toeval was geweest. God had vast een plan met zijn bijzondere broeder. De hemelse vader had Alcuïn een talent gegeven en had hem nu op een andere plek op aarde nodig, om de grootste leider en diens kinderen te onderwijzen. Dan werden ze vast verstandige heersers en daar kon de wereld alleen maar beter van worden. Wie was hij om dit tegen te houden? Met pijn in het hart gaf Eanbald na lang aarzelen zijn zegen aan Alcuïn. Hij liet hem gaan, al zou hij zijn broeder vreselijk missen.
Voordat Alcuïn kon vertrekken moest er nog van alles geregeld worden. Bovenal was het nodig om een nieuwe schoolmeester te kiezen. Zelf had Alcuïn gedacht dat Sigwulf hem had kunnen opvolgen. Met Fredigius en Witzo als assistenten zou dat best gaan. Sigwulf was alleen zo aan Alcuïn verknocht dat hij hem niet wilde laten vertrekken of anders per se mee wilde naar Aken. Waar Sigwulf was, daar ging Fredigius en toen Witzo van het plan hoorde sloot hij zich ook aan. Al vrij snel was algemeen bekend dat zij Alcuïn gedrieën zouden vergezellen naar het hof van Karel de Grote.
Osulf, de vierde assistent, werd vanzelfsprekend ook uitgenodigd om met hen mee te komen, maar die weigerde. De hele winter liep hij rond met een gezicht als een oorwurm en hij bokte en mokte bij alles wat er tegen hem gezegd werd. Osulf was boos en kon zich er niet overheen zetten. Hij voelde zich verraden en verlaten omdat Alcuïn zomaar vertrok. Toch zag hij een leven in het verre Frankenrijk niet zitten, dus zou hij als enige achterblijven.
In de lente vertrokken de vier mannen. Alles was geregeld. Alcuïn gaf net de sleutel van de boekenkamer aan Clemens – een goede leerling die zolang de lessen waarnam – toen Eanbald de bibliotheek binnenstormde. In zijn hand had hij een stukje perkament.
“Dit vond ik net,” brieste de anders zo waardige aartsbisschop. “Hier, lees!” Hij drukte Alcuïn het verkreukelde vodje in zijn hand. Die streek het recht en bekeek de volgekliederde schapenhuid. Het leek wel alsof iemand gewoon een bladzijde uit een boek gescheurd had.
In de eerste oogopslag herkende hij het handschrift van Osulf. Alcuïns ogen vlogen langs de regels. Het was een emotionele brief, gericht aan hem. Dat de schoolmeester het recht niet had zijn leerlingen in de steek te laten.
De laatste zin las Alcuïn hardop voor: “En daarom loop ik vannacht weg.” Vragend keek hij op van het papier. Eanbald knikte bevestigend. “Dit lag op Osulfs bed. We hebben al overal gezocht. Van de jongen ontbreekt ieder spoor.”
Op dat moment kwam Sigwulf aangehold, met vlak achter zich aan zijn trouwe vriend Fredigius. Bij de deur moesten ze allebei even uithijgen.
“Is hij terecht?” vroeg Alcuïn hoopvol.
De beide jongens schudden tegelijkertijd hun hoofd.
“In de tuin is een ladder gevonden tegen de muur aan,” zei Sigwulf die als eerste op adem was gekomen.
“Osulf is York ingegaan,” vulde de andere zijn vriend aan. Als de situatie niet zo ernstig was geweest, dan had Alcuïn erom kunnen lachen zoals die twee jongens aan elkaar gehecht waren en elkaars zinnen afmaakten. In de loop der jaren waren zijn assistenten mooie jongemannen geworden en vlak voor vertrek alle drie tot deken gewijd. Oswulf wilde niet en liep nog in zijn blauwe toga rond. Ergens. Maar waar?
Daar verscheen het gezicht van de altijd vrolijke Witzo in de deuropening. “De kar staat voorgereden. Tijd om te vertrekken,” riep hij boven alle hoofden uit.
Alcuïn wilde de reis uitstellen tot Osulf gevonden was, maar Eanbald wuifde die gedachte zeer beslist ter zijde. “Dan verzint dat joch morgen weer iets anders om jullie vertrek op te houden. Geen sprake van. We laten ons niet manipuleren.”
Vertederd keek Alcuïn zijn broeder aan. Hij wist drommels goed hoe graag ook Eanbald hen hier zou houden en toch gedroeg hij zich manhaftig als een echte vriend. Alcuïn omhelsde zijn broeder zo stevig als hij kon.
“Ik kom terug,” beloofde hij plechtig.
“Ik zal je schrijven,” fluisterde de lippen van Eanbald bij zijn oor.
Dat was een goed idee! Karel de Grote had als koning vast vele bodes. Daarvan zou er beslist weleens eentje naar de koning van Northumbrië gaan. De gedachte dat ze af en toe contact konden houden verzachtte de pijn van het afscheid, want dat Alcuïn deze plek en zijn broeder Eanbald zou missen stond bij voorbaat vast. Ze zwaaiden naar elkaar totdat de kar de hoek van de straat om sloeg.
Aangekomen bij de kust van Engeland namen Alcuïn en zijn drie trouwe assistenten een boot om de Noordzee over te steken. In een van de havens van de Lage Landen aan de overkant van het kanaal stapten ze over op een schuit en voeren de Maas op. De brede rivier kronkelde traag door een landschap van koeien en weiden.
Sigwulf, Fredigius en Witzo, die sinds hun jongste kindertijd niet meer buiten het klooster waren geweest, keken hun ogen uit. Het deed Alcuïn deugd om met hen te reizen en de wereld door hun ogen weer als nieuw te beleven. De jongemannen hadden nog nooit de zee gezien en reageerden vol verrukking en ongeloof over zo’n onmetelijke wateroppervlakte. En wat waren die Lage Landen plat! Men zei dat het merendeel onder de zeespiegel lag, dat kon geen van allen zich goed indenken.
Vanaf de oude Romeinse stad Trajectum, door de plaatselijke bevolking ook wel Maastricht genoemd, was het nog maar dertig kilometer naar Aken. Dat laatste stukje weg legden de vier mannen te voet af. Alcuïn was blij dat ze allemaal een warme wollen pij aanhadden, want het was vroeg in de lente en nog best kil buiten, al kregen ze het van lopen gaandeweg wel warmer.
Van verre zagen ze de basiliek van Aken al liggen. De kerk stond zo te zien niet voor niets bekend om zijn mooie architectuur. Daar niet al te ver vandaan lag het verblijf van Karel de Grote. Hij had een echte palts laten bouwen, een koning waardig. “Palts komt van het woord palatium,” vertelde de geleerde aan zijn metgezellen en het betekende paleis. “Omdat de paleizen van de keizers van Rome vroeger op de Palatijnheuvel stonden,” voegde hij er ter verklaring aan toe.
Nou, een paleis was het zeker, zagen de gasten toen ze aankwamen en met alle egards werden ontvangen. Ruime woonvertrekken afgewisseld met grote zalen en binnenplaatsen om groepen te ontvangen. De kleine hofmeester Einhard leidde Alcuïn en zijn assistenten door de prachtige tuin naar een oud badcomplex. Daar zat Karel de Grote, omringd door een aantal andere mannen, spiernaakt in het warme water.
“Welkom,” wuifde de koning vrolijk naar zijn nieuwe gasten. “Kom erbij. Het water is verrukkelijk. Echt lekker warm. Het komt uit een natuurlijke bron.”
Alcuïn stond perplex aan de rand van het bad en bekeek het tafereel. Ondanks het feit dat hij best bezweet was geraakt van de lange wandeling trok het idee om hier nu helemaal bloot bij deze wildvreemde kerels aan te schuiven hem geenszins. Ook zijn metgezellen stonden er wat bedremmeld bij. Als geestelijken waren zij al die naaktheid niet gewend.
“Een andere keer misschien,” zwaaide de geleerde terug en liet zich naar zijn vertrek brengen.
Voor Alcuïn was er een eigen kamer gereserveerd, zijn drie assistenten deelden de ruimte ernaast. Alles was prima geregeld. Veel om uit te pakken hadden ze niet. Dus gunden ze zichzelf een uurtje rust. De bedden lagen uitstekend.
Alcuïn was niet moe genoeg om te slapen en keek de kleine kamer rond. Behalve een bed, een tafel en een lessenaar stond er niets in. Daar zou ook geen plek voor zijn geweest. Maar het was een lichte ruimte door het kleine raam dat uitkeek op de binnenplaats. Wat een gekke gedachte dat hij hier nu voortaan woonde. Op tafel bij het raam lag een stapeltje papier naast een potje met inkt en een grote ganzenveer. De koning had vast gedacht dat schrijfspullen van essentieel belang waren voor een geleerde, schoot het door Alcuïn heen. De koning had goed gedacht.
Snel kroop hij achter de tafel en begon zijn eerste brief aan Eanbald. Hij schreef hoe de tocht was verlopen en dat ze goed waren aangekomen in het land van de Franken. “Frank betekent in de volkstaal die ze hier spreken dapper en vrij. Ik woon dus momenteel in het land van de dapperen!” Hij vroeg hoe het met Osulf ging en met zijn “geliefde aartsbisschop”. De brief eindigde met “adieu” – een nieuw woord dat hij op weg hierheen had opgepikt. Voor de zekerheid voegde hij een uitleg in het post scriptum toe.
“P.S.: A-dieu betekent letterlijk: bij God. Vind je dat geen mooie afscheidsgroet voor deze brief, Eanbald? Als wij elkaar onverhoopt in dit leven niet meer zouden zien, dan ontmoeten we elkaar weer bij God. Vrees niet, lieve broeder, ik ben vast van plan om ooit terug te keren, al ben ik pas net in mijn nieuwe woonplaats gearriveerd. Maar mocht Gods wil iets anders met een van ons voorhebben: tot ziens bij God dan!”
Hoofdstuk 2: De Akense paleisschool
Meteen de volgende dag begon Alcuïn met de hulp van zijn drie ervaren krachten de paleisschool op te zetten. Karel kwam hem persoonlijk installeren. Een paar jaar geleden had hij twee docenten meegenomen: Peter van Pisa en Paul uit Lombardije. Zij hadden de koning grammaticales geprobeerd te geven, maar dat was jammerlijk mislukt. Nu runden ze een klas vol met leerlingen uit de koninklijke familie en adellijke elite. Het wilde alleen niet goed van de grond komen en de beide mannen zouden zich liever op andere bezigheden richten. Dus ze waren blij dat Alcuïn de school kwam overnemen.
“De kathedraalschool in York was onder jouw bewind een van de belangrijkste centra van onderwijs van heel Engeland,” verklaarde koning Karel hardop. “Ik daag je uit om van deze paleisschool in Aken de grootste van het hele Frankenrijk te maken!”
Alcuïn haalde zijn schouders op. Hij zou lesgeven, precies zoals hij altijd had gedaan en de rest zou hij wel zien.
Nieuwsgierig keek de nieuw aangekomen meester de klas rond naar wie zijn leerlingen waren. Daar zag hij de complete koninklijke familie. Alcuïn stond op en gaf de kinderen stuk voor stuk een hand.
“Karel junior, koning van Bourgondië,” stelde de oudste zich aan hem voor. Alcuïn schatte de roodharige inmiddels een jaar of tien.
“Pepijn, koning van Lombardije,” zei zijn bedeesde broertje. Blijkbaar was Karloman gewend genoeg geraakt aan zijn nieuwe naam om zich bij het voorstellen niet meer te vergissen.
Het kind met de blonde krullen daarnaast herkende Alcuïn onmiddellijk. “Lodewijk, wat ben je gegroeid, jongen!” De schoolmeester gaf de kleine prins een hand.
“Lodewijk, koning van Aquitanië, “stelde het kind zich ditmaal vloeiend voor, zonder te struikelen. En in één adem stelde hij de jongen die naast hem zat ook voor. “Dit is Ebbo. Wij zijn samen opgegroeid. Mijn tweelingbroer Lotharius is vorig jaar doodgegaan en sindsdien is Ebbo mijn broer.”
“Ebbo is de zoon van de vrouw die Lodewijk gezoogd heeft,” mengde Karel de Grote zich in het gesprek.
Alcuïn keek vertederd op de kleine jongen neer. Diens blik stond opvallend ernstig voor een kind van slechts vier lentes oud.
“Ik heb ook een broeder die niet mijn bloed is,” vertrouwde hij aan de blonde krullen toe en gaf Lodewijk een knipoog.
Zo ging Alcuïn de hele rij af. Twee dochters van Karel waren oud genoeg om aan de lessen deel te nemen. Naast de meisjes zat een gebochelde jongen van dertien jaar die zichzelf voorstelde als Pepijn. Dit moest de oudste zoon van Karel zijn! De eerste Pepijn. Het kind van de andere moeder.
“Wel, wel. Twee Pepijnen in de klas,” zei de meester zo neutraal mogelijk. “Hoe gaan we dat oplossen?”
De roodharige Karel junior, de oudste zoon van Karels huidige vrouw, sprong op en wees: “Hem noemen we De Gebochelde.” Zijn vinger priemde naar het kind met de vergroeide rug.
“En hij heet voortaan gewoon Pepijn,” tikte hij zijn eigen broertje die ooit Karloman heette op zijn schouder.
“We zullen zien,” sprak Alcuïn en ging verder.
Het koninklijke gezin telde eigenlijk nog veel meer leden, maar Karels andere dochters waren nog te klein en ook zijn vrouw Hildegarda ontbrak in de klas. Zij was hoogzwanger en zag voorlopig geen mogelijkheid met de lessen mee te doen.
Wel waren er nog een paar neefjes en nichtjes van de koning. Daarnaast een grote groep kinderen van de landelijke elite, alsmede een paar leerlingen uit de paltskapel die voor geestelijke leerden. En Karel de Grote zelf natuurlijk, terwijl die slechts een paar jaar jonger was dan Alcuïn. Al met al een gemêleerd gezelschap van jong en oud, geletterd en ongeleerd door elkaar. Het zou geen gemakkelijke opgave worden om daar wat orde in aan te brengen, realiseerde de schoolmeester zich.
Maar Alcuïn zou Alcuïn niet zijn als hij niet gewoon met frisse moed zou beginnen en zijn bevlogen manier van lesgeven werkte zo aanstekelijk dat hij binnen de kortste keren de hele klas aan het werk had. Zijn drie assistenten liepen rond en hielpen waar ze konden.
Na een week kwam Einhard, de speciale hofmeester, eens kijken en hij ging niet meer weg. De kleine man vertelde na de les zulke enthousiaste verhalen aan Angilbert, de hofdichter, dat die de volgende dag ook aanschoof en voortaan leergierig meedeed. Zelfs de hoftheoloog, Theodulfus, die toch echt al heel veel wist en iedere avond bij de maaltijd voorlas uit belangrijke boeken, kwam nieuwsgierig een kijkje nemen en zelfs voor hem had Alcuïn lessen van onschatbare waarde.
Het bericht van de nieuwe schoolmeester op de paleisschool die hoogstpersoonlijk aan de machtige Karel de Grote lesgaf, verspreidde zich sneller dan de wind door heel het rijk en vanuit alle hoeken en gaten stroomden de leerlingen toe.
Er was één nadeel aan lesgeven aan de paleisschool: zodra de winter definitief voorbij was en er geen vorst meer in de grond zat, werd de koning geacht zich in zijn rijk te laten zien. Dan trok hij van stad tot stad om met de plaatselijke edelen te vergaderen, recht te spreken of simpelweg door zijn aanwezigheid orde en gezag uit te stralen.
Als de koning op reis was, ging iedereen mee, de complete hofhuishouding. De nieuwe school van Alcuïn draaide nog geen maand of ze moesten de boel al inpakken.
De koning reed vooraan op zijn paard, omringd door zijn zonen en lijfwachten en daarachter zijn eveneens bereden dochters. Een lange stoet van hoffunctionarissen, bedienden en adviseurs volgde. Wagens vol voedsel, kleding, ja zelfs meubels en andere persoonlijke bezittingen werden meegevoerd en ook de zwangere Hildegarda bleef niet thuis.
Voor Alcuïn was er een plaatsje gereserveerd op een van de karren, maar hij liep liever. Met zo’n groot gezelschap schoot het toch niet hard op en meer dan dertig kilometer per dag legden ze meestal niet af.
Wekenlang trokken ze naar het zuiden, door het prachtige heuvelachtige landschap. In het begin genoot Alcuïn daar wel van, want iedere dag sliepen ze weer in een ander klooster en de geleerde bezocht menig scriptorium, waardoor hij in de gelegenheid was om de bijzonderste boeken te laten overschrijven voor de bibliotheek in York. Aan de andere kant werd de schoolmeester ongedurig. Wanneer was er nu eens tijd om les te geven? Karel de Grote was hele dagen bezig met andere dingen. Alleen diens kinderen zaten regelmatig onderweg in het veld aan de voeten van de schoolmeester om een uurtje onderwijs te krijgen.
Op rustdagen schoof koning Karel aan om te leren schrijven, maar als het niet snel genoeg wilde vlotten raakte hij danig gefrustreerd. Zijn handen waren gewend om wapens te hanteren op het slagveld met grote krachtige slagen. Nu moest hij proberen priegelige letters op het dunne perkament te tekenen. De broze ganzenveer brak bijna in die grote knoestige vuist vol eelt en schrammen. Koning Karel zat te zweten boven de letters en hij vloekte erger dan een zeeman. De heerser die door al zijn onderdanen gehoorzaamd werd, kon het niet uitstaan dat zijn eigen vingers niet deden wat hij wilde. Ook raakte hij telkens zeer geïrriteerd omdat zijn hoofd de volgorde en de vorm van de letters niet kon onthouden, terwijl zijn kinderen stuk voor stuk over een beter geheugen bleken te beschikken.
“Gewoon een kwestie van oefenen,” zei Alcuïn, die te allen tijde zijn geduld bewaarde en die probeerde zich niets van de scheldwoorden aan te trekken die langs zijn hoofd scheerden. Nondeju betekende tenslotte niet meer dan “naam van God” en het kon in dit geval zeker geen kwaad om een hogere macht aan te roepen.
“Waarom vraag je Sint Joris niet om hulp?” raadde hij zijn ploeterende leerling aan. ”Die heeft ooit een draak verslagen.” Maar koning Karel vertrouwde liever op zichzelf en beloofde meer te oefenen. Sindsdien droeg hij altijd een wastablet bij zich om overal waar het maar even kon zijn hand te laten wennen aan het schrijven. Zelfs naar bed nam hij het schrijfplankje mee en legde het harde ding onder zijn hoofdkussen!
Veel hielp het allemaal niet. Vooral niet toen er berichten kwamen over onrustige Saksen aan de noordgrens van het rijk. Onmiddellijk werd de reis omgeleid en trok de stoet langs de oever van de Rijn naar het noorden. Aan de overkant van het water woonden de gevaarlijke Saksen, liet Alcuïn zich vertellen. Dat waren verschrikkelijke heidenen, die zich aan God noch gebod hielden. Voortdurend bedreigden deze moordenaars het handelsverkeer op de rivier, terwijl dat juist zo’n belangrijke doorgangsroute was.
Ze volgden de brede Rijn stroomafwaarts en kwamen langs prachtige steden als Worms, Mainz en Keulen. Alcuïn kon zien dat de rivier druk bevaren werd. Van de Saksen aan de overkant zag hij geen spoor, dus hij voelde zich totaal veilig, al waren ze hier dan ook aan de uiterste grens van het immense rijk van de Franken.
De situatie veranderde toen bleek dat er een opstand was uitgebroken in het Saksenland onder leiding van ene Wittekind. Karel de Grote greep meteen in, stak met een leger het water over en versloeg de onbetrouwbare Saksen. Daarna liet hij echter meteen alle gevangengenomen tegenstanders vermoorden. Van 4500 mensen werd nog diezelfde dag het hoofd afgehakt.
Alcuïn wist niet hoe hij het had. Als goed Christen was hij tegen iedere vorm van geweld. Gij zult niet doden, was tenslotte een van de tien belangrijkste geboden. Jezelf verdedigen indien aangevallen was tot daar aan toe. Zelf had hij ook ooit voor de zekerheid een mes bij zich gedragen. Maar na een veldslag alsnog alle overwonnen executeren?! Bij wat voor een koning was hij in dienst gekomen??
Hier wilde Alcuïn niets mee te maken hebben en hij riep de koning bij zich ter verantwoording. Die reageerde onthutst dat dit de gebruikelijke gang van zaken was op het slagveld, maar dat was volgens de schoolmeester geen argument.
Karel de Grote werd slechts zelden tegengesproken. Hij was de machtige koning van het grootste rijk van het Westen, iedereen boog voor hem. Mensen wierpen zich zonder aarzeling voor hem in het stof. Hier stond hij, recht tegenover de meest geleerde man op aarde, en de koning voelde wel dat die gelijk had: “iedereen doet het” of “dat heb ik altijd zo gedaan” waren geen goede redenen om je eigen gedrag mee te rechtvaardigen.
Koning Karel verdedigde zich door te vertellen dat hij eerst menig verdrag had geprobeerd te sluiten met de Saksen, maar dat die maatregelen niets hadden geholpen. “De noordgrens van het rijk wordt alleen veilig als we onze heidense buren bekeren tot het christendom.”
Alcuïn knikte. Hoe meer mensen christelijk werden hoe beter, wat hem betrof. “Maar toch niet met geweld?” riep de schoolmeester uit. “Geloof komt toch van binnen uit en niet omdat iemand de punt van een zwaard op je richt en je daartoe dwingt?”
Het zou een onderwerp zijn waar ze nog vaak over discussieerden. In ieder geval begreep Alcuïn nu beter dat Karels neiging om zijn rijk telkens verder uit te bereiden niet lag in een onbeteugelde expansiedrift, maar kwam door het verlangen de grenzen te beschermen tegen vijandelijke aanvallen.
Er was nog een punt waarmee Alcuïn geconfronteerd werd in het begin en waar de geestelijke maar moeilijk mee kon omgaan. Dat waren alle vrijages van de koning. Terwijl zijn vrouw Hildegarda zwanger was van hun negende kind, had koning Karel vele andere bedgenotes waar hij soms ook kinderen bij verwekte. Dit gedrag druiste zeer tegen de zedelijke normen van de kerk in. Het hielp een beetje toen de kleine Einhard uitlegde dat de koning dit deed om zijn dynastie veilig te stellen.
“De kindersterfte is hoog, zoals u wellicht weet,” sprak de kleine hoffunctionaris met zijn eigenaardige stem. “Zelfs wonen in een luxe paleis is geen garantie. De koning moet dus zorgen dat hij voldoende zonen nalaat, zodat eentje hem later kan opvolgen.” Toch zat het Alcuïn niet lekker, maar hij wist ook dat hij er niks tegen kon doen. De koning liet zich niet op alle punten de les lezen.
Hoofdstuk 3: Osulf
Al met al had Alcuïn die eerste maanden enorme moeite om te wennen aan zijn nieuwe baan. Niet alleen werd hij geconfronteerd met dingen in het gedrag van zijn opdrachtgever die hij weerzinwekkend vond, hij miste ook zijn oude vertrouwde leven. Nachtenlang lag hij wakker, telkens in een ander gastenverblijf en dacht met heimwee aan York en Eanbald. Hij verlangde naar het rustige regelmatige leven in het klooster en bovenal naar de stilte van de boekenkamer.
Wanneer hij koning Karel zag worstelen met de letters, zag hij handen waaraan in zijn verbeelding het bloed kleefde van onschuldige slachtoffers. Handen die verschillende vrouwen streelden op de meest intieme plaatsen waar iemand als Alcuïn zich zelfs geen voorstelling van kon maken, niet wilde maken ook!
Alcuïn dacht er sterk over om te stoppen met zijn opdracht hier in dit vreemde land en terug te keren naar zijn vertrouwde leventje in York, toen koningin Hildegarda beviel van een prachtig dochtertje dat ze eveneens Hildegarda noemden. Met zijn forse lijf boog koning Karel zich vertederd over het kleine wichtje en smolt. Het was fijn om ook deze kant van de geweldenaar te zien. Toch was dat niet hetgeen Alcuïn overhaalde om nog even te blijven. Dat kwam door de blonde Lodewijk.
Doordat de koningin net bevallen was, verbleef de koning met zijn gevolg een hele maand op één plek en dat gaf de schoolmeester eindelijk de kans om serieus werk te maken van zijn lessen.
Het was hartje zomer en van zonsopgang tot zonsondergang zaten alle leerlingen buiten op het gras aan zijn voeten onder de overhangende takken van een grote eik. Het was fijn om eindelijk weer eens les te kunnen geven. Vooral aan Lodewijk met zijn grote blauwe ogen. Als jongste van de klas stelde hij de meeste vragen en zijn gezichtje keek altijd zo ernstig als hij naar het antwoord luisterde. Alcuïn genoot van het engelachtige kind.
Zo heel anders dan Karel junior, die de favoriete zoon van koning Karel was. De kroonprins leek eerder een doener dan een denker en had geen geduld voor stilzitten. Het liefst ging hij jagen en Alcuïn had het sterke vermoeden dat de jongen ook al interesse vertoonde in meisjes.
De schoolmeester zag in de veel jongere Lodewijk eerder een goede opvolger van zijn vader. Dat kind was zo vroom en deugdelijk, een voorbeeld voor de hele klas. Met het juiste onderwijs zou hij kunnen uitgroeien tot een geweldige koning.
Opeens realiseerde Alcuïn zich de macht die hij hier had. In zijn klas zaten de toekomstige leiders van het uitgebreide Frankenland. Na de dood van Karel de Grote zouden ze allemaal een stukje erven. Ook andere leerlingen onder zijn toehoorders waren voorbestemd om later hoge posities te bekleden, zoals aartsbisschoppen en staatslieden. Hij – Alcuïn – kon op die manier veel invloed uitoefenen op de toekomst van dit land. Door deze leerlingen goede dingen te leren werden het stuk voor stuk betere mensen en dat zou leiden tot een betere wereld over een groot deel van het Westen. Het rijk van de Franken reikte van de Elbe tot de Pyreneeën en van de Noordzee tot Rome. Misschien bevond zelfs de toekomstige paus zich wel onder zijn luisterend publiek!
Met nieuw elan toog Alcuïn aan het werk en hij pakte er meteen de Salische wet bij. Volgens die eeuwenoude wet konden alle zonen van hun vader erven, dus ook bastaardkinderen. In dat geval zou zelfs de gebochelde Pepijn een stukje land krijgen om over te heersen. De anders zo verlegen en teruggetrokken jongen spitste zijn oren en deed van het ene op het andere moment volledig mee met de les.
De schoolmeester kreeg plezier in zijn werk en het was net alsof hij opeens ook weer meer positieve kanten van Karel de Grote kon zien. Dat was tenslotte de koning die het bevel had gegeven om deze wet te laten vastleggen. De Frankische koning liet van alle overwonnen volkeren hun gebruikelijke wetgeving opschrijven en was ook geïnteresseerd in de oude volksverhalen. ’s Avonds bij de maaltijd las Theodulfus daar vaak uit voor.
Als het even kon zat Alcuïn dan op een plekje van waaruit hij de kleine Lodewijk in de gaten kon houden, omdat hij werkelijk plezier beleefde aan de aanhankelijkheid die hij zag tussen de prins en zijn vriend Ebbo. Hun band deed de schoolmeester met weemoed terugdenken aan hemzelf en Eanbald.
In zijn vrije tijd schreef Alcuïn vaak een brief aan zijn vriend in het verre York om hem van al zijn gevoelens en gedachten op de hoogte te houden. Al deze brieven gaf de schoolmeester aan de kleine Einhard, in de hoop dat er binnenkort een zendbode naar Engeland zou gaan die de stapel perkamentrollen kon meenemen. Met smart wachtte hij op antwoord.
De eerste reactie die terugkwam was niet van Eanbald, maar van Osulf. Zijn brief was vrij snel na Alcuïns vertrek geschreven en had een lange omzwerving gemaakt, omdat de zendbode die hem had meegekregen eerst nog via Spanje had moeten reizen. Opnieuw zag de rol eruit als een verfrommeld stukje perkament, al kon de schoolmeester niet onderscheiden of dat door de lange reis kwam of dat Osulf hem zo had meegegeven.
Hij rolde de brief open en las een aantal warrige zinnen in een priegelig handschrift vol grieven over hoezeer de jongen zich door zijn oude meester in de steek gelaten voelde en dat Alcuïn zomaar was weggegaan zonder afscheid van hem te nemen.
“Omdat jij was weggelopen, domme Osulf,” antwoordde Alcuïn hardop tegen de brief.
Hij ging zitten om zijn oud-leerling te antwoorden en het kostte wel een paar avonden voordat de geleerde eindelijk de juiste toon vond, vaderlijk en niet veroordelend, maar toch zijn voormalige assistent aansprekend op zijn eigen gedrag.
De brief was bijna klaar toen er een bericht van Eanbald aankwam in het tentenkamp. Een zendbode van de koning was voor andere bezigheden naar Aken gestuurd waar een hele stapel post lag en kwam ermee terug. Daar zaten wel drie rollen van Eanbald bij.
Alcuïn had geen idee in welke volgorde de brieven gestuurd waren, dus rolde hij ze allemaal open, bekeek de aanhef en legde ze op datum. De eerste brief ging – naast een paar zinnen over hoe druk hij het als aartsbisschop had – voornamelijk over Osulf.
“Een dag nadat jij, geliefde Alcuïn, naar Aken was vertrokken, hebben een paar burgers van York de jongen totaal dronken in een herberg gevonden en teruggebracht naar ons klooster.”
Ook de tweede brief, waarin Eanbald vooral vertelde hoezeer hij Alcuïn miste, ging voor de rest helemaal over Osulf.
“Er is geen land met hem te bezeilen. Hij is nog onhandelbaarder dan vroeger. Nergens is de jongen mee te bereiken. Telkens halen we hem terug naar het klooster, maar hij weet altijd weer een manier om zich ’s avonds toch op straat te begeven waar hij zich ophoudt met dames en drank.”
Allerlei gedachten vol goede raad schoten door Alcuïns hoofd en er vormde zich al een nieuwe brief aan zijn voormalige assistent, toen de schoolmeester aan de derde en laatste brief van de stapel begon. Er was echt geen houden meer aan, schreef Eanbald. Wat de monniken ook deden, Osulf ontsnapte telkens en vergreep zich aan drank en dobbelstenen.
“Osulf leeft om te gokken en verzet zich tegen onze hulp. Wij kunnen hem niet meer redden, dus we geven het op.” Zo stond het er letterlijk. Die woorden deden Alcuïn pijn. Hij had het kind zelf vanaf het eerste begin opgevangen en net als alle andere leerlingen de weg gewezen naar het eeuwige leven. Maar niet elk heilig leren leidde vanzelf tot heilig leven, zo bleek maar weer en de schoolmeester nam zich voor nog beter zijn best te doen om van zijn huidige klas een goede generatie Franken te maken.
Hoofdstuk 4: Essentiële kleine dingen
De winters waren de beste tijd voor Alcuïn. Dan werd er niet gevochten of gereisd en verbleef de koning met zijn hele gevolg acht lange maanden in hun prachtige residentie in Aken.
Hele dagen gaf Alcuïn les. Vooral in grammatica en spelling. Elke dag opnieuw. Karel de Grote werd er Gallisch van. Op een middag ging de koning op hoge poten verhaal halen bij Alcuïn. Hier had hij de schoolmeester niet voor aangenomen!
“Oh, toch wel,” vond Alcuïn. “Juist wel! Grammatica is de basis van alles. Wie goed kan spellen, leert helder denken. Wie ordelijk kan nadenken, formuleert correct en beheerst, terwijl slordige spraak leidt tot fouten en verwarring.”
De koning wilde iets terugzeggen, maar de schoolmeester gaf hem geen kans.
“Aan het hof spreken we allemaal Latijn, maar het Latijn dat hier gebezigd wordt, staat mijlenver af van de taal van God die ik in Northumbrië heb geleerd. Door de invloed van jullie Frankische uitspraak is het erg onzuiver geworden.”
De koning begreep niet wat Alcuïn bedoelde, totdat die met een voorbeeld kwam.
“In dit land valt amper het verschil te horen tussen de uitspraak van een v en een b, maar het verschilt nogal of ik op de markt om een bacca of om een vacca vraag. In het ene geval koop ik een klein besje, in het andere een hele koe. En als ik het over Beneficus heb, dus over iemand die goed doet, dan bedoel ik dus niet een veneficus, die een gifmenger is.”
Karel was er stil van, maar Alcuïn kwam net op dreef.
“Door alle uitbreidingen van je gebied ben jij inmiddels koning over vele verscheidene volkeren, met allemaal hun eigen gewoonten en gebruiken. Ze verschillen niet alleen in de manier waarop ze zich kleden, maar ook in hun taal. Het is belangrijk om eenheid te creëren. Dat is goed voor de verbondenheid van alle inwoners van dit land.”
Daar was de koning het volledig mee eens. Hij had al overal in zijn rijk dezelfde munt ingevoerd met op de ene kant zijn monogram “Carolus” en aan de achterzijde zijn eigen portret afgebeeld met een lauwerkrans, volledig naar Romeins gebruik.
De beide mannen spraken tot diep in de nacht. Ze besloten om een unanieme grammatica van het originele Latijn te laten vastleggen en die in het hele land door te voeren als algemene taal. Dat was een grote stap op weg naar eenheid en verbondenheid en koning Karel klaagde voortaan niet meer over de enorme hoeveelheid grammatica in de lessen. Al worstelde hij met sommige onderdelen meer dan anderen omdat hij zoveel minder tijd aan zijn studie kon besteden.
Die zomer stond Karels hoofd sowieso niet naar onderwijs. Zijn vrouw was opnieuw zwanger geraakt, maar op 30 april 783 stierf ze in het kraambed van hun tiende kindje, dat de bevalling ook niet overleefde. De koning was ontroostbaar, vooral toen een paar weken later zijn jongste dochtertje Hildegarda ook nog overleed. Het pas aangelegde graf van zijn vrouw werd opnieuw geopend en moeder en kind werden in de dood herenigd.
Alcuïns hart brak door het verdriet dat hij om zich heen zag. Iedereen had van koningin Hildegarda gehouden, maar het leek alsof het verlies van de kleine onschuldige baby iedereen nog meer aangreep. Ze was amper een jaar oud.
“Het is verbazingwekkend dat zo’n klein wezentje zo’n groot verdriet kan achterlaten,” schreef de schoolmeester vanuit Aken in een van zijn brieven aan Eanbald.
Op een dag dat Karel de Grote naar de les kwam om wat afleiding te zoeken, besloot Alcuïn de leerlingen het verhaal te vertellen van het klooster in de bergen waar dag en nacht verschillende koren afwisselend zongen, zodat ze zeker wisten dat er altijd ergens op aarde een psalm ten gehore werd gebracht. Dit troostvolle idee inspireerde de koning ertoe om op het graf van zijn geliefde vrouw en kind een kaars te plaatsen die eeuwig brandde. Wie de opdracht had het vuurtje gaande te houden wist Alcuïn niet, maar altijd als hij langs het graf kwam, flakkerde daar een klein troostrijk vlammetje.
Hoofdstuk 5: Het wezen van vriendschap
Na twee jaar aan het hof van koning Karel had Alcuïn zijn draai helemaal gevonden. Als ze in de zomer op reis waren, had hij zelfs weer de rust om te schrijven. Urenlang zat hij geconcentreerd te werken aan een nieuw schoolboek en de geleerde stopte er al zijn levenswijsheid in. Geheel aangepast aan de situatie liet hij een Saks van een jaar of vijftien allerlei vragen stellen en die door een één jaar oudere Frank beantwoorden. Essentiële vragen als: “Wat is het wezen van de maan?” of “Wat is de betekenis van vriendschap?”
Zittend op een hobbelende kar kreeg hij geen letter op papier, maar dan dacht de creatieve geest van de geleerde man na over nieuwe vragen en de diepgaande antwoorden die hij dan later die dag opschreef. Het lesboek werd een groot succes en op zijn vraag naar ware vriendschap zou hij hoogstpersoonlijk binnenkort een bijzonder antwoord van het leven zelf krijgen, maar dat wist de geleerde toen nog niet.
Doordat ze elke nacht een ander klooster aandeden, viel het Alcuïn op dat de kerkdiensten overal een beetje anders verliepen en dat ergerde de geestelijke. Zelfs in standaardgebeden gebruikten sommige voorgangers weer net andere woorden. Dat moest echt anders, vond de Engelse schoolmeester en het was heerlijk om te merken hoeveel invloed hij kon hebben.
In overleg met de koning besloot Alcuïn dat er overal in het hele Frankenrijk een en hetzelfde gebedenboek moest komen en welk boek konden ze daarvoor beter gebruiken dan het pauselijke missaal. Met spoed schreven ze een brief aan paus Adrianus met daarin het verzoek om zijn persoonlijke missaal zo snel mogelijk naar Aken te sturen. Dan zou Alcuïn daar vele afschriften van laten maken, zodat in ieder geval de vaste kerkdiensten overal in het land op dezelfde manier zouden verlopen en iedereen hetzelfde zou geloven.
Het duurde onverwacht lang voordat de paus antwoordde en toen het gebedenboek eindelijk arriveerde, bleek het ook nog eens helemaal niet bruikbaar omdat het vol fouten en slordigheden stond. Van pure armoede besloot de geleerde schoolmeester toen maar zelf een missaal samen te stellen. Hij doorzocht allerlei oude teksten en schreef daaruit alles over wat enigszins bruikbaar was. Hoezeer miste hij nu de rijk gevulde boekenkamer van York!
In zijn brieven aan Eanbald, die hij regelmatig schreef, maar slechts zelden verstuurde en nog spaarzamer beantwoord zag, klaagde hij zijn nood. Eanbald had het als aartsbisschop alleen veel te druk om zijn broeder ergens mee te helpen.
Zodra de hele meute tegen de herfst van 784 weer in Aken aankwam, stiefelde Alcuïn – nog voordat alles goed en wel was uitgepakt – rechtstreeks naar het scriptorium en gaf daar zijn eigenhandig samengestelde gebedenboek af om het te laten kopiëren. Vervolgens ging hij iedere dag even kijken hoe zijn project vorderde.
In het begin schoot het niet snel genoeg op naar zijn zin, maar zodra het hele werk één keer was overschreven ging het vlugger. Vanaf die dag waren er telkens twee monniken bezig om zijn missaal over te schrijven en toen die klaar waren bestonden er vier exemplaren die dan weer tegelijkertijd als voorbeeld konden dienen om vier nieuwe kopieën van te maken.
De schoolmeester gebruikte het voorval als leuke rekensom in zijn klas. Samen met de leerlingen berekende hij dat het ongeveer een halfjaar zou duren totdat alle monniken van het scriptorium een eigen kopie op hun tafel hadden liggen om uit over te schrijven. De berekening kwam redelijk uit. Aan het eind van de winter waren er genoeg kopieën om de eerste missalen het land in te sturen. Vanaf dat moment liepen de zendbodes van de koning af en aan.
Op een dag verscheen er opeens een man aan het hof zoals Alcuïn in zijn hele leven nog nooit was tegengekomen. De man ging gekleed als priester en zette zich neer aan Alcuïns voeten. In alle jaren dat de schoolmeester nu les gaf aan de paleisschool kwamen er wel vaker gasten van de koning naar hem luisteren. De lessen van Alcuïn van York waren vermaard in het hele land en ver daarbuiten en iedereen wilden dat wel een keer meemaken. Ook was het niet vreemd dat zo’n bezoeker volop meedeed in de les. Het was echter de diepte van de antwoorden van deze man die Alcuïn opviel.
De nieuwsgierig geworden schoolmeester liet de klas aan zijn drie trouwe assistenten over en nodigde de onbekende priester uit om samen met hem een eindje verderop in de tuin plaats te nemen.
Alcuïn schatte de man zo’n tien jaar jonger dan zichzelf, een jaar of vijfendertig à veertig. Ondanks de onflatteuze pij was goed te zien dat hij een sterk ontwikkeld atletisch lichaam had, iets wat je niet vaak tegenkwam bij geestelijken. Net zoals het uitzonderlijk bruin verbrande gezicht van de bezoeker.
De man stelde zichzelf voor als Arno, de bisschop van Salzburg. De toevoeging dat hij daarnaast af en toe als zendbode voor koning Karel werkte, omdat hij er ervan hield om zijn lijf te gebruiken en iets van de wereld te zien, verklaarde veel.
“Een gezonde geest in een gezond lichaam,” lachte bisschop Arno zijn tanden bloot. Wat straalden die wit en wat stonden ze recht tussen twee perfect gevormde lippen. Niet te dik en met sierlijke taps toelopende mondhoeken. Tesamen met zijn zwarte sluike haren en de kuiltjes in zijn wangen was het best een knappe man om te zien, schoot het door Alcuïns hoofd. Om die donkere knikkers van ogen niet te vergeten, die keken je zo aan, alsof ze recht in je ziel wilden kijken… Alcuïn vergat helemaal om een vraag te stellen.
“U zei dat u altijd van die slecht gestelde brieven kreeg, eerwaarde,” hielp Arno van Salzburg het gesprek op gang.
“Eh ja, zeker,” stamelde de schoolmeester. Verder kwam hij niet. Wat had hij toch? Anders sprak hij altijd zo vloeiend en welluidend. “Zeg alsjeblieft je en jij. En ik ben zeker geen eerwaarde,” kon hij nog net uitbrengen.
De bisschop van Salzburg lachte opnieuw en maakte een hoffelijke buiging ten teken dat hij de boodschap begrepen had.
Hoe kon het dat een mens zich zo elegant bewoog en tegelijkertijd zo’n mannelijke uitstraling had? Alcuïn was helemaal van zijn stuk gebracht en moest echt moeite doen om zichzelf te herpakken. Waar hadden ze het ook alweer over? Oh ja, al die goedbedoelde brieven van monniken uit het hele land vol vrome uitingen in de meest kromme zinnen. De schoolmeester nam de draad van het gesprek op en liet niet meer los. De bisschop droeg zijn steentje bij. Samen sponnen ze een prachtige conversatie. De beide mannen bleken volledig hetzelfde over dit onderwerp te denken. Telkens pakte de een iedere onvoltooide zin van de ander op en maakte die af alsof ze één ziel waren.
Het leek net alsof de bisschop van Salzburg de geleerde op zijn vleugels nam en telkens een stukje hoger droeg. Ja werkelijk, aan het eind van het gesprek had Alcuïn het idee dat hij kon vliegen. Het leek alsof ze samen door het universum zweefden, gedragen op de kracht van hun ideeën.
De schoolmeester en de bisschop hadden niet gemerkt dat de klas allang was afgelopen en dat de zon was ondergegaan. In het licht van de maan zagen ze alleen elkaar en gingen allebei volledig op in hun gesprek. Pas toen Witzo hen kwam roepen voor het avondmaal kwamen ze terug op aarde, al voelde Alcuïn zich nog behoorlijk licht in zijn hoofd toen hij achter de beide anderen aan naar de eettafels liep, alsof hij dronken was.
Hoofdstuk 6: De zwaluw en de adelaar
De volgende ochtend was Arno van Salzburg helaas al voor dag en dauw vertrokken om een nieuwe opdracht als koningsbode te volbrengen en Alcuïn betrapte zichzelf erop dat hij dat zeer spijtig vond.
Ook de rest van de week voelde de geleerde zich anders dan anders. Alsof hij zijn nieuw gevonden gespreksgenoot miste. Telkens als er iemand binnenkwam, keek hij tegen beter weten in of het Arno was. Zijn ogen zochten hem tevergeefs in de klas tussen zijn leerlingen, maar vonden hem niet.
Alcuïn was uit zijn doen en liet de lessen meer en meer aan de drie hulpdocenten over. Zogenaamd om brieven te schrijven, al kwam daar niet veel van.
Toen hij op een van die dagen na een paar uur voor zich uit te hebben gestaard naar het blaadje voor zijn neus keek, had hij slechts één enkele zin op het perkament gekrabbeld. Wat stond daar?
“Jij bent mijn adelaar,” las hij.
Een gekke zin. Maar toch ook waar. Arno had gezegd dat zijn naam in het Salzburgs “adelaar” betekende en dat paste precies, vond Alcuïn.
Wat had hij toch? Hij kon wel alle uren van de dag aan deze mooie vreemde man denken. Ongemerkt hield hij hele gesprekken met Arno in zijn hoofd. Niet alleen tijdens het eten of vlak voor het in slaap vallen, maar zelfs gedurende het bidden in de dagelijkse mis. Alcuïn was er met zijn aandacht niet bij en miste soms grote delen van de dienst. Blijkbaar wilde hij graag nog een keer met de mooie man praten om nog eens van gedachten te wisselen, dacht hij gemoedelijk. Tot het moment echter dat Arno weken later plotseling weer in levende lijve voor hem stond. Toen plakte van schrik Alcuïns tong vast aan zijn gehemelte en staakten zijn hersenen. Hij kon niets verzinnen om te zeggen. Arno had nergens last van en lachte de schoolmeester blakend van gezondheid en energie toe.
“Ik ben terug van mijn opdracht en had zin om ons gesprek van drie weken geleden voort te zetten.”
“Drie weken en twee dagen geleden,” verbeterde Alcuïn en kleurde tot onder zijn pij vuurrood. Dat had hij helemaal niet willen zeggen. Was hij nou die welbespraakte geleerde? De woorden rolden zomaar onbeheerst uit zijn mond. Kon iemand op zijn vijftigste al seniel worden?
Arno schonk hem een stralende glimlach, pakte onverwacht zijn hand en trok de verbouwereerde schoolmeester mee naar buiten.
“Kom, ga mee wandelen,” zong de mond met de rechte tanden en de perfecte lippen. Samen liepen ze over het pad door de tuin. Voordat Alcuïn het wist, hadden ze de draad van een volgend interessant gesprek alweer te pakken en trokken ze getweeën het onderwerp hand over hand naar zich toe. Het was meer een elkaar aanvullen dan discussiëren.
Ze liepen en liepen, langs weiden en korenvelden, door het bos en over de hei. Hun gesprek stroomde en stroomde. Totdat ze uitgeput aan de oever van een groot meer neerploften. Moe maar voldaan keek Alcuïn zijn gesprekspartner aan.
“Jij bent net een adelaar,” verzuchtte hij zonder er over na te denken of het wel een correcte zin was. Arno kwam naast hem zitten.
“En jij bent net een zwaluw,” fluisterde hij Alcuïn toe. Zijn gezicht was heel dichtbij.
“Ik? Een zwaluw?” vroeg Alcuïn met opgetrokken wenkbrauwen.
Arno knikte.
“Zwaluwen vliegen hun hele leven door de lucht en het is net alsof jouw geest zich altijd op grote hoogte bevindt, wendbaar en snel.”
Dat was nou zo bijzonder aan deze Arno. Die vond niks gek. Voor het eerst van zijn leven begreep Alcuïn wat het betekende om een geestverwant te hebben. Natuurlijk had hij Eanbald in York, maar dat was anders. Zij waren meer broers. Arno, tsja… Arno was zijn zielsmaatje. Nu al. Terwijl ze elkaar nog maar zo kort kenden. De geleerde had nooit geweten dat zoiets kon, maar het kon. Het bestond. Dolgelukkig pakte hij Arno’s hand.
“Ik ben blij dat jij bestaat.” Hij zuchte van geluk. Arno knikte vurig en gaf ten antwoord een zacht kneepje in de warme hand.
“En ik ben blij met jou, mijn zwaluw.”
Hoofdstuk 7: Een warm bad
In de loop van de maanden kwam Arno af en toe even aanwaaien bij een van de vele plaatsen in het immense Frankenland waar de koninklijke familie die zomer verbleef. Dan spraken ze elkaar lang en intens. De schoolmeester had niet alleen plezier in deze gesprekken met de bisschop van Salzburg, hij had er ook veel steun aan. Ze spraken over de gekste onderwerpen die hen beiden na aan het hart lagen.
“Wat een goed idee dat jullie die nieuwe standaardmissaal hebben doorgevoerd,” complimenteerde Arno de schoolmeester.
“Nu zegt iedereen tenminste dezelfde gebeden op,” beaamde Alcuïn.
“Maar zijn we er wel mee opgeschoten?”
“Hoe bedoel je, aderlaartje?”
“De meeste mensen verstaan geen woord van het Latijn. Dus de gewone boeren en marktkooplieden kunnen de kerkdiensten amper volgen.”
“Je hebt gelijk. Het beste zou zijn om de mensen in hun eigen taal te laten bidden.”
“Haha, jij kunt veel, wijze zwaluw, maar het Latijn in de kerk afschaffen gaat zelfs jou niet lukken!”
Alcuïn kon niet anders dan toegeven. Hij dacht na. Het was ook bijzonder om samen met iemand stil te kunnen zijn.
“Wellicht kan voor de gewone bevolking muziek een ingang tot het goddelijke zijn,” opperde hij. “Ik word zelf altijd heel blij van het zingen van de psalmen en hymnen…”
De bisschop van Salzburg knikte. “Gods liefde kan door vele deuren binnenkomen. Een mooie melodie kan ook minder belezen mensen in vervoering brengen”.
Samen waren ze het er over eens dat het van het grootste belang was om voor aansprekende muziek te zorgen.
Gesterkt door dit gesprek zeurde de schoolmeester koning Karel net zolang aan zijn kop totdat die instemde met wederom een nieuwe wet: “In iedere kerk dient het gregoriaans beoefend te worden zoals in de Sint Pieter van Rome.”
Toen Arno allang weer op pad was, stuurde de geleerde hem een juichende brief achterna.
“Het is gelukt! Door jouw hulp is de muziekwet er gekomen! En dat niet alleen. Op gezag van de koning wordt er zelfs een speciaal schrift voor muzieknoten ontwikkeld. Deze noten op papier helpen zangers de melodie te onthouden. Dank je, mijn adelaar, voor je scherpe blik en heldere visie.”
In de zomermaanden zagen ze elkaar regelmatig. Soms verlangde Alcuïn ernaar om ook ’s nachts bij zijn geliefde vriend in bed te kruipen, dicht tegen hem aan, net zoals bij Eanbald vroeger. Arno was echter een gewijde bisschop en die zou dat nooit toestaan.
In het begin waren de koude wintermaanden Alcuïns meest gelukkige tijd geweest, omdat de koninklijke familie dan op een vaste plek verbleef. Nu had de schoolmeester het juist in de maanden in Aken te kwaad, als het buiten te koud was om te reizen en de wegen te glad. Alleen in geval van nood meldde zich een zendbode aan de poort van het paleis in Aken, maar geen enkele keer was dat Arno. Die zat warm en droog in Salzburg.
In die eenzame avonduren schreven ze elkaar dikke brieven en soms, heel soms, lukte het om ze mee te geven met een bode voor de koning die precies de goede kant opging.
“Helaas kan deze zwaluw niet vliegen, anders bezocht hij de adelaar op zijn nest in het zuiden,” vertrouwde Alcuïn aan het papier toe. Als hij geluk had bracht dezelfde bode later een brief vanuit Salzburg mee terug, vol van verlangen naar “lessen van de schoolmeester”. Ze schreven in code, voor het geval hun brieven per ongeluk in verkeerde handen terecht zouden komen.
Na een eindeloos lange winter van wachten en verlangen stond Arno eindelijk weer voor de deur van het paleis in Aken. Met zijn mantel nog aan stoof hij meteen door naar het klaslokaal waar hij behalve de koning vooral Alcuïn hoopte te vinden.
De les was net afgelopen. De twee kameraden omhelsden elkaar hartelijk zoals mensen doen die elkaar kennen en lang niet hebben gezien. Alcuïn noemde Arno zelfs openlijk “adelaar”, omdat iedereen aan het hof die bijnaam inmiddels voor de bisschop van Salzburg gebruikte. Al liet de schoolmeester het “mijn” zekerheidshalve achterwege.
Een stuk minder bruin gekleurd na de lange winter, maar nog altijd even mooi, stond Arno daar te blauwbekken in de ruimte. Sneeuwvlokken glinsterden in zijn haren. Buiten vroor het nog altijd behoorlijk en de bode was zo te zien tot op het bot verkleumd.
“Daar helpt maar één remedie tegen,” grapte de koning die opstond van de vloer. Als iedere andere leerling had hij gewoon op de grond zitten werken. Daardoor had Arno hem helemaal over het hoofd gezien.
Verbaasd keek de bisschop naar Karel de Grote. Hij was niet gewend dat een koning zich vernederde door op de grond te gaan zitten. Die omhelsde schaterlachend zijn zendbode.
“In deze ruimte erken ik mijn meerdere in de hooggeleerde schoolmeester, zoals ik in de kerk buig voor God, de allerhoogste heerser.”
Daarna duwde hij zijn gast in de richting van de deur.
“En nu op naar de termen om warm te worden.”
De bisschop van Salzburg schudde heftig zijn hoofd en bleef stokstijf staan.
“Het is ons geestelijken verboden om vaker dan twee keer per jaar in bad te gaan,” verzette hij zich.
Karel de Grote richtte zich tot Alcuïn.
“Toe schoolmeester, wend je gezag aan en zorg dat mijn onwillige bode naar jou luistert. Verzin eens een ijzersterk argument waar hij geen nee tegen kan zeggen, daar ben jij anders ook altijd zo goed in.”
Ondertussen duwde hij Alcuïn in de richting van de nog altijd bibberende Arno. Die wist niets beters te doen dan de bisschop van Salzburg bij de arm te nemen en samen met hem naar de deur te lopen.
De twee mannen stonden al in de gang toen Alcuïn de koning zijn naam nog hoorde roepen. Vlug stak de schoolmeester zijn hoofd terug om de deurpost.
“Misschien is de bisschop wel preuts en wil hij daarom niet in bad. Hang maar het bordje “bezet” op de deur. Ik zal zorgen dat niemand jullie verder stoort, maar maak in godsnaam dat hij opwarmt. Aan een zieke zendbode heeft niemand iets!”
Alcuïn knikte en rende zijn vriend achterna.
“Ik wil niet in de tobbe,” mopperde Arno. “Zo’n klein kuipje waar je alleen dubbelgevouwen in past en dan steekt de helft van je lijf nog boven het water uit, bah!”
Alcuïn schoot in de lach bij het idee.
“Wie heeft het over een tobbe?” vroeg hij plagerig. “Er zijn hier natuurlijke warmwaterbronnen. Daar is Aken beroemd om. Vaak gaat de koning met een heel gevolg samen in bad, soms met wel honderd mannen tegelijk. Hoogwaardigheidsbekleders, adviseurs, hoffunctionarissen, lijfwachten, noem maar op. Vandaag heeft hij jou zomaar toestemming gegeven om zonder hem van deze baden gebruik te maken. Dat is heel bijzonder.”
Inmiddels waren ze bij de termen gearriveerd. Het oude complex, ooit nog door de Romeinen gebouwd, bevatte een binnen- en een buitengedeelte.
“Zei je warm water?”
Nieuwsgierig keek Arno de schoolmeester aan en kwam er iets van de oude beminnelijkheid in zijn stem terug.
“Waar wachten we dan nog op?” Het volgende moment was de adelaar door de deur van het badhuis verdwenen.
Alcuïn dacht er net op tijd aan om het bordje “bezet” op te hangen, maar zijn vriend bleek totaal niet preuts. Gewijd bisschop of niet, zonder een spoortje gêne trok hij zijn bruine pij uit. Zo voor de ogen van Alcuïn! Hup, daar gingen zijn hemd en onderbroek. Poedelnaakt stapte Arno het dampende water in.
Wat een torso. Moet je die stevige dij- en bilspieren eens zien. De gebruinde huid leek glad en zacht en glanzend. Alcuïn kon zijn ogen er niet van afhouden.
Voor een vliegende adelaar wist de bisschop ook goede raad met water. Met krachtig geslagen zwom hij naar het einde van het bad en terug. Soepel en sierlijk gleed zijn slanke lichaam door het water, totdat hij met zijn hand de kant aantikte waar Alcuïn stond te kijken.
“Kom je nog?”
Dikke druppels water vielen uit zijn haren en gleden langs zijn borst, die snel op en neer ging van het hijgen omdat hij zo hard gezwommen had.
“Schiet op, het water is verrukkelijk!”
Alcuïn kwam tot zichzelf. Wat? Hij het water in?? Daartoe had de koning hem al zo vaak uitgenodigd, maar de geleerde had het tot nu toe altijd afgehouden. Zou hij??
Slechts één moment weifelde hij even, toen lag zijn pij al aan zijn voeten. Zijn handen deden het ondergoed uit nog voordat zijn hoofd besloten leek te hebben wat hij zou doen.
Voorzichtig liet hij zich in het water glijden. De warmte omsloot zijn hele lichaam en voelde weldadig aan. Arno was alweer naar het einde van het binnenbad gezwommen en ook Alcuïn trok een paar baantjes, totdat ze samen aan de kant hingen bij te komen.
“Tikkie, jij bent hem.”
Alcuïn voelde een tik op zijn bovenarm en zag hoe de adelaar ervandoor stoof in het water. Wacht maar, dacht hij, een zwaluw is veel sneller en hij racete achter zijn vriend aan. Ze zaten elkaar achterna. Spatten elkaar joelend nat en vochten een robbertje totdat ze haast geen lucht meer kregen en leunend tegen elkaar aan hingen, steun zoekend om uit te hijgen.
Arno’s adem blies half in Alcuïns oor. Het bezorgde de schoolmeester rillingen over zijn hele lichaam. Hij voelde de warmte van hun beider bovenbenen tegen elkaar aan. Arno’s hand rustte om Alcuïns middel en zijn gezicht was heel dichtbij. Alcuïn zou zo de zoute waterdruppels van zijn wangen kunnen kussen, van zijn voorhoofd en zijn mond.
Zijn adelaar keek hem aan met een uitdrukking in de ogen die de geleerde schoolmeester nooit eerder had gezien. Langzaam kwamen die heldere kijkers dichterbij alsof ze nog dieper in Alcuïns ziel wilden schouwen. “Je mag alles weten,” wilde hij zeggen, maar zijn mond werd dichtgesnoerd. De lippen van Arno lagen op zijn lippen en hij voelde een hand in zijn nek.
De zachte natte lippen streelden zijn hele mond, duwden harder, gingen open. Een tong zocht zijn tong. Hij kon niet meer bedenken “mag dit wel?” of “wat doen we nou?” Hij kon alleen nog maar Arno’s liefde indrinken en diens handen overal op zijn lichaam voelen.
Alcuïn streelde terug, vanuit een onbedwingbare neiging om de mooie man – die met zijn naakte lichaam in de volle lengte tegen hem aanstond – aan te raken, overal. Strelen, aaien, zoenen, graaien. Hij kneep in de gladde huid en kneedde de spieren daaronder. Nergens voelde hij een randje vet. Alleen maar mannelijke kracht, vooral in die bilpartij. Deze man was zo aantrekkelijk. Hij wilde hem wel opeten als dat kon.
Wat deed Arno nu? Alcuïn voelde hoe er een hand tussen zijn benen gleed en stevig zijn stijve lid omklemde. Die stijfheid herkende hij wel, dat gebeurde wel eens vaker. Maar die beweging, dat gevoel, dat was nieuw.
Sinds hij was aangevallen, lang geleden, was “dat daar beneden” verboden gebied. Alcuïn raakte zichzelf niet aan en deed net alsof zijn lichaam onder het koord dat zijn pij ophield niet bestond. Maar nu werd zijn aandacht er in volle kracht naartoe getrokken en ontwaakte er iets in hem dat hij voorheen niet kende. Even bestond er niets anders meer dan dat allesoverheersende gevoel. Ergens ver weg drong de notie tot hem door dat dit misschien niet mocht, maar hij wilde niet dat het zou ophouden. Het gevoel werd sterker en sterker. Hij kreunde en greep zich vast aan Arno. Wat deed die man met hem dat hij nu zo in vervoering was?
“Arno,” hijgde hij. “Mijn adelaartje. Ik hou van jou.”
Hij had het nog niet gezegd of er explodeerde iets, in zijn hoofd, in zijn buik. Hij kon het niet goed thuisbrengen. Het intens opgebouwde gevoel ontlaadde zich en met schokken spoot er vreemd wit spul het water in. Met glazige ogen keek hij ernaar, terwijl Arno hem in zijn nek kuste.
Gerommel aan de deur. Het volgende moment stond Sigwulf bij het bad. Of de heren kwamen eten?
Alcuïn keek verschrikt om naar Arno. Die was al bij het tegenoverliggende einde van het bad en deed alsof hij baantjes trok. Vervolgens keek Alcuïn naar zijn buik. Tot zijn opluchting was zijn lichaam diep genoeg onder water om iets te kunnen zien en had de stroming de witte vlokken al meegevoerd. Pas toen richtte hij zijn ogen weer op Sigwulf en knikte dat ze er aankwamen.
Hoofdstuk 8: Nieuwe letters
Sinds die dag was Alcuïn in de war. De wijze schoolmeester besefte heel goed dat hij iets gedaan had wat absoluut verboden was en voelde zich schuldig. Tegelijkertijd miste hij zijn adelaar meer dan ooit als die er niet was.
Wanneer Arno wel in Aken verbleef, sloop de bisschop ’s nachts stiekem naar de kamer van zijn vriend. Hoe Alcuïn zich ook voornam om ermee te stoppen, telkens als hij die prachtig mooie man in zijn deuropening zag verschijnen, kon hij de verleiding niet weerstaan en sloeg de dekens uitnodigend open.
Er was niets fijners dan samen slapen. Het bleef echter nooit bij slapen alleen. Samen ineengestrengeld op bed liggen had hij nog voor zijn geweten kunnen verkopen. Maar als hij dat sterke lijf eenmaal tegen zich aanvoelde wilde hij strelen en zoenen en meer. Veel meer. Arno leerde de schoolmeester dingen die hij met al zijn boekenwijsheid nooit had geweten: het vrolijke spel van de ondeugd, het zoete feest van het minnen.
Dat was zondig. Hij wist het. Ze beseften het allebei terdege, maar het verlangen naar elkaar in geest en in lichaam was sterker dan hun beider tegenkracht. Sterker dan de drang tot leven bijna. Ze vierden hun vleselijke lusten bot en kregen er geen genoeg van.
Zelfs als Arno er niet was, hunkerende Alcuïn naar hem en speelde met zichzelf. Sinds hij geleerd had hoe dat moest, sliep hij menig nacht tevreden in na de roes der begeerte.
Als een echte schoolmeester begon Alcuïn de boeken erop na te slaan. In zonde leven met een vrouw was misschien nog te vergeven geweest, zo las hij in de geschriften, daarvoor was de wereld ooit met het water van de zondvloed schoongespoeld. De mannen uit Sodom echter werden gestraft met vuur, voor hen bestond geen vergiffenis. Die wetenschap drukte zeer op Alcuïns geweten en hij begon zichzelf voor straf te geselen. Zo hard hij kon sloeg hij zichzelf met een zweepje op zijn ontblote bovenlijf, zijn benen en billen. De pijn leidde hem tijdelijk af, maar zoals een mot wordt aangetrokken door het licht, zo draaiden zijn gedachten uiteindelijk altijd weer om Arno. En dan was er slechts één manier om de opgebouwde spanning te ontladen.
Alcuïn begon zichzelf te haten. Overdag predikte hij over vrome godsvrezendheid, maar ondertussen deed hij zelf dingen die hij aan niemand durfde opbiechten en zeker niet aan God. Wat hij voelde was tegennatuurlijk, zeiden de bijbelse wetten. Was Arno soms een gemene duivel die hem verleidde het slechte pad op te gaan? Waarom voelde het dan zo goddelijke in zijn armen? Daar beleefde Alcuïn een geluk dat hij met niets kon vergelijken, zelfs niet met zijn heerlijkste uren in de boekenkamer.
Voor niemand op aarde had hij ooit eerder zulke gevoelens gehad. Voor meester Albert, Eanbald en zijn leerlingen voelde hij ook liefde, maar het meest van al hield hij van Arno, van zijn eigen mooie adelaar. Hun band was het licht in zijn leven, de kern van zijn bestaan en toch was het verkeerd. Hoe kon dat toch? Hij werd nog eens gek!
“Nooit geweten dat liefde een mens zo wanhopig kon maken,” vertrouwde hij aan het perkament toe en gooide het daarna meteen in het vuur uit angst dat iemand het zou lezen.
De dagen begonnen langzaam killer te worden. Het zou vast weer een hele winter duren voordat zijn adelaar opnieuw kwam aanvliegen. Om zijn geest bezig te houden stortte Alcuïn zich op zijn werk. Daar was hij tenslotte voor aangenomen.
In de komende maanden zou hij Karel de Grote leren schrijven, nam hij zich heilig voor. De koning was dit keer ook vastbesloten om door te zetten. Iedere ochtend gingen ze er samen een uur voor zitten.
De schoolmeester keek toe hoe zijne majesteit zich door de teksten heen worstelde. Door het vele oefenen was zijn hand al iets meer gewend geraakt aan de beweging van het schrijven. Maar het papier bleef weerbarstig en de punt van de ganzenveer kraste onwillig tot hij vlekte of brak. De combinatie van gretigheid en ongeduld die koning Karel vertoonde, hielp ook niet mee. Hij verzuchtte dat het makkelijker was geweest om de Lombarden te verslaan dan om te leren schrijven.
Nu Alcuïn de tijd nam om beter te kijken, zag hij dat de koning eigenlijk de meeste moeite had met het maken van de letters omdat hun vorm zo ingewikkeld was. Terwijl hij de machtige heerser slag zag leveren in deze letterstrijd, vroeg Alcuïn zich af of er geen manier was om het schrijven voor zijn broodheer makkelijker te maken. Voor iedereen eigenlijk. Konden die letters niet simpeler, helderder, leesbaarder?
Wat een goede inval! Zie je, God had hem nog niet verlaten, anders zou de adem van Zijn geest hem nooit zo’n goed idee hebben ingefluisterd…
Alcuïn ging aan de slag. Hij nam een wastablet alsof hij een beginnende leerling was en tekende, veegde uit en tekende opnieuw. Zo geconcentreerd was hij in tijden niet geweest. Urenlang vormde de schoolmeester nieuwe letters, schiep en herschiep totdat er 23 eenvoudige duidelijk tekens op het plankje stonden.
Met zijn vondst rende hij laat op de avond naar de slaapkamer van koning Karel en was zo enthousiast dat hij zonder kloppen naar binnen stormde. De koning lag in bed, samen met een blote dame. Het was Fastrada, zijn nieuwe vrouw sinds Hildegarda. Zij gilde en bedekte haar naaktheid zo snel als zij kon met een laken, maar dat lukte niet meteen omdat Karel er bovenop lag met zijn grote lijf en niet direct opstond. Alcuïn zag alles.
Nooit eerder had de geleerde een vrouw in haar Evakostuum gezien. Hij schrok en keek beschaamd weg… Deed een stap naar achteren… Stamelde een verontschuldiging… Zei dat het later wel kwam en snelde de koninklijke slaapkamer uit. De koning bulderend van de lach achterlatend.
Die nacht probeerde Alcuïn zich voor te stellen dat hij met een vrouw zou vrijen. Hoewel de gedachte daaraan eveneens zondig was en strikt verboden, zou het volgens de geschriften meer de natuurlijke gang van zaken zijn. Met moeite kon de schoolmeester, die toch over een enorme verbeeldingskracht beschikte, zich indenken dat hij bloot bovenop iemand als Fastrada zou gaan liggen. In zijn fantasie streelde hij haar lichaam en gaf haar een zoen, maar onderwijl gruwde hij bij het idee. Alcuïn dacht niet dat hij ooit verliefd zou kunnen worden op een vrouw. Dat bleven vreemde wezens die ver van hem af stonden.
Hoe anders voelde zijn samenzijn met Arno! Telkens als ze elkaar zagen, pakten ze als vanzelf de draad van hun gesprek weer op, ook al had er soms meer dan een halfjaar tussen gezeten en verbonden ze zich moeiteloos tot in het diepst van hun wezen. Alsof ze twee zielen met één gedachte waren en soms zelfs met één lichaam.
Als hij zo aan Arno dacht, miste hij zijn mooie adelaar hevig. Vooral nu de winter nog zo lang zou duren.
Hoofdstuk 9: Karels letter
“Heb je een letter voor mij gemaakt?” Karel de Grote reageerde verrast en ontroerd.
De volgende ochtend had Alcuïn het niet kunnen laten om nog voor de kerkdienst opnieuw met zijn wastablet naar de slaapkamer van de koning te lopen. Dit keer klopte hij netjes aan. Fastrada was nergens te zien en koning Karel liep keurig gekleed in zijn nachtgewaad rond.
Bij het zien van de nieuwste uitvinding van zijn geleerde zette de koning zette grote ogen op. Wat een briljant idee. Hij ging de nieuwe letters meteen oefenen en warempel, dit schreef een stuk makkelijker!
Ze waren zo in het schrijven verdiept, dat ze helemaal vergaten naar de ochtendmis te gaan en zelfs het ontbijt oversloegen.
In het paleis was grote paniek uitgebroken, omdat de koning zoek was. Totdat de kleine Einhard de twee mannen uiteindelijk vond. Ze waren in een stil hoekje van het scriptorium gaan zitten om het nieuwe alfabet meteen op een vel perkament voor de eeuwigheid vast te leggen. Deze simpel gevormde letters waren geweldig en mochten niet kwijtraken als iemand per ongeluk over de was op het plankje wreef.
“Einhard,” riep de koning en stak de kleine hoffunctionaris het oorspronkelijke plankje onder zijn neus. “Kijk eens, 23 nieuwe letters. Heeft Alcuïn voor mij verzonnen!”
Einhard keek met een schuin oog. “Mooi, Sire,” piepte hij, “maar we zoeken u. Iedereen zoekt u. Goddank bent u weer terecht.”
De koning luisterde amper en stoof naar de gang. “Laat allen verzamelen in het klaslokaal,” verordonneerde hij in het voorbijgaan.
Ook al was Karel de Grote het scriptorium al uit, toch boog Einhard nederig voor de koning zoals het hoorde. Daarna keek hij Alcuïn aan. “Het klaslokaal?” vroeg hij verbaasd, “maar de koning loopt nog in zijn nachtgewaad!” Dat was Alcuïn nog niet eens opgevallen, zozeer waren ze samen opgegaan in de vreugde van zijn zelfverzonnen alfabet.
Snel haastte de schoolmeester zich achter de koning aan. Ondertussen rende Einhard zo hard als zijn korte beentjes hem konden dragen het hele paleis rond om overal te verkondigen dat Karel de Grote weer gevonden was. “In het leslokaal verzamelen allemaal!” riep hij er achteraan.
Toen Alcuïn bij de klas aankwam, waren er al best veel mensen aanwezig. Karel de Grote stond op een verhoging in zijn nachtkleding en hield het stukje perkament omhoog. De menigte gaapte hem aan.
“Ziehier, lieve mensen. Nieuwe letters. Die heeft onze goede schoolmeester speciaal voor mij vervaardigd. Dit alfabet schrijft veel makkelijker en is goed leesbaar. Lekker duidelijk en helder.” Wat was de koning in zijn nopjes.
Er kwamen steeds meer bewoners van het paleis aanlopen. Zij keken in het begin raar op van het vreemde schouwspel, maar al snel waren ook zij in de ban van de nieuwe lettervormen.
“Hier, probeer maar,” moedigde koning Karel enkele leerlingen aan. “Schrijven gaat hiermee echt veel gemakkelijker. Ik had altijd veel moeite om de letters op het papier te krijgen, maar deze vormen willen wel. En als ik het kan, dan lukt het iedereen!”
Fredigius deelde wastabletten uit. Het stukje perkament met de voorbeeldletters ging rond. Binnen de kortste keren zaten mensen overal in het lokaal over de schrijfplankjes gebogen, soms zelfs twee of drie per wastablet. Het was een leuk gezicht. De kokkin naast de abt, de koningin deed samen met Witzo. Hooggeplaatste raadslieden knikten goedkeurend. Zelfs de kopiisten van het scriptorium reageerden verheugd.
“Mogen wij deze letter voortaan ook gebruiken?” vroegen ze opgewonden.
“Natuurlijk,” juichte de koning. “Ik zal een wet laten maken. Vanaf nu gebruiken we in het hele land deze letters, die we voortaan Karels letter zullen noemen.”
Nou ja, zo snel ging het natuurlijk niet, dat wist Alcuïn ook wel, maar over een paar jaar zou zijn zelf verzonnen letter toch wel ingeburgerd zijn en daarmee was de geleerde zeer ingenomen, al zou zijn letter niet naar hem maar naar de koning vernoemd worden.
Hij ging het direct aan Arno schrijven. Een lang epistel opgesteld in de nieuwe letter. De schoolmeester zou er wel een spiekbriefje bijvoegen, dan lukte het vast best om het te lezen. Nog diezelfde dag verstuurde Alcuïn een dikke brief aan Arno en een aan Eanbald om over zijn nieuwe uitvinding te vertellen en hij kreeg van beiden een hartelijke brief terug in zijn eigen lettertype. Hoe leuk was dat!
Eanbald schreef hoe trots hij op zijn broer was en hoe druk hij het nog steeds had. “Een aartsbisschop heeft menig taak.” Tot slot vroeg hij – als altijd – of Alcuïn ooit nog van plan was naar York terug te keren.
De reactie vanuit Salzburg klonk heel anders. Arno filosofeerde hoe bijzonder het was dat wij mensen alles, ja werkelijk alles wat we kunnen bedenken konden opschrijven met slechts 23 letters “en vanaf nu ook nog in de mooie elegante vorm die jij hebt bedacht.” Echt een man naar Alcuïns hart!
De adelaar eindigde zijn brief met een bekentenis: “Jij hebt het vuur in mijn ziel aangestoken en mijn geest voor altijd verlicht.” Hetgeen kon slaan op Arno’s dorst naar kennis, maar ook op nog veel meer. Wekenlang droeg Alcuïn deze brief bij zich onder zijn warme wollen pij, op zijn blote huid, dicht bij zijn hart. Alleen al de gedachte aan Arno’s lieve woorden verwarmde hem op de koude winterdagen.
Hoofdstuk 10: Spaties en vraagtekens
Met alleen een eenvoudiger lettertype – hoe welkom ook – waren ze er nog niet. Vooral een eenmaal geschreven tekst weer teruglezen, bleek nog lastig. Voor iedereen, maar met name voor de koning was dat nog een hele kunst en hij raakte opnieuw gefrustreerd.
Alle letters stonden keurig in het gelid tegen elkaar aan. Dat gaf een heel blad vol letters zonder ordening en Karel de Grote kon niet achterhalen waar het ene woord eindigde en het volgende begon. Als koning was hij zo gewend direct zijn zin te krijgen, dat kalmte en geduld geen deugden van hem waren. Het was sneu om hem te zien ploeteren. Misschien zou er altijd een volgend obstakel komen, toch besloot Alcuïn na te denken over een hulpmiddel, omdat hij als schoolmeester menig leerling met het lezen van Latijnse teksten had zien worstelen.
Ditmaal duurde het langer voordat Alcuïn er iets op gevonden had, terwijl de oplossing uiteindelijk zo simpel was. Als men bij het schrijven wat ruimte, al was het maar een heel klein beetje, tussen de verschillende woorden openliet, dan was bij teruglezing in één oogopslag duidelijk welke letters bij welk woord hoorden. Toen Alcuïn deze verandering doorvoerde bleek dat al een hele verbetering.
Zoals verwacht, deed zich onmiddellijk daarna het volgende probleem voor. Nu de verschillende woorden in de letterbrij van elkaar te onderscheiden waren, was het nog de vraag hoe de lezer de afzonderlijke zinnen uit elkaar kon houden. De meest voor de hand liggende oplossing zou zijn geweest om aan het eind van iedere zin een grotere opening vrij te houden, maar dat was zonde van het dure perkament.
Het kostte Alcuïn de rest van die lange lange winter om er iets op te verzinnen, maar uiteindelijk kwam hij met een geniaal antwoord: “Laten we de eerste letter van iedere nieuwe zin in het oude lettertype schrijven. Die zijn groter dan de nieuwe Karels letter en vallen dus meteen op. Iedereen kent die letter nog en je hoeft er maar één per zin schrijven.” De koning was blij dat hij de meest geleerde man van het Westen naar zijn hof had laten komen. Die Alcuïn was inderdaad gewoonweg briljant!
De winter was voorbij. De lente allang begonnen. Waar bleef Arno nou?
Meer dan ooit verlangde Alcuïn naar de komst van zijn adelaar. Nu hij zo bejubeld werd aan het hof voelde de schoolmeester zich weer wat beter over zichzelf. Hij had besloten dat Arno en hij best vrienden mochten zijn. Ze konden samen van gedachten wisselen, dat was al heerlijk en dat andere gedoe moesten ze gewoon verder achterwege laten. Dan was er voortaan niets aan de hand.
Alcuïn liep zo over van verlangen naar zijn vriend, dat hij besloot hem een gedicht te sturen. Omdat de liefde zo van alle woorden afspatte verving hij de adelaar door een koekoek. Iedereen kende Arno’s bijnaam als de adelaar, maar niemand wist dat Alcuïn door de bisschop weleens zwaluw werd genoemd. Als de brief in verkeerde handen zou vallen, zou alleen Arno weten wat de schoolmeester uit Aken bedoelde met zijn versje over de koekoek.
“De kleine koekoek die altijd voor ons zong,
heeft ons op een onbewaakt ogenblik verlaten.
Lieve kleine koekoek, waar ben je gebleven?
Vlieg jij ooit nog terug naar het nest?
Zoete liefde doet ons rouwen.
Als een broer zijn lieve ware broer verliest
dan huilt hij bittere tranen.
Ik smeek je, kom snel.
Wacht niet langer, de lente is allang aangebroken.
Kom, dan zingen we weer vrolijke liedjes.
Laat ons droeve liederen achter hem aansturen,
want men zegt dat liedjes vogels doen terugkeren.
Moge jij altijd gelukkig zijn, waar je ook bent
en vergeet ons niet, maar denk aan mij, altijd en overal.”
Aan het eind van het gedicht wilde hij aan Arno vragen wanneer hij nu eindelijk kwam, maar hoe deed je dat? Dat was iets waar koning Karel ook nog vaak moeite mee had. Hoe wist de lezer nu dat de zin als vraag bedoeld was? Alcuïn wilde dolgraag dat zijn vriend in Salzburg zijn hartenkreet “Kom je nu snel” niet als gebod maar als vraag zou lezen. Daartoe verzon hij een teken, zomaar uit het niets, een grappig gevormd kronkelding en zette dat achter de zin. Daar naartoe tekende hij een pijltje en schreef erbij dat dit symbool betekende dat de zin als vraag bedoeld was. Er moest ook maar snel een wet komen die dit teken in het hele land zou invoeren.
Alcuïn gaf zijn brief af voor het geval er binnenkort een zendbode richting Salzburg ging en liep toen in ganzenpas door naar de koning om hem over zijn nieuwste vondst te vertellen.
“Een soort vraagteken?” Karel sloeg zijn schoolmeester op de schouders. “Je bent geweldig. Misschien moeten we jou maar voortaan Alcuïn de Grote noemen!”
Maar voor die eer paste de schoolmeester nederig.
Hoofdstuk 11: Het gemis
Karel had een aantal vaste bestemmingen die hij ieder jaar wel een keer aandeed. De palts in Nijmegen was een van zijn favorieten. Het paleis stond op een heuvel en van daaruit had je prachtig uitzicht over een bocht in de Waal. Met zijn allen namen ze er voor twee weken hun intrek.
Het was hoogzomer, de feestdag van de heilige Johannes was zelfs al voorbij en Alcuïn had de hoop om Arno dat jaar nog te zien al opgegeven.
Hij maakte zich grote zorgen omdat hij nog steeds niets gehoord had. Zou de bisschop uit Salzburg ziek zijn? Alle andere zendbodes liepen namelijk af en aan. Of had zijn vriend last van gewetenswroeging en wilde hij Alcuïn nooit meer zien?
Het was een snikhete dag en de schoolmeester zat net in de schaduw van een grote boom een brief te schrijven, toen hij achter zich een bekende stem zachtjes hoorde fluisteren. “Zwaluw, ben je hier?”
Abrupt sprong Alcuïn op en draaide zich om. Zijn hart sloeg een paar slagen over. Daar, midden in de paleistuin, stond zijn vriend, net zo bruin en gezond als altijd. Arno was duidelijk op zoek naar de schoolmeester, maar had hem niet zien zitten achter de boom en wilde alweer weglopen.
“Adelaar!”
Alcuïn voelde hoe zijn hart een inhaalslag maakte en nu als een razende op hol sloeg.
“Adelaar,” riep hij nog een keer.
Met een ruk keerde Arno zich om en keek Alcuïn stralend aan. Zichzelf vergetend, renden de beide mannen naar elkaar toe en vlogen elkaar om de hals.
“Daar ben je,” riep Alcuïn blij.
“Zwaluw, mijn zwaluw, wat heb ik jou gemist,” omklemde Arno zijn vriend stevige met beide armen.
Toen, als op een afgesproken teken, lieten ze allebei beschaamd los, herschikten hun pijen en een van hen mompelde “We moeten ons verder wel gedragen.” Daar was de ander het mee eens. “Als gewone vrienden. Dan mag het wel.”
Blijkbaar was Arno ook in gewetensnood gekomen en liet hij zich daarom pas zo laat in het jaar zien. Hij had een eind aan de relatie willen maken en zich nooit meer aan het hof van Karel de Grote willen vertonen, maar de wens om Alcuïn te ontmoeten was uiteindelijk te groot geweest.
“Als we gewoon wat wandelen en praten, kunnen we elkaar tenminste af en toe zien,” verzuchtte de bisschop en lachte zijn rechte tanden bloot. Alcuïn kreeg er een wee gevoel van in zijn buik en keek snel weg. Hij was te blij dat de adelaar weer was geland om dit hernieuwde contact door zijn verkeerde verlangens te laten verpesten.
Het ging ongeveer een dag goed. Ze liepen een heel eind en hielden ondanks de hitte keurig hun bezwete pijen aan.
Zelfs die eerste nacht konden ze zich beheersen.
Maar de tweede nacht ging het al mis. De hele dag hadden ze gepraat, terwijl hun ideeën als jonge dolle honden over elkaar heen buitelden. Samen smeden ze plannen tot in de hemel.
Ze waren nog lang niet uitgesproken en het was zo benauwd binnen dat ze besloten een heel eind buiten in het donker langs de Waal te gaan lopen waar het iets koeler was. Wandelen en praten. Dat mocht wel. Daar school geen kwaad in, toch?
Strelen met woorden was echter niet genoeg. Ze wilden elkaar aanraken, voelen, omarmen. Een beetje liggen in het zand dat nog warm was van de dag, beiden met hun pijen aan, dat gaf toch niet?
Gefluister onder de sterrenhemel in de zwoele nacht.
“Ik zag steeds jouw ogen voor me, onder die borstelige wenkbrauwen van je.” Een vinger gleed over de haartjes boven een oogkas, volgde de lijn naar beneden over de neus en een wang.
“Als jij lacht dan heb je van die leuke kuiltjes.” Een andere vinger wees precies de plek aan die bedoeld werd.
“Ik miste jouw honingzoete lippen.” De kleine golven van de rivier maakte zachte kabbelde geluidjes tegen de stenen aan de wallenkant.
“Soms voelde ik nog jouw handen op mijn lijf. Overal.”
Praten mocht toch wel?
Praten was niet genoeg. Verstrengeld liggen voelde al fijner, maar bevredigde nog niet helemaal. Ze konden niet anders dan verdergaan. Zoekend naar de ultieme verbinding. Naar de totale wederzijdse overgave.
Na afloop bleef de schaamte over.
Arno vertrok, zelfs zonder afscheid te nemen. Hij liet geen briefje achter, geen snel gekrabbeld woordje op een wastablet. Niets. Het hart van Alcuïn was verscheurd en gebroken. Hoe had hij zichzelf zo kunnen laten gaan? Nu was hij zijn vriend voor altijd kwijt, terwijl ze samen zo op één lijn zaten met hun gedachten over de wereld en hij juist in de gesprekken met deze man altijd op de meest bijzondere ideeën kwam.
Vaak gebeurde dat vanzelf. Alcuïn probeerde hun spectaculaire idee van deze keer te reconstrueren. Het begon met zijn eigen verzuchting dat hij zo genoot van het taalgebruik van Arno. “De meeste brieven die ik uit andere kloosters krijg staan vol spelfouten.”
De bisschop van Salzburg herkende het probleem onmiddellijk. “De monniken zijn wel vroom, maar hun grammatica is abominabel!”
Alcuïn knikte. “Eigenlijk zouden ze allemaal op les moeten…” verzuchtte de geleerde.
Dat vond zijn gespreksmaatje een goed idee. Als er iemand getuige was geweest van hun conversatie had diegene vast in lachen uitgebarsten. Het was ook zo grappig om die twee mannen met hun beide hoofden naast elkaar te zien zitten knikken en elkaars zinnen te horen aanvullen.
“Het is hartstikke belangrijk dat alle geestelijken netjes en correct Latijn leren schrijven.”
“Hoe kun je ooit op een goede manier nadenken als je grammatica rammelt?”
“Helder denken begint bij juiste spelling.”
“Uiteindelijk zullen ze dan ook de heilige Schrift beter gaan begrijpen.”
Het was heerlijk geweest om het zo hartgrondig met elkaar eens te zijn en tot zijn grote verdriet zou Alcuïn die gespreksmomenten nu voortaan moeten missen.
Terug in Aken stelde de schoolmeester samen met koning Karel een wet op waarin alle bisschoppen en monniken van het land de opdracht kregen nauwkeuriger met de taal om te gaan en verplicht een studie van de grammatica moesten maken. Het deed Alcuïn genoegen te bedenken dat ook de bisschop van Salzburg een kopie uit het scriptorium van deze wet onder ogen zou krijgen.
Hoofdstuk 12: Een uitzonderlijke wet
De wet lokte de adelaar zelf opnieuw naar Aken. “Ik wilde je feliciteren met deze overwinning.”
Sindsdien kwam Arno af en toe toch weer langs. Vaak in opdracht als zendbode of soms verzon de bisschop van Salzburg een smoes om dringend met de koning te moeten spreken. Hij bleef nooit lang en altijd probeerden ze opnieuw om van hun contact een gewone acceptabele vriendschap te maken. Dat lukte de ene keer beter dan de andere, maar nooit helemaal.
Wat ze er zelf ook van vonden, het was wel een vruchtbare vriendschap. Uit een van de vele geanimeerde gesprekken die de schoolmeester met de bisschop voerde, kwam een revolutionair voorstel te voorschijn. Een ongekend groots idee dat enorme gevolgen kon hebben. Niet alleen de geestelijken in het land moesten les krijgen, ook de andere onderdanen verdienden onderwijs!
Alcuïn was wel een jaar bezig met de geheime voorbereiding van zijn plan, maar toen had hij ook echt iets goeds in handen. Het kostte best nog wat moeite om Karel de Grote te overtuigen. De koning was bezig om zijn rijk te verdedigen dat aan de ene kant Moren en aan de andere kant Mohammedanen als buren had, dus veel tijd voor studie en dat soort dingen had hij niet.
Alcuïn liet het er niet bij zitten. Hij sprak net zo lang op de koning in en gebruikte alle denkbare argumenten, totdat koning Karel uiteindelijk toegaf en Alcuïn toestemming gaf een concepttekst voor een wet op te stellen voor het krankzinnige plan dat de gedreven schoolmeester nu weer had uitgebroed.
Toen de tekst klaar was, veranderde Karel de Grote er geen letter aan, voegde enkel zijn handtekening toe en daarmee was een nieuwe wet geboren. Alcuïn bracht het vel naar het scriptorium. Liet de monniken acuut stoppen met hun bezigheden en verordonneerde dat deze wet met voorrang overgeschreven moest worden. In honderdvoud en meer. Een kopie voor iedere parochie in het land.
We schrijven 789. Onderwijs gaat de koning aan het hart. Alles vergaat, alleen kennis vermeerdert en blijft eeuwig bestaan. Laat iedere stad en elk dorp daarom een school oprichten zodat alle inwoners van dit land basisonderwijs kunnen volgen in schrijven en lezen, in rekenen en zingen. En het belangrijkste van al: laten de lessen gratis zijn!
Een openbare school voor iedereen, zelfs in het kleinste boerengehucht. Dat was Alcuïns droom en die werd nu verwezenlijkt. In heel de geschiedenis van de mensheid was dit nog nooit vertoond. God had er goed aan gedaan Alcuïn in Aken te plaatsen.
Zodra de wet in Salzburg werd afgegeven zou de adelaar komen aansnellen. Alcuïn wist precies wat zijn vriend zou zeggen: “Wat een prestatie. Het is je gelukt. Gratis onderwijs voor iedereen! Stel je eens voor wat er zal gebeuren als elke inwoner van het grootste land hier in het Westen over een paar jaar geletterd is…” en dan zouden ze samen dromen over de betere wereld waarin ze dan leefden. Ze zouden dronken zijn van geluk bij de gedachte dat zij dat samen voor elkaar hadden gekregen. Natuurlijk hadden ze die andere opwinding dan niet nodig, dacht Alcuïn.
Arno kwam inderdaad. Het klopte dat hij de schoolmeester hartelijk feliciteerde met het behaalde resultaat en dat ze vervolgens gelukzalige dromen sponnen over de uitwerking van deze historische wet in de toekomst. De wereld zou veranderen. Eén punt veranderde echter niet. Hun behoefte aan elkaar. Waarom was die Arno toch ook zo godvergeten knap? Moest je eens zien hoe elegant hij zich bewoog met dat immer aantrekkelijke lichaam van hem. Wie kon daar nu weerstand aan bieden?
De roes van de overwinning ging over in de drang naar overweldiging. Dit keer gingen alle remmen los en deden ze dingen die ze daarvoor nooit hadden gedaan. Kwam het omdat buiten de herfstwind al aan de luiken rukte en ze beiden wisten dat ze elkaar noodgedwongen een hele winter niet meer zouden zien?
Alcuïn schrok van zijn eigen ongeremdheid. Voor het eerst had het ook pijn gedaan. Een beetje, en het was een zoete pijn die hem alleen maar meer had opgewonden. Wat was hij voor man? Overdag schreef hij aan een dik boek over de deugd, maar ondertussen… Dit moest stoppen!
Voor de zoveelste keer sloeg hij zichzelf tot bloedens toe, maar hij wist dat het niet zou helpen, hoezeer hij zichzelf ook verwondde. Er was maar één manier om zich nooit meer zo slecht over zichzelf te hoeven voelen, echt maar één manier – en al zag hij er vreselijk tegenop, toch nam de geleerde een besluit.
In een hoekje van de stal wachtte hij totdat Arno de volgende ochtend in alle vroegte weg zou sluipen, vol schaamte en zonder afscheid, net als anders. Deze keer nam Alcuïn afscheid. Welbewust en voorgoed. Hij zou de bisschop van Salzburg in dit aardse leven nooit meer zien. “Adieu, mijn lieve vriend. Tot weerziens bij God,” waren zijn laatste woorden.
Hoofdstuk 13: Het afscheid
Het werd een lange winter. De herfstmaand ging over in de heilige maand. Wekenlang raasde de gure wind om het Akense paleis. Buiten lag een dik pak sneeuw. Alcuïn bleef alle dagen binnen waar het warm was en knus. Al knaagde het gemis als een muis aan zijn hart.
Bezig blijven en afleiding zoeken was het devies. Er viel van alles te doen. Op een gegeven moment had de schoolmeester het zo druk dat hij de lessen aan Sigwulf, Fredigius en Witzo overliet. Zelf richtte hij zich op zijn landelijke projecten.
Nu Alcuïns nieuwe letter was ingevoerd werden overal in het land belangrijke boeken overgeschreven in de veel leesbaardere Karelsletter. Het schrijven van de simpelere tekens ging tevens een stuk sneller.
In de oude handschriften had Alcuïn echter regelmatig slordige schrijffouten gezien. Eén verkeerde letter kon de betekenis van een woord zomaar veranderen en een zin onbegrijpelijk maken. Daarom liet Alcuïn vanuit het scriptorium van Aken vele brieven verzenden naar alle andere schrijfcentra in het land om kopiisten op het hart te drukken de nieuwe boeken vooral zorgvuldig en met grote concentratie over te schrijven.
In het verre verleden waren prachtige boeken geschreven, over filosofie en geschiedenis bijvoorbeeld, maar de laatste eeuwen had men het te druk gehad met verdediging van de landsgrenzen om zich veel om deze boeken te bekommeren. Ze zonken weg in de vergetelheid. Van sommige, zoals enkele kerkvaders, bestond nog maar een enkel exemplaar.
“Wat zou het zonde zijn als deze generatie de erfenis van onze illustere voorgangers zou laten verdwijnen,” betoogde Alcuïn tegen iedereen die het maar wilde horen. Zijn hartstochtelijke woorden wakkerden bij anderen een reeds smeulend vuurtje aan. Zoals bij de zus van koning Karel, Gisela, die abdis was in het nonnenklooster van Celles en die zorgde voor een enorme tekstproductie in de jaren dat zij daar leiding gaf.
Aan het eind van de winter keek Alcuïn met genoegen terug op alles wat hij tot nu toe bereikt had. Hij was inmiddels ongeveer acht jaar aan het hof van Karel de Grote en had niet alleen een goede paleisschool in Aken opgezet, maar overal in het land voor onderwijs gezorgd. Er waren kundige leerkrachten opgeleid die konden beschikken over foutloze studieboeken. Tot dan toe waren de ridders en de graven van de koning vaak analfabeet geweest, enkel opgeleid in jagen, paardrijden en vechten. Hun kinderen leerden nu allemaal lezen en schrijven. Ze kregen grammatica om goede woorden te leren spellen en logica om er hele zinnen van te maken. Ze werden onderwezen in retorica zodat ze effectief konden spreken en dialectica waardoor ze helder leerden denken.
“Net als aan de academie van Plato,” stelde Karel de Grote op een keer met grote vreugde vast en warmde zich behaaglijk aan het vuur in de haard. Alcuïn schudde zijn hoofd.
“Onze school is beter, want wij bestuderen ook nog de heilige Schrift!”
Dat beviel de koning wel. Vooral toen zijn schoolmeester uitlegde dat onderwijs via een trap gaat die begint bij het spellen van letters, woordjes en zinnen om uiteindelijk op de hoogste trede met het bestuderen van de theologie regelrecht naar de hemel te leiden.
“Dus ik ga mijn volk voor op weg naar de stad van God!” riep koning Karel verheugd uit.
Ook Alcuïn leunde tevreden achterover. Zijn taak zat erop, realiseerde hij zich opeens. Eindelijk kon hij naar huis. Weg van het drukke hofleven en het verplichte reizen in de zomer. Wat miste hij de stilte van het klooster, zijn boeken, alle oud-leerlingen en natuurlijk Eanbald. De geleerde twijfelde geen moment en nam meteen zijn besluit.
Koning Karel keek vreemd op toe zijn geliefde leraar totaal onverwacht aankondigde terug naar York te gaan. Was hij niet gelukkig hier? Schortte er iets aan? Kon iemand nog iets doen om hem van gedachten te laten veranderen? Alcuïn schudde zijn hoofd. Voor hem was dit van begin af aan slechts een tijdelijke opdracht geweest. Zijn wortels lagen in Engeland.
“Als het even kan, dan zou ik graag zo spoedig mogelijk vertrekken, zodat ik Pasen thuis kan vieren.”
Thuis, wat klonk dat heerlijk! Hij zei er maar niet bij dat hij zo snel weg wilde, omdat hij bang was anders Arno tegen het lijf te lopen. Die kwam meestal in de lente naar Aken zodra de wegen het toelieten.
Karel de Grote gaf zijn leermeester met moeite toestemming om te gaan.
“Weet dat je hier altijd welkom bent!” drukte hij Alcuïn op het hart. Ze omhelsden elkaar als dierbare vrienden. Alcuïn stond meteen op om zijn voornemen aan zijn drie assistenten mee te delen. Die waren inmiddels volwassen genoeg om hun eigen plan te trekken en besloten om achter te blijven in de school van Aken. Zonder enige twijfel gaf Alcuïn hen alle drie direct zijn zegen. “De paleisschool is bij jullie in goede handen. Ik vertrouw de leerlingen met een gerust hart aan jullie zorg toe.”
De volgende ochtend vertrok Alcuïn naar York. Naar huis.
.
DEEL IV
Terug in York (790-793)
.
Hoofdstuk 1: De gevaarlijke overtocht
Eigenlijk vertrok Alcuïn iets te vroeg. Het werd daardoor een barre tocht. De nachten waren nog erg koud, zodat er een dikke laag ijs op de rivieren lag en Alcuïn grote delen van de weg te voet moest afleggen omdat er nog geen schuiten voeren.
In de haven van Antwerpen vond hij gelukkig een schip dat al snel naar Engeland ging. Op de grote Noordzee lag geen ijs, maar het was aan boord zo kil dat Alcuïn zijn beide pijen over elkaar aantrok om warm te blijven.
Tot overmaat van ramp kwamen ze in een akelige storm terecht. De passagiers maakten een aantal angstige dagen mee. Het bootje, dat eerst een stevig schip had geleken, tolde als een nietig vlekje op de golven.
Aangezien Alcuïn de enige geestelijke aan boord was, smeekte de kapitein hem om te bidden voor hun zielenheil. Iedereen dacht dat zijn laatste uur geslagen had. Ook Alcuïn vreesde voor zijn leven en verzonk in diep gebed. Hield zijn aardse reis hier op omdat hij klaar was met zijn levenstaak of werd hij vroegtijdig bij de hemelse vader geroepen als straf voor alle zonden die hij had begaan?
“Laat mij leven,” bad hij hardop. Geen mens die hem verstond door de bulderende wind. Zou God hem dan wel kunnen horen?
“Ik heb spijt van mijn onbezonnen daden. Alstublieft vader, ik ben pas vijfenvijftig jaar en beloof beterschap. Dit keer echt! Ben ik niet speciaal vroeg in de lente weggegaan om Arno te ontlopen? Laat me terugkeren naar York en daar mijn leven verder oppakken. Wees gerust. Voor Eanbald heb ik heel andere gevoelens. Hij is als een broer voor mij, maar ik beloof u dat wij nooit meer samen in de boekenkamer zullen slapen.”
In tijden van nood belooft men de gekste dingen, maar het leek te helpen. Toen de storm eenmaal was uitgeraasd, had het schip hier en daar wel wat schade, maar stond de mast nog rechtop overeind. Ook het roer functioneerde prima. Ze hadden het gered, al waren ze een flink eind uit koers geraakt.
Op goed geluk stak de kapitein verder de Noordzee over en voer de eerste de beste rivier op die hij tegenkwam. Was dit Engeland?
Ja, Alcuïn herkende de omgeving. Dit was het landschap van zijn jeugd. Deze rivier heette de Humber en daar verderop in dat kasteel was hij geboren. Hoe vreemd om hier weer terug te zijn.
Het schip ging voor anker en wie wilde kon van boord. Nu de kapitein wist waar ze waren zou hij morgen met een gerust hart verder varen naar Londen. Alcuïn stapte als enige uit. De haven van Londen lag een heel eind van York, terwijl het vanuit hier nog slechts een aantal uren per kar rijden was naar het klooster. Dat wist hij nog van zijn zevende verjaardag. Wat leek dat lang geleden.
Alle passagiers bedankten Alcuïn uitbundig voordat hij van boord ging, alsof hij hen persoonlijk van de dood had gered. Het maakte hem zo verlegen, dat hij zich snel uit de voeten maakte.
In de verte lag het kasteel van zijn vroegste jeugd. Zouden zijn ouders nog leven? Zouden zijn broers hem nog herkennen? Even dacht hij eraan bij de poort aan te kloppen. Maar hoe dichterbij hij kwam, des te meer bekroop hem de twijfel. Waartoe? Wat had het voor zin? Hij had hier niets meer te zoeken. Eigenlijk nooit gehad. Zijn thuis was de kathedraalschool in York en Eanbald was zijn enige echte broer.
Alcuïn wilde het liefst zo snel mogelijk naar huis. Omdat hij dit keer het hele eind zelf moest lopen kon hij beter haast maken. Dus liet hij het kasteel links liggen en volgde stevig doorwandelend het pad langs de rivier de Humber.
Ook hier in Northumbrië was het erg koud geweest deze winter en grote delen van de weg waren opgedroogd tot gladde ijskorsten. Net toen Alcuïn het na een flink eind lopen eindelijk een beetje warmer begon te krijgen, gleed hij plotseling uit en kwam hard ten val. Voor een moment was hij te beduusd om te beseffen wat er gebeurd was. Toen krabbelde hij op. Zijn knie bloedde en zijn heup deed zeer.
Meer dan strompelen kon hij niet, maar er was hier in geen velden of wegen een boerderij of schuur te bekennen waar hij zou kunnen schuilen, dus hij moest voort.
Na een uur werd zijn knie dikker en voelde zijn dijbeen stijver. Alcuïn kreeg het koud, omdat hij niet stevig genoeg doorstapte om warm te blijven. De gure wind blies door de dubbele laag pijen heen. Toen hij honger kreeg, besefte de ongelukkige reiziger geen eten bij zich te hebben. York was nog een heel eind en toen begon het ook nog zachtjes te regenen. Een lichte miezer, maar toch druilerig genoeg om er helemaal nat en koud van te worden. Waren we maar met schip en al vergaan, dacht hij.
Alcuïn schrok van zichzelf. Wat waren dat voor rare gedachte? God had hen net allemaal behouden aan land gebracht…
Als hij eerlijk was, voelde de schoolmeester zich somber vanaf de dag dat hij de deur achter Arno definitief had dichtgetrokken. Hoe leuk en gevuld zijn leven ook was, hij miste iets. De ondertoon van vreugde en geluk die hem zo lang als op adelaarsvleugels door de dagen had gedragen was weg en op die plek in zijn hart was een treurige duisternis en leegte achtergebleven.
“Het was zondig,” sprak de eenzame wandelaar zichzelf hardop toe. “En dat soort sombere gedachten zijn ook hartstikke zondig.” Hij strompelde nog een paar wankele stappen. Toen stond hij stil en keek naar de bewolkte donkergrijze avondhemel.
“Allemaal zonde,” riep hij luid en maakte een wegwerp gebaar.
“Het is ook zonde van de moeite om te lopen als een kar toch dezelfde kant op rijdt, eerwaarde,” hoorde hij een stem achter zich zeggen.
Geschrokken keerde Alcuïn zich om. Even leek het alsof God hem persoonlijk antwoord had gegeven, maar toen ontwaarde hij een silhouet achter zich. Daar op het pad stond een kar, getrokken door een bruine knol. Op de bok zat een oude boer.
Of de eerwaarde een stukje wilde meerijden? Alcuïn deed niets liever. Hij probeerde op de bok te klimmen. Zijn been deed echter inmiddels zoveel pijn bij het buigen dat hij slechts met de grootste moeite naast de boer plaatsnam en Alcuïn was blij toen hij eindelijk zat.
“De eerwaarde heeft geluk dat ik pech had vandaag,” zei de oude man, terwijl hij de knol tot lopen aanspoorde. “Anders zou ik nooit zo laat meer op pad zijn geweest.”
Alcuïn knikte ten teken dat hij het begrepen had. Zou de boer zijn geknik wel gezien hebben? Het was inmiddels best donker buiten.
“Deze knol kent de weg naar huis met haar ogen dicht,” mompelde de boer. Daarna zaten ze een halfuur in stilte op de bok naast elkaar. Alcuïn raakte tot op het bot verkleumd, maar was dankbaar dat hij dit hele eind niet meer had hoeven lopen.
De boerin kwam ongerust naar buiten toen de kar het erf opdraaide.
“Waar was je, man? Weet je niet hoe ongerust ik was? Oh, je hebt bezoek meegenomen, zie ik. Met wie hebben we het genoegen?”
Alcuïn stapte van de bok. Een felle pijnsteek schoot door zijn been. De heup leek na het stilzitten nog stijver en de knie zowaar nog dikker. Met een vertrokken gezicht gaf hij de vrouw een hand en stelde zich voor als Alcuïn van York.
“Nee maar, de beroemde schoolmeester uit York. Ze zeggen dat er nergens een wijzer man te vinden is. U heeft zelfs aan Karel de Grote lesgegeven, heb ik gehoord. U is al haast een heilige.” Ondanks zijn zere lijf schoot Alcuïn in de lach. Zijn reputatie was hem over de Noordzee vooruit gesneld. Daarna vertrok zijn gezicht opnieuw, dit keer alleen niet van pijn. De mensen moesten eens weten, dacht hij heimelijk.
“Toen ik daarnet onderweg uitgleed en hard op het bevroren pad viel, had ik zeer zondige gedachten,” biechtte hij op, terwijl hij met moeite achter de boer en boerin het huis in strompelde. De vrouw haalde haar schouders op en wees op een van de stoelen bij de tafel.
“U is en blijft ook maar een mens, eerwaarde.”
Met een moederlijk gebaar zette de boerin een kom warme pap voor hem neer.
In de boerderij was het behaaglijk warm. De pap stilde zijn honger en Alcuïn kwam weer een beetje bij.
“U bent een wijs mens, mevrouw,” sprak hij dankbaar. De boerin kleurde.
“En dat wordt mij gezegd door de wijste man van het land,” kirde ze blij. “Nou, met alle goede werken die u doet voor de mensheid mogen ze U wat mij betreft gerust heilig verklaren,” gunde ze hem.
“Wat jij man?”
Maar de boer was al boven zijn pap in slaap gevallen.
Met een stevige por stootte de boerin haar man wakker. Of hij de eerwaarde niet even naar diens slaapplaats wilde brengen? Dat bleek de stal te zijn. Er was slechts één enkele bedstee in de boerderij en daar sliep het echtpaar zelf. Bij de haard was het nu nog warm, maar het vuur zou doven als er niet regelmatig hout op gelegd werd. De warmste plek voor gasten was de stal. Alcuïn moest maar diep onder het hooi kruipen. Van de knol zou hij vannacht geen last hebben.
Toen verdween de boer en nam de lantaarn mee. De schoolmeester in volslagen duisternis achterlatend.
Ach, eigenlijk lag dat stro best lekker. Hier en daar prikte het een beetje, maar dat wendde wel. Blij dat hij zijn vermoeide en pijnlijke lijf kon laten rusten gaf Alcuïn zich over en sliep meteen in.
Hoofdstuk 2: Een vrolijke lijdensweek
De volgende dag voelde Alcuïns been tot zijn grote opluchting iets minder pijnlijk en dik, al was het nog wel behoorlijk stram. Omdat de zondag een rustdag was hoefde de boer niet te werken. Eigenlijk mocht hij op de dag des heren ook niet met de kar rijden, maar aangezien Alcuïn een geestelijke was vermoedde de boerin dat God vast niet boos zou worden als haar man dit keer een uitzondering zou maken. Zodoende reed de boer die middag na de kerk nog het laatste stukje met Alcuïn op de kar naar York.
Halverwege brak het zonnetje waterig door en bescheen de stad in de verte. De toren van de kathedraal stak overal boven uit. Bijna thuis, dacht Alcuïn.
Met ratelende wielen trok de kar over de brug van de Ouse.
“Dag Pyttel,” groette de schoolmeester zijn oude vriend in stilte. Hij had niet de neiging om hier bij de rivier ter nagedachtenis aan zijn gestorven vriend af te stappen. Het vertrouwde klooster lag nog maar een paar honderd meter verderop. Daar wilde hij naartoe.
De boer bracht hem tot pal voor de poort. Alcuïn bedankte de man hartelijk. Hij kon hem niets geven voor diens goede zorgen.
“Geeft niet, eerwaarde, het was mij een eer en een genoegen. Leef wel!” groette de man en keerde zijn kar.
Nog voordat zijn begeleider goed en wel uit het zicht verdwenen was, liet Alcuïn de klopper al met een klinkende smak op de poort vallen. Niet lang daarna ging de deur een klein stukje open en gluurde er een hoofd door de kier. Zodra de monnik zag wie daar stond, zwaaide de zware houten deur wijd open en werd de schoolmeester uitbundig verwelkomd door een van de oudere monniken.
Eenmaal binnen stiefelde Alcuïn direct door de lange gangen naar de boekenkamer. Tot zijn grote spijt zat die op slot. Toen besloot hij eerst zijn zware ransel maar eens in zijn oude cel neer te zetten.
De ruimte leek iets kleiner dan in zijn herinnering, maar alles stond er nog bij zoals hij het had achtergelaten en het rook er nog precies hetzelfde. Dat deed hem deugd.
Onverwachts omklemden twee sterke armen zijn bovenlijf. Dat kon maar één iemand zijn.
“Eanbald,” riep hij verheugd en draaide zich om.
Zijn vriend was meteen gekomen zodra hij hoorde dat Alcuïn weer terug was. Dat nieuws verspreidde zich als een snelle stormwind door het klooster. Eanbald had tranen in zijn ogen.
“Goddank dat je bent teruggekomen.”
Alcuïn knikte.
“Het is heerlijk om weer terug te zijn. Alles ziet er nog hetzelfde uit en zelfs de geur is vertrouwd.”
Eanbald schoot in de lach en liet zijn vriend los uit de omklemming waarin hij hem had vastgehouden.
“Dat kan ik van jou niet zeggen. Je stinkt een uur in de wind!”
Nu lachte Alcuïn ook.
“Dat is vast paardenmest! Ik heb vannacht tussen het stro in een stal geslapen.”
De aartsbisschop, die zichzelf in de loop van de jaren steeds waardiger was gaan gedragen om het goede voorbeeld aan alle monniken in het klooster te geven, kreeg een lachbui.
“Wat dacht je?” grinnikte hij. “Als het hooi in de kribbe goed genoeg is voor onze Verlosser, dan is het ook voldoende voor de meest geleerde man op aarde?”
Wat was het heerlijk om zijn broer weer terug te hebben!
“Dan zal ik eerst maar eens een tobbe opzoeken,” grapte Alcuïn vrolijk terug. “Jullie gaan allemaal pas met Pasen in bad, maar zo lang kan ik niet wachten.”
Het volgende uur al voegde hij de daad bij het woord en ’s avonds kon hij schoon en fris gezeten op zijn oude plek aan tafel de maaltijd nuttigen.
Alcuïn had echter wel een vreemde week uitgekozen voor zijn terugkomst. Net nu begon de zware lijdensweek waarbij men in de liturgie het verraad en de dood van Christus herdacht en alle monniken keken verdrietig omdat zij zich vereenzelvigden met het leiden van hun Heer. Ondertussen liep Alcuïn vrolijk rond door het gebouw, blij dat hij weer thuis was.
Witte Donderdag, Goede Vrijdag, Stille Zaterdag – Alcuïn beleefde de reeks anders dan alle voorgaande jaren. Hij richtte zijn blik niet nederig naar de grond zoals een kloosterling betaamde, maar zat intens tevreden rond te kijken, in de refter, in de gangen en tijdens de mis. Soms kruisten zijn ogen die van Eanbald. Zijn vriend leek haast nog gelukkiger dan hij.
Met Pasen voelde iedereen zich als herboren. Om de beurt gingen ze stuk voor stuk in de tobbe en met zijn allen maakten ze een nieuwe start.
Alhoewel… voor Alcuïn bleek het toch lastiger dan gedacht om zijn oude leven weer op te pakken. De lessen werden sinds zijn vertrek gegeven door Clemens en dat ging best goed. De eeuwige schoolmeester liet het zo. Eerlijk gezegd voelde hij er ook niet veel voor om jaar na jaar opnieuw te beginnen met telkens nieuwe leerlingen. Zo af en toe gaf Alcuïn een lesje voor de lol, meer niet. Maar wat moest hij hier dan doen? Alcuïn drentelde door de gangen met zijn ziel onder de arm. Van de refter naar zijn cel en terug. Hij ging wat bidden in de kerk en wandelen in de tuin. Natuurlijk had de geleerde vele brieven te schrijven en dat deed hij ook, maar de rest van de dag kon hij zijn draai niet vinden.
Eanbald zag de onrust in de ogen van zijn vriend en liet een sleutel van de boekenkamer bijmaken. Daarmee kon de schoolmeester hele dagen in de bibliotheek werken. Voor een geleerde bestond er niets fijners op aarde dan studeren, toch? Had hij Eanbald niet zelf geschreven: “Oh, hoe zoet was het leven toen we in stilte tussen al onze boeken zaten.” Nu zou het vast wel goed komen.
Hoofdstuk 3: Een onmogelijke opdracht
Echter, die stilte en regelmaat – dingen waar Alcuïn eerst naar terug verlangde – benauwden hem al gauw. Alsof het klooster de berezen schoolmeester te krap was geworden.
Wilde hij over de muur klimmen en zwemmen in de Ouse? Dat was het niet.
Miste hij Arno? Altijd! Maar dat was het ook niet.
Was hij gehecht geraakt aan de eer en glorie aan het hof van Karel de Grote? Misschien.
Maar eerder miste hij waarschijnlijk nog de opwinding van een nieuw project, zo dacht de ongedurige geleerde. Of verlangde hij terug naar de invloed die hij had gehad?
Met enige regelmaat sprak hij erover met Eanbald. Die had het druk, maar probeerde zo vaak mogelijk tijd vrij te maken voor zijn vriend. Tot laat op de avond voerden ze intense gesprekken. Al hield Alcuïn zich aan zijn belofte, gedaan tijdens de angstige uren van de storm op zee, en sliep hij nooit meer samen met Eanbald in de boekenkamer. Nergens eigenlijk. Wat hij voor Eanbald voelde was wezenlijk anders dan zijn gevoelens voor Arno. Hoewel hij veel van zijn broeder hield, merkte hij nooit de neiging om met hem te zoenen, terwijl ieder onderdeel van zijn lichaam nog elke nacht naar Arno’s aanwezigheid snakte. Niet aan denken! Zoek afleiding. Verzin een project. Maar wat?
Na een paar weken kreeg Alcuïn een inval. Misschien kwam het door iets wat Eanbald zei? In ieder geval hadden ze het over het grote rijk van Karel de Grote dat uit allerlei verschillende volkeren bestond: de Bourgondiërs en de Lombarden, de Franken en de Friezen, van mensen uit Beieren tot Aquitanië toe. In al die verscheidenheid had de koning eenheid willen scheppen: één taal, één munt, één wetstelsel en overal dezelfde vorm van liturgie. Hoe fijn zou het niet zijn als er ook één bijbel was? Dan zou iedereen nog meer hetzelfde geloof leren.
Eanbald zat heftig te knikken. Hij begreep precies wat zijn broer bedoelde. “Als je verschillende kopieën van de heilige schriften in de boekenkamer leest, dan zijn ze allemaal net even anders. Terwijl God zijn woord toch maar één keer gegeven heeft. Maar welke van al die vertalingen is de juiste? En wie kan dat beter beslissen dan de meest geleerde man op aarde?”
Alcuïn hoefde er niet lang over na te denken. Hier was een nobele taak voor hem weggelegd en hij begon er met verve aan. Zin na zin worstelde hij de bijbel door en legde alle teksten uit de bibliotheek naast elkaar om ze te vergelijken. Af en toe gaf hij Hieronymus gelijk en soms Chrysostomos. Hij hakte knopen door, las en herlas. Bad om inspiratie en schaafde weer verder aan zijn bijbel der bijbels.
Maand na maand boog hij zich over de geschriften. Raadpleegde oude haast onleesbare Syrische boeken, ging te rade bij Griekse bronnen. Hij studeerde en mediteerde. Zelden kwam Alcuïn nog buiten. Vastberaden beet hij zich vast in de tekst en was van plan om nooit meer los te laten, niet voordat hij deze onmenselijke klus tot een goed einde had gebracht. Hoe wanhopig hij er soms ook van werd.
Via brieven hield de geleerde af en toe contact met zijn assistenten aan het hof die inmiddels volleerde docenten waren geworden. Van hen hoorde hij dat Karel de Grote in de zomer van 790 de Avaren had verslagen. Zou de schoolmeester daar echt bij hebben willen zijn? Eigenlijk zat hij hier toch best goed tussen de veilige kloostermuren, al hadden ze direct na zijn terugkomst wat krap gevoeld. Sinds hij aan zijn opwindende Bijbelproject bezig was, wende dat vanzelf weer en had hij zich vol overgave gezeten in zijn geliefde boekenkamer op z’n werk gestort.
Op de dag dat hem een hele stapel brieven uit Aken ineens bereikte, begreep Alcuïn bij voorbaat dat er iets gebeurd was. Zowel koning Karel als Einhard als alle drie zijn assistenten hadden naar York geschreven om Alcuïn van de laatste ontwikkeling op de hoogte te brengen. Pepijn met de bult bleek een poging te hebben ondernomen om zijn vader af te zetten.
Hoge edelen hadden de jongen wijsgemaakt dat zij De Gebochelde tot koning zouden kronen als hij een staatsgreep pleegde. Dus wachtte Pepijn totdat zijn vader in Beieren zat om onverwacht een greep naar de macht te doen. Het plan werd echter verraden, zo begreep Alcuïn die de brieven met bonzend hart las, en alle samenzweerders waren opgepakt en vermoord. Alleen Pepijn ontliep de doodstraf. Hem werden zelfs niet de ogen uitgestoken, zoals algemeen gebruikelijk was bij dit soort zware vergrijpen.
“De arme jongen is voor de rest van zijn leven opgesloten in een klooster in Prüm om daar monnik te worden,” eindigde zowel Sigwulf als Fredigius hun relaas in precies dezelfde bewoording.
Alcuïn had met Pepijn te doen. Dat kind had het niet gemakkelijk gehad. Als oudste zoon van de koning had hij machteloos moeten toezien hoe die een van zijn andere kinderen uit een later huwelijk de koninklijke naam Pepijn had gegeven. Daarmee was de rol van de eerste Pepijn eigenlijk uitgespeeld. Hildegarda was altijd aardig voor het gebochelde kind geweest, maar Karels nieuwe vrouw Fastrada stond bekend om haar wreedheid. Zij had de koning enkel twee dochters geschonken en bleek door een ziekte niet in staat hem nog meer kinderen te geven. Zonder zonen telde ze niet mee aan het hof en het was voor niemand een geheim dat koning Karel een maîtresse had, de mooie Leutgarde, dat was zelfs Alcuïn in het dichte klooster van York ter ore gekomen.
Wanneer hij in het Akense paleis was geweest, had de schoolmeester deze tragedie dan kunnen voorkomen? Vermoedelijk niet. Maar Alcuïn had misschien iets voor de gepijnigde jongen hebben kunnen betekenen en voelde hoezeer het Frankenrijk soms aan hem trok. Vooral als er – heel spaarzaam – een brief van Arno arriveerde.
Zodra zijn ogen het stempel uit Salzburg tussen de andere post ontdekten, maakte Alcuïns hart altijd een sprongetje. Soms liet hij het perkament wekenlang ongelezen opgerold in zijn slaapcel liggen. Af en toe rook hij eraan of hield de brief even vast voor het slapengaan. Hij koesterde zich in de wetenschap dat Arno aan hem dacht, maar probeerde het lezen van diens woorden zo lang mogelijk uit te stellen als oefening in zelfbeheersing.
Op een moment, vaak midden in de nacht als de geleerde het heel moeilijk had en verteerd werd van heimwee naar een land dat officieel zijn thuis niet was, opende hij de rol, hield het perkament dicht bij een kaars en dronk Arno’s liefde in. Altijd waren diens woorden nog mooier dan Alcuïn zich had kunnen indenken. De bisschop van Salzburg kon toveren met pen en inkt. Het was soms net alsof hij zijn hand dwars door het papier stak om Alcuïns hart aan te raken. Men noemt mij de wijste mens ter wereld, dacht Alcuïn vertwijfeld, maar met zoveel esprit als mijn adelaar kan ik niet schrijven!
Hoofdstuk 4: Eerste Vikingenaanval
Alcuïn hield van de boekenkamer van York. Alle denkbare werken van de meest belangrijke auteurs waren hier te vinden. Uren achtereen was hij in de weer met studeren en lezen, vergelijken en vertalen. Maar hoe heerlijk hij deze stille dagen ook vond, op een gegeven moment betrapte hij zichzelf erop dat hij het rondtrekken af en toe ook miste – het verfoeide reizen zoals hij vaak tegen zijn zin met de Frankenkoning had moeten doen. Vooral op mooie zonnige dagen verlangde Alcuïn naar buitenlucht en de wijde wereld. Naar natuur en vergezichten, steden en zonsopgangen, in plaats van dag in dag uit tussen dikke muren opgesloten zitten in een koud en donker gebouw. Afwisseling was wat hij nodig had.
In overleg met Eanbald besloot de geleerde om ’s zomers een paar weken door Engeland te trekken om zijn eigen land beter te leren kennen en te horen waar de mensen behoefte aan hadden. Misschien kon Alcuïn wel overal lobbyen en er op die manier voor zorgen dat ook hun eigen bevolking gratis onderwijs kreeg.
“Neem je wel een mes mee?” raadde de aartsbisschop aan. “We wonen in een ruig land.” Alcuïn knikte en trok naar het noorden.
Zijn vriend had niets te veel gezegd. Alcuïn schrok van wat hij onderweg zag. Hij liep van klooster naar klooster en overal waar hij kwam trof de geleerde dezelfde ellende. Dronken priesters, overspelige nonnen en onbekwame abten. Hoe moesten deze mensen ooit aan leken de ware leer brengen? Ze leefden er zelf niet eens naar. Op deze manier had het helemaal geen zin om over het opzetten van scholen te spreken.
Teleurgesteld in de situatie in het noorden van het land, trok Alcuïn de volgende zomer naar het zuiden. Daar ging het de bewoners niet veel beter af. De rechters waren corrupt en de graven stalen het land van de arme boeren.
In lange brieven aan Arno klaagde de geleerde zijn nood.
“Aan onze koningen hebben we al helemaal niets hier in Engeland. Die van Northumbrië hebben het te druk met elkaar afslachten. In de afgelopen jaren zijn al vele vorsten elkaar opgevolgd. Allen sterven ze een onnatuurlijke dood. Vóór de oude koning Elfwald zat ene Ethelred op de troon. Die vermoorde zoveel concurrenten dat hij toen is afgezet, maar na jaren van ballingschap is deze wrede heerser nu terug en heeft wederom de macht gegrepen. Voor de zekerheid bracht hij onlangs de beide zoons van koning Elfwald om, zodat die geen aanspraak meer kunnen maken op de troon. Waar moet dat heen met Engeland, lieve adelaar? Jullie hebben maar geluk met een koning als Karel de Grote.”
Het duurde lang voordat er antwoord kwam vanuit Salzburg. Sinds de Avaren waren verslagen had Arno opeens hun land er ook bij gekregen in zijn bisdom en hij had er zijn handen vol aan. “Ik heb het zo druk dat ik ook in de verre toekomst waarschijnlijk geen tijd meer zal hebben om nog veel te reizen. Meer dan een werkbezoek aan de paus zit er voor mij voorlopig niet meer in.”
Na het lezen van die zin betrapte Alcuïn zichzelf op een vreemde gedachte: dan kan ik rustig teruggaan naar Aken.
Hoezo? Verlangde hij echt zo erg naar het hof van Karel de Grote dat hij graag daar de laatste jaren van zijn leven zou willen slijten? Hij hoorde toch hier in York thuis, in de boekenkamer en bij Eanbald? Was hij niet een Engelsman in hart en nieren?
Wilde hij echt terugkeren naar het hof van de Frankische koning? Dat was toch ook geen lieverdje, zo bleek wel uit verschillende passages uit Arno’s laatste brief. “Karel de Grote onderwerpt nog altijd vele volkeren. Er zijn vijftien karren vol schatten vanuit de Avaren onderweg naar het paleis in Aken,” las Alcuïn in de zwierige Karelsletter die iedereen tegenwoordig gebruikte, maar die in het regelmatige handschrift van zijn vriend uit Salzburg altijd extra goed uit de verf kwam. Toch was wat Karel de Grote deed veel meer te waarderen, vond Alcuïn, en gewoon omdat het zo heerlijk was om per brief met de adelaar te discussiëren schreef hij een lange brief terug.
“Karel verslaat de heidenen en voedt ze op tot nette christenen. Hier in Northumbrië is het land rood van ons eigen bloed. Jullie Frankenkoning beschermt zijn rijk. Onze zogenaamde leiders zijn enkel bezig om hun eigen macht te behouden. Als dit zo doorgaat zal Engeland ten ondergaan.”
Met die laatste zin kreeg Alcuïn gelijk. In de julimaand van 793 vielen Deense Vikingen het Engelse eiland Lindisfarne aan. Al jaren vertoonden de gevaarlijke mannen uit het noorden zich op de Noordzee. Karel de Grote had een vloot tegen hen laten bouwen om de kust van zijn land te beveiligen, maar de koning van Northumbrië was zo bezig met zijn eigen troon dat hij vergat zijn land te beschermen.
Op het kleine eiland Lindisfarne ten oosten van de Engelse kust stonden alleen een kerk en een klooster. De heidense Noormannen roofden alle schatten weg en staken het eiland in brand. Een aantal van de monniken werd vermoord en de rest als slaven meegevoerd.
Toen Alcuïn dit verschrikkelijke bericht hoorde, knapte er iets in hem. In zijn ogen was dit de straf van God voor het laakbare gedrag van alle inwoners van Engeland die zich onchristelijk hadden gedragen! Hij schreef een boze brief aan koning Ethelred en een lange vol medelijden aan de bisschop van Lindisfarne, al had hij geen idee of er nog iemand op het eiland was die de moorddadige aanval had overleefd.
Eén ding wist de geleerde zeker: de Noormannen hadden buit geroken en zouden vaker terugkomen om overal in het land kloosters en kerken te plunderen. Alcuïn voelde zich op slag niet meer veilig. Het enige dat de rovers met rust hadden gelaten waren de botten van de heiligen, hetgeen de geleerde nog meer bevestigde in zijn overtuiging dat God wraak had genomen.
Alcuïn dacht aan Karel de Grote en aan diens vele dringende brieven aan de geleerde met allerlei verzoeken om raad. Zolang de schoolmeester in York was, had de koning der Franken hem regelmatig gesmeekt weer in Aken te komen wonen.
“Ons rijk wordt aangevallen door andersdenkenden, ware ketters wier ideeën regelrecht tegen het geloof ingaan. Kom alsjeblieft, je moet mij helpen om de juiste christelijke leer te verdedigen. Niemand kan zo goed argumenteren als jij.”
Drie jaar lang had Alcuïn de lokroep in de brieven weerstaan en zijn best gedaan om de koning op papier te steunen met advies en goede raad. Er was zelfs een schrijven van de paus gekomen met de nadrukkelijke oproep aan de geleerde om terug te keren: “Het Frankenrijk heeft u nodig.” Zelfs daarop had Alcuïn niet gereageerd, maar nu nam hij zijn besluit. Tegen Vikingen konden landen zich verdedigen met een oorlogsvloot, maar tegen aanvallen van gevaarlijke ideeën hielp geen leger. Daar waren geleerden met gezag voor nodig, slimme denkers die belezen waren en de heilige schriften kenden. Mensen zoals Alcuïn.
God had een nieuwe taak voor de oude schoolmeester. Hij voelde het. De vertaling van de bijbel was nog lang niet af, maar daar kon hij aan het Frankische hof ook rustig aan verder werken. Arno zou daar niet meer verschijnen. Er was niks wat hem tegenhield. Het leek of de gedachte Alcuïn vleugels gaf: hij ging terug naar Aken!
Met een zware steen op zijn maag vertelde hij over zijn besluit aan Eanbald. Die kende zijn vriend echter goed genoeg om te zien dat er al heel lang iets scheelde. Alcuïn had anders gelopen sinds hij hier was en de twinkeling in zijn ogen was langzaam gedoofd. Aangezien Eanbald niets liever wilde dan zijn broeder gelukkig zien, liet hij hem gaan. Al wist de aartsbisschop van York dat hij Alcuïn nooit meer zou ontmoeten in dit aardse leven.
“Adieu,” zei hij manmoedig en probeerde er niet aan te denken wat voor leegte Alcuïns vertrek in het klooster zou achterlaten.
“Ik zal je schrijven,” troostte de geleerde. Eanbald wist dat Alcuïn dat zeker zou doen en zag hoe zijn vriend met een licht verende tred door de deur naar buiten liep, zijn nieuwe leven tegemoet.
.
DEEL V
Opnieuw in Aken (793-796)
.
Hoofdstuk 1: Zonder adelaar
Nog in de hooimaand van 793 vertrok Alcuïn naar Aken. De reis verliep voorspoedig en zijn hart maakte een buiteling toen hij de zonovergoten Dom van verre al zag liggen. De basiliek had werkelijk een prachtige architectuur en Alcuïn realiseerde zich dat dit waarschijnlijk kwam door diens heilige maten: de breedte van de kerk was precies twaalf bij twaalf voet en de hoogte vijf bij twaalf voet. Dat hadden de bouwers expres gedaan, want twaalf is een heilig getal.
Wat hield de schoolmeester van deze plek, van dit centrum van kennis en cultuur waar de erfenis van het oude Romeinse Rijk zo glorieus was hersteld! En hij hield van Karel de Grote, die de meest christelijke koning was die Alcuïn kende. Had deze geweldenaar niet lang geleden de Lombarden verslagen, die vijanden van Rome? Was hij daarom niet gekroond met de ijzeren kroon van Lombardije, waarvan het ijzer gemaakt was van een spijker uit het kruis van Christus zelf? Op deze plek hoorde hij nu te zijn, voelde de geleerde toen hij onder de poort doorliep.
Als eerste ging Alcuïn op zoek naar de koning om hem te begroeten. Van Einhard die vrolijk naar hem zwaaide hoorde hij dat Karel de Grote met een heel gevolg aan het baden was.
“Hij heeft veel last van zijn jicht,” vertrouwde de kleine hofmeester Alcuïn piepend toe. “Het warme water helpt de pijn te verzachten, daarom vergaderen ze momenteel met zijn allen in bad.”
Zodra de schoolmeester door de deur naar de termen liep, keken alle hoofden vanuit het bad zijn kant op. Daarna keken ze allemaal terug naar koning Karel die was opgestaan en met weidse gebaren Alcuïn begroette. Wanneer hij met een heel gezelschap ging baden, droeg de koning soms een wijde tuniek in het water, maar als hij opstond – zoals nu – dan plakte de linnen stof tegen zijn lijf en zag je alsnog alles. Karel de Grote trok zich er niets van aan, zo blij was hij om Alcuïn weer te zien. Met klotsende passen kwam hij door het water op de geleerde af. Waterdruppels spetterden in het rond.
“Goed dat je er bent, schoolmeester,” lachte de koning uitbundig en stak hem zijn druipende gerimpelde hand toe. Alcuïn moest op zijn hurken gaan zitten aan de rand van het bad om de begroeting te beantwoorden. Als oude vrienden schudden ze elkaar de hand. Een omhelzing was te nat.
Plotseling trok de koning Alcuïn naar zich toe. Even leek het of hij de geestelijke met pij en al het water in zou trekken. Of ging hij zijn teruggekomen raadgever zoenen? Het hoofd van de geleerde was nu heel dicht bij dat van de koning. Nee, niet zoenen of omhelzen. Hij fluisterde Alcuïn iets in het oor.
“Ik ben zo blij dat je er weer bent… Voortaan mag jij – als je dat wilt – in Aken achterblijven wanneer wij zomers door het land reizen.”
Alcuïn knikte en keek de koning dankbaar aan. Dat was echt een fijn cadeau van Karel. Af en toe een beetje reizen was namelijk wel prettig, maar de hele zomer van plaats naar plaats trekken was juist weer erg vermoeiend. Dus het was heerlijk vanaf nu de keuze te hebben.
“Bedankt,” antwoordde hij.
Toen Alcuïn opstond en zijn rug rechtte, voelde de schoolmeester dat hij een oude man aan het worden was. “Wat wil je, ik loop ook al tegen de zestig,” dacht de geleerde en liep weg van het zwembad, blij dat hij in de zomermaanden in Aken mocht blijven. Bij de deur draaide hij zich nog even om en zei vrolijk: “Voorlopig wordt het eerst nog vele maanden winter, majesteit.” Karel de Grote plonsde met een spetterende duik achterover in het water en kwam proestend van de lach weer boven.
“Alcuïn is terug,” riep hij uitgelaten.
Hoofdschuddend verdween de schoolmeester door de deur met een brede glimlach op zijn lippen.
Bedienden hadden het goede nieuws al gehoord en waren zijn kamer aan het luchten en zijn bed aan het opmaken. Zo te zien was er tijdens zijn afwezigheid niemand in deze ruimte geweest. Het was nog altijd Alcuïns kamer. Hij zette zijn knapzak in de hoek en ging op zoek naar bekenden. De meesten vond hij in het klaslokaal. Sigwulf, Fredigius en Witzo lieten hun les meteen in de steek en schaarden zich om hun oude meester. Ze waren geen spat veranderd, alleen een beetje ouder geworden en een stuk volwassener omdat ze op eigen kracht de school hadden moeten draaien.
In de drie jaar van zijn afwezigheid waren vooral de leerlingen zeer gegroeid. Velen bleken al uitgezworven om ergens in het land bisschop te worden. Een enkeling had het zelfs tot aartsbisschop geschopt!
“Jullie zijn fakkeldragers,” kon de schoolmeester het niet laten om zich vol trots tot de klas te richten. “Door de lessen die jullie hier leren, veranderen jullie de toekomst van dit land en daarmee schrijven jullie geschiedenis!” In stille aanbidding zaten de kinderen aan zijn voeten en keken vol verwondering op naar deze beroemde geleerde. Een heerlijk gevoel, zo moest Alcuïn aan zichzelf toegeven.
Opeens herkende hij een bekend gezicht. Die blonde krullen, die verfijnde gelaatstrekken, dat moest Lodewijk zijn! Hij liet de klas los en nam de koningszoon apart voor een praatje.
“Waar zijn je broers?” vroeg hij nieuwsgierig. Lodewijk legde geduldig uit dat zijn broers als koningen over hun eigen gebieden heersten. Alcuïn knikte. Karel junior hield altijd al meer van jagen en vrouwen dan van studeren.
“En jij?”
Geamuseerd keek Alcuïn in het engelengezicht. Deze Lodewijk was anders, altijd al geweest. Van jongs af aan was het een heel vroom kind, nederig en deugdzaam. Juist daarom zou hij later een goede koning kunnen worden, vond de schoolmeester. Voor koning Karel was de arrogante branieschopper Karel junior nog altijd de favoriet. Losbandig en heerszuchtig, daar herkende hij zichzelf in. “Die Lodewijk is te volgzaam,” had de koning tegen Alcuïn gezegd, “dat is geen goede kwaliteit voor een koning.”
Alcuïn kon er niets aan doen. In zijn hart was en bleef Lodewijk zijn lievelingsleerling.
Niet iedereen aan het hof was even vroom. In de eerste dagen terug in het Frankenrijk werd Alcuïn alweer meteen met zijn neus op de feiten gedrukt. Karel de Grote was dan wel de beschermer van het christendom, maar hij dacht zelf boven de wet te staan. Hij vond vasten maar onzin. Ook hield hij het niet zo nauw met de voorschriften rond het heilig sacrament van het huwelijk, want de koning had menig bedgenote. De mooie Leutgarde was openlijk zijn minnares omdat koningin Fastrada al tijden ziek was.
Geen van de dochters van de koning was nog getrouwd, hetgeen best uitzonderlijk was. Meestal werden meisjes in die positie al jong aan machtige andere koningshoven verbonden, maar Karel de Grote wilde geen concurrenten voor zijn zoons die zijn land zouden beërven. De prinsessen woonden allemaal aan het hof en hadden de ene losse liefdesaffaire na de andere. Zelfs de kleine Bertha, die toch pas veertien jaar was, werd het hoofd op hol gebracht door de frivole Angilbert van bijna achttien. Die jongen speelde het liefst hele dag toneel en liep alle feestjes af. Alcuïn ergerde zich dat zijn leerlingen, die hij toch met zoveel geduld het goede had geleerd, zichzelf zo schaamteloos misdroegen.
En hoe zat dat met Sigwulf en Fredigius? Die had hij laatst samen uit de termen zien komen. Waren ze alleen gaan zwemmen of moest hij deze jongemannen voortaan in de gaten houden? Maar ja, wie was hij om te oordelen? Het was maar goed dat de adelaar niet meer op het Akense nest zou landen. En ook wel een beetje jammer, want vooral op deze plek waar Arno wel eens kwam, miste hij zijn aanwezigheid sterker dan ooit. Daarom stortte Alcuïn zich op zijn goddelijke taak.
Hoofdstuk 2: Twee geestelijke veldslagen
Wat waren dat voor uitzonderlijke problemen waar zowel de Frankische koning als paus Adrianus de hulp en raad van de geleerde Engelsman voor nodig hadden? Dat ging om twee gevaarlijke denkbeelden die de hele christelijke wereld bedreigden en waar geen leger tegen hielp, enkel de pen en de geestkracht van een geleerde zoals Alcuïn. Hij voelde zich een soldaat van God.
De ene dreiging kwam uit Spanje, waar een ketterse gedachte als een besmettelijke ziekte iedereen in het land van Karel de Grote aanstak. Het andere gevaar behelsde een decreet uit Byzantium die de christelijke landen zou kunnen splijten in Oost en West en waarvoor de paus zelf Alcuïns hulp had ingeroepen. Eenmaal in Aken aangekomen verdiepte de geleerde zich in die beide problemen tegelijkertijd.
Eerst onderzocht hij het dilemma van de paus. Adrianus was de hoogste geestelijke leider van alle christenen, maar zijn gebied was verdeeld. In het oosten bevond zich een keizerrijk met Byzantium als hoofdstad en aan de andere kant het westen waarin het Frankenrijk van Karel de Grote verreweg het grootste land was. Een vraagstuk over iconen dreigde oost en west te verscheuren. Moesten deze schilderijtjes verboden worden of niet?
In het rijk van keizerin Irene bestond een levendige handel in iconen. Paus na paus had al geprobeerd in te grijpen omdat er grof geld aan verdiend werd, terwijl een van de geboden in de bijbel duidelijk luidt: gij zult geen beelden maken. Niet alleen vervaardigden de oosterse monniken afbeeldingen, maar ze dichtten hun iconen ook magische krachten toe, hetgeen leidde tot veel bijgeloof. De gewone mensen wierpen zich languit in aanbidding op de grond en verwachten wonderen van deze geschilderde plaatjes in plaats van hulp door God.
Dit was velen in het Westen een doorn in het oog. Alleen God mocht je aanbidden en slechts voor een koning wierpen onderdanen zich nederig ter aarde, maar toch niet voor schilderijtjes?!
Keizerin Irene van Byzantium had een kerkvergadering bijeengeroepen om te overleggen. Zij nodigde echter alleen bisschoppen uit die het met haar eigen standpunt eens waren. Geen wonder dus dat uit dit bewuste concilie kwam dat de afbeeldingverering mocht blijven bestaan. Vervolgens stuurde ze die uitkomst naar de paus. Of de kerkelijke vader dit unanieme kerkbesluit maar even aan het Westen wilde doorgeven. Alcuïn begreep wel dat deze gang van zaken paus Adrianus in het verkeerde keelgat was geschoten.
De geleerde stelde voor om een nieuwe vergadering bijeen te roepen met vele afgevaardigden uit beiden kampen die met elkaar zouden discussiëren totdat ze eruit zouden zijn.
Meteen belegde Karel de Grote voor het volgende jaar een concilie. Er zouden wel driehonderd bisschoppen komen in een klein plaatsje, Frankfurt genaamd, centraal gelegen aan de rivier de Main. Niemand had nog ooit van dat Frankfurt am Main gehoord, maar door de geplande bijeenkomst kwam er zo veel volk op af – kooplieden, kunstenaars, wasvrouwen, meisjes van lichte zeden – dat het binnen de kortste keren een kleine stad werd en nooit meer ophield te bestaan.
Maandenlang hield Alcuïn zich bezig met de voorbereiding. Hij luisterde naar ieders standpunt en onderzocht de teksten van de heilige Schrift nauwkeurig na op alle passages die over afbeeldingen gingen. De bijbel was tenslotte het woord van God waarin alle antwoorden te vinden waren en hij wilde beslagen ten ijs komen.
Aanbidding van afbeeldingen was absoluut verboden, dat wist de geleerde zeker, maar betekende dat dan ook dat alle prachtige standbeelden, mozaïeken en schilderijen van Jezus, Maria en andere heiligen in alle kerken ook allemaal vernietigd moesten worden? Dat zou toch doodzonde zijn?!
Gelukkig dacht zijn geliefde Arno in dikke brieven mee. Aan diens bezielde pen kon de geleerde zijn geest schaven en laven. De adelaar uit Salzburg had een scherpe blik waardoor hij de kunst verstond alles in één keer te overzien. Die heldere visie, opgeschreven in mooie zinnen, hielp de schoolmeester nadenken. Altijd weer genoot Alcuïn van de zinsbouw en de woordkeus van zijn geliefde vriend. Er was beslist niet alleen maar iets lichamelijk geweest tussen hen. Het deed de geleerde deugd dat te constateren.
Uiteindelijk kwam Alcuïn tot een zeer genuanceerde conclusie. De afbeeldingen mochten blijven, maar alleen ter versiering en educatie. Om mensen het bijbelse verhaal te vertellen en niet om te aanbidden. Dat standpunt legde hij in een dik boek vast en die gedachte zou hij later op het concilie verdedigen.
Hoofdstuk 3: Slechts één woord
Sorry lezer, nog een hoofdstuk vol met theologische haarkloverij. Wie zich daar niet voor interesseert kan deze passage met een gerust hart overslaan. Dat Alcuïn nu zo gek was om een paar jaar van zijn leven aan dit soort thema’s te besteden, betekent niet dat de lezer zichzelf ermee hoeft te vervelen. Het verhaal gaat in hoofdstuk 4 gewoon weer verder 🙂
Het probleem van de ketterij uit Spanje was lastiger aan te pakken. De alom gerespecteerde kerkvader Augustinus had in de vierde eeuw één klein woordje aan de algemene geloofsbelijdenis toegevoegd: filioque, hetgeen “en van de zoon” betekende. In de tekst stond in eerste instantie alleen dat de heilige geest van God de vader uitging, maar Augustinus was zo wijs om ook de zoon toe te voegen.
Nu was er een bisschop in Spanje, Felix van Urgel, die beweerde dat de toevoeging van filioque niet klopte. Een mens kon niet zomaar een woord, hoe klein ook, aan de geloofsbelijdenis veranderen, zelfs een grote kerkvader als Augustinus niet.
Urgel was een dorpje net aan de andere kant van de Pyreneeën. Maar hoe hoog die bergen ook waren, ze hielden deze ketters ideeën niet tegen en al snel raakte een groot deel van de bevolking van het Frankenrijk geïnfecteerd met de verkeerde redenatie uit Spanje, wat overigens het land van de Mohammedanen was, hetgeen iedere stelling vanuit die contreien al bij voorbaat heel verdacht maakte.
Natuurlijk had Karel de Grote met geweld kunnen ingrijpen, maar de koning der Franken was nu een geletterd man en had inmiddels begrepen dat hij verkeerde overtuigingen beter met goede argumenten kon bestrijden dan met het zwaard. Wie kon er beter op deze zaak gezet worden dan Alcuïn?
Het was best een ingewikkelde kwestie waar zelfs de geleerde zijn hoofd over brak. In de briefwisseling met Salzburg duurde het te lang eer hij eindelijk antwoord kreeg, dus zocht Alcuïn in het paleis van Aken naar een intelligente discussiepartner en kwam uit bij hoftheoloog Theodulfus, de man die iedere avond voorlas bij het eten.
Theodulfus was slim en gelovig, kon goed luisteren en probeerde altijd weloverwogen zijn woorden te kiezen, vooral als hij het ergens niet mee eens was en dat vond Alcuïn erg prettig. De man had bovendien een vriendelijk gezicht en rook aangenaam, alsof hij zich iedere ochtend met gedroogde lavendelblaadjes insmeerde. Dat was best een voordeel, gezien het feit dat ze dag aan dag samen in een kleine ruimte over de teksten gebogen zaten. Ondanks al deze pluspunten hoefde Alcuïn geen seconde moeite te doen om niet verliefd op de hoftheoloog te worden. Zijn hart zat vast aan Arno en aan Arno alleen. Op heel de aarde was er gewoon geen ander zoals zijn adelaar. Regelmatig moest de schoolmeester zijn eigen gedachten die naar Salzburg afdwaalden bij de les roepen.
Felix, de bisschop van Urgel, beweerde dat Jezus een bijzonder mens was geweest met goddelijke gaven en dat deze mens slechts door God geadopteerd was. Vorig jaar was de bisschop van Urgel voor deze boude bewering nog op het matje geroepen door verschillende andere geestelijken op een bijeenkomst in Ratisborn. Bij die gelegenheid had Felix zijn dwaalleer toegegeven en was onder begeleiding van Angilbert helemaal naar de paus in Rome afgereisd om zijn fout te beamen en een plechtige eed af te leggen.
Maar de bisschop was nog niet terug in Urgel of hij begon weer: “Dat filioque moet weg! De heilige geest komt niet van de zoon, want die was gewoon een mens. Een bijzonder mens, maar toch,” vertelde hij aan iedereen die het maar horen wilde en er waren velen die wel wat in zijn bewering zagen, zowel priesters als leken. Duizenden mensen volgden zijn leer.
Alcuïn moest afdalen naar de diepten van zijn ziel. Deze vraag trof het hart van zijn geloof. Hoe zat dat met de heilige drie-eenheid? Wat was het wezen van God? Samen met Theodulfus spitte hij alle heilige teksten door die hij kon vinden. Daarin moest het antwoord te vinden zijn. Hij kauwde en herkauwde. Filioque, slechts één woordje. Alcuïn schreef zeven dikke boeken ten antwoord. Zo lastig was het zelfs voor deze wijze geleerde om goddelijke gevoelens in gewone taal te vatten.
Zijn eindoordeel luidde dat de vader, de zoon en de heilige geest een eenheid waren. Die mocht niemand scheiden, zoals de bisschop van Urgel abusievelijk deed. Pas nadat Jezus op Hemelvaartsdag was opgegaan, daalde de heilige geest – zoals Jezus beloofd had – met Pinksteren af naar de aarde. Dus Augustinus had gelijk: de geest kwam van de vader én de zoon. Filioque bleef en Felix moest zijn ketters ideeën afleggen.
“Apostelen en profeten, engelen en evangelisten erkennen de goddelijkheid van Christus. Wie ben jij dan in je Spaanse bergen om een andere leer te verkondigen?” schreef hij in zijn slotconclusie aan Felix.
Op het concilie in Frankfurt am Main zouden beide problemen besproken worden. Alcuïns lichamelijke conditie stond hem echter niet toe om af te reizen. Hij was bijna zestig jaar en had de laatste tijd steeds vaker last van ouderdomskwaaltjes. De warmwaterbaden in Aken deden hem goed, dus toen iedereen vertrok bleef hij achter in het paleis. Tot zijn grote spijt, want op de kerkvergadering zouden allemaal oud-leerlingen komen, zoals Paulinus de patriarch van Aquileia en Benedictus de abt van Aniane. Hij had geen idee of de bisschop van Salzburg er ook zou zijn. Misschien was het toch maar beter dat Alcuïn er niet bij kon zijn…
De vergadering, voorgezeten door Karel de Grote, duurde de volle zeven zomermaanden. Via bodes werd Alcuïn wel een beetje op de hoogte gehouden van de stand van zaken. Maar veel werd er tussendoor niet besloten, enkel gediscussieerd. Wel kreeg hij te horen dat de zieke Fastrada gestorven was en dat Leutgarde officieel de nieuwe vrouw van koning Karel was geworden.
Pas aan het eind van het concilie vernam Alcuïn de definitieve uitslag. Al zijn ideeën waren voorgelezen en overgenomen. De sterkste argumenten hadden gewonnen! Althans, de verzamelde bisschoppen, priesters en theologen hadden zijn standpunt over de aanbidding van afbeeldingen na rijp beraad overgenomen en de uitslag werd nu ter goedkeuring door Angilbert naar de paus in Rome overgebracht.
Ook voor wat betreft het filioquepunt gaven de geestelijke Alcuïn gelijk, maar Felix was zelf niet komen opdagen en begon vanuit Spanje direct brieven met tegenargumenten te versturen. Daarop besloot men de ketter te sommeren op een volgende vergadering te verschijnen, gehouden in Aken, zodat Alcuïn aanwezig kon zijn en beide opponenten elkaar in een rechtstreeks debat konden overtuigen. Hetgeen geschiedde. Na een week discussiëren won Alcuïn en moest Angilbert opnieuw met Felix naar Rome. Dit keer kwam de ketter er niet vanaf met alleen een heilige eed. De bisschop werd voor de rest van zijn leven opgesloten in een klooster te Lyon.
Hoofdstuk 4: Doelloos
Alcuïn was met zijn zestig jaar al behoorlijk bejaard. Zijn lijf wilde niet meer alles wat hij wilde. Maar ach, wat wenste hij nog? De oude meester had een school en bibliotheek in York opgezet, voor scholen in heel het Frankenrijk gezorgd en de christelijke wereld behoed van scheuring en bijgeloof. Hij dacht dat zijn taken op aarde wel gedaan waren.
Eigenlijk lag er nog één grote klus op hem te wachten: een uniforme vertaling van de bijbel. Maar door de intensieve samenwerking met Theodulfus waren de mannen er toevallig achter gekomen dat ze beiden aan dezelfde opdracht waren begonnen. Onmiddellijk vergeleken ze hun aantekeningen. Die weken op essentiële punten nogal van elkaar af. Hoewel ze beiden onderlegde wijze bijbelkenners waren, bleek dat ze op tal van plekken andere keuzes hadden gemaakt. Eerst probeerden ze er nog samen uit te komen, maar de uiteindelijke conclusie was dat het gewoonweg onmogelijk was om het enige echte oorspronkelijke woord van God te reconstrueren. Ze besloten prompt met het hele project te stoppen en waren allebei zeer opgelucht.
Daarna had Alcuïn in Aken eigenlijk niets meer te doen. De paleisschool liep goed. Vooral Sigwulf had er veel plezier in om voor de klas te staan, merkte de oude schoolmeester op als hij af en toe ging kijken en heel soms zelf een lesje overnam. Meer uit verveling dan uit gedrevenheid.
De geleerde liep verloren rond, zowel binnen als buiten het paleis. Overal in Aken werd druk gebouwd. De schat van de Avaren had veel geld opgeleverd en van dat geld werd de mooie paltskapel flink uitgebreid. Hoewel Alcuïn en Eanbald ooit hadden meegeholpen aan het herstellen van de kathedraal van York en deze nieuwe gebedsruimte van het Akense paleis schitterend werd, voelde de schoolmeester zich toch niet geroepen om verder als architect door het leven gaan. Alleen op de dag dat hij de schat van de Avaren zag aankomen, had hij even geslikt. Deze stoet had Arno ook gezien, vijftien karren op een rij, precies zoals zijn vriend het in zijn brieven beschreven had. Het was alsof een onzichtbaar lijntje hen even verbond. De aanblik van die paar karren deed Alcuïn zoveel, dat hij meteen weer wist dat hij ver uit de buurt van Salzburg moest blijven. Maar wat moest hij dan met zijn leven?
Voor een moment overwoog de schoolmeester zelfs even om terug te keren naar York, zijn thuisland. Of eigenlijk niet eens serieus. De gedachte sprong op in zijn hoofd en doofde meteen weer. Wat had hij in Northumbrië te zoeken? Daar was de wrede Ethelred reeds omgebracht en waren ze in de drie jaar dat Alcuïn nu weer in Aken woonde alweer vele koningen en moorden verder. Zijn brieven hadden niet geholpen. De Vikingen zouden ooit op een dag vast opnieuw als de gesel van God over zijn geboorteland komen, dat kon niet missen en daar wilde de geleerde geen getuige van zijn, dus terug naar York was geen optie.
Hij schreef aan Eanbald om hem te waarschuwen vooral het goede te doen alsof dat het onheil nog kon keren. Diep in zijn hart had hij bewondering voor zijn vriend die zo standvastig op zijn post bleef en onvermoeibaar zijn taak als aartsbisschop volbracht. Zelf was hij moegestreden, dat voelde de schoolmeester aan alle kanten.
Samen in bad met Karel de Grote, wat ze beiden de laatste tijd vaak deden in verband met hun pijnlijke botten, vroeg Alcuïn aan de koning of die hem niet met pensioen wilde laten gaan.
“Gewoon als eenvoudige monnik in vrede mijn dagen slijten, in de abdij van de heilige Bonifatius bijvoorbeeld. Hij die altijd het goede deed zal vast ook wel goed voor mijn oude dag zorgen,” opperde de geleerde.
De koning, die behaaglijk onderuitgezakt lag met zijn ogen dicht, schoot omhoog als door een kwal gestoken. Het water spatte in het rond en ketste tegen de rand van het bad en over Alcuïns blote borst. Wat had hij toch een bleke huid en een mager lijf, dacht hij over zichzelf zonder koning Karel aan te kijken, zo heel anders dan Arno.
“Ben je mal geworden?” riep de koning. “Jij bent zo’n bijzondere geestelijke! Dan ga je toch niet wegrotten in een kloostercel?!”
Geen haar op Karels hoofd dacht er over om zijn beroemde schoolmeester zomaar te laten gaan. Hij stond in zijn volle lengte op, krachtig en gespierd, daaraan kon je zien dat de koning een fervent zwemmer was hier in de Akense baden. Vreemd eigenlijk, ook voor dit sterke mannelijke lijf liep Alcuïn niet warm. In zijn leven, dagelijks omringd door allerhande mannen, was het Arno geweest en niemand anders.
Karel de Grote waadde met grote passen door het water naar de rand.
“God heeft vast nog wel een taak voor jou,” voegde hij Alcuïn in het voorbijgaan toe, “of anders ik wel!” en weg stiefelde de koning. Het bad uit. Natte voetstappen op de vloer achterlatend.
Nog een taak?? Alcuïn moest er niet aan denken. Hij hield zijn adem in en liet zich kopje onder zakken in het warme water. Slechts door het ritme van zijn eigen hartslag kwam hij weer een beetje tot rust.
Niet lang na dit gesprek stierf de abt van het Sint Maartensklooster in Tours. De discipline onder de monniken daar was ver te zoeken. Regelmatig bereikten de koning klachten over het lage peil van de geestelijken die er woonden. Een mooi klusje voor de oude geleerde man die zo graag met pensioen wilde in een klooster. Zodoende benoemde Karel de Grote Alcuïn tot nieuwe abt over het klooster in Tours. De schoolmeester kon meteen vertrekken, als hij maar beloofde de koning in zijn brieven met raad en daad te zullen blijven bijstaan.
.
DEEL VI
Als abt van Tours (796-804)
Hoofdstuk 1: De abt van Tours
Het was een stralende zomerse dag toen Alcuïn aankwam in Tours. De strakblauwe lucht stak fel af tegen het gigantische witstenen klooster en de ernaast gelegen kerk met zijn hoge torens. De klokken beierden een warm welkom – het was toevallig net twaalf uur op het moment dat de oude schoolmeester zijn nieuwe woonplaats bereikte, maar de geestelijke zag er een duidelijk teken in van God. Blijkbaar was het de bedoeling dat hij als abt hier de boel op orde bracht.
Voordat hij het klooster binnenging en de deur definitief achter zich dichttrok om er zijn laatste jaren te slijten, liep Alcuïn eerst nog wat rond om te weten waar hij precies terecht was gekomen.
Tours was een grote stad, centraal gelegen op een kruispunt van verschillende doorgangswegen. In alle straten was bedrijvigheid en op de markt werd flink gehandeld. Alcuïn liep langs de Loire, dacht aan de Humber van zijn vroegste jeugd en de Ouse van York en voelde zich meteen thuis. Tot zijn genoegen lagen klooster en kathedraal pal aan de oever van de schitterende rivier.
Nadat hij in het klooster was rondgeleid en aan iedereen was voorgesteld, trok de nieuwe abt zich terug in zijn kamer om eerst twee lange brieven te schrijven aan Arno en Eanbald om hen het heuglijke nieuws te melden. Voortaan moest de post naar Tours.
Eerder dan verwacht kwam er vanuit York een brief terug. Zo snel kon de post er niet over gedaan hebben. Alcuïn zag direct dat het een ander handschrift was. Gehaast rolde hij het perkament open.
“Het doet ons oprecht verdriet u te moeten meedelen dat de Heer in al zijn wijsheid heeft besloten tot zich te nemen…”
Alcuïns ogen geschoten over de regels. Goede God, het was Eanbald!
De letters duizelden Alcuïn voor de ogen. Hij moest er even bij gaan zitten en zeeg neer op een oude dekenkist die toevallig naast hem tegen de muur stond.
Eanbald, zijn geliefde vriend, was niet meer. Ook al hadden de innig verbonden broers bij het laatste afscheid allebei geweten dat ze elkaar nooit meer in levende lijve zouden zien, toch voelde het voor Alcuïn vreemd om geen afscheid meer te kunnen nemen. Tegen de tijd dat deze brief de Noordzee was overgestoken hadden de monniken van York hun aartsbisschop al met groot ceremonieel begraven.
Tranen welden op in Alcuïns ogen en spatten uiteen op het beschreven vel in zijn handen. De inkt vloeide uit. Hij keek ernaar. Er stond nog meer. Met moeite las hij verder. De monniken vroegen of Alcuïn – “ons geliefde en zeer geëerde voormalige schoolhoofd” – nu niet aartsbisschop van York wilde worden.
Terug naar Engeland? Weer in het oude vertrouwde klooster wonen? Als gewone monnik trok het hem misschien nog wel, maar toch niet als aartsbisschop? Zo’n functie was nog veeleisender dan abt van Tours zijn!
Per omgaande schreef Alcuïn een beleefde brief terug waarin hij bedankte voor de eer, maar vanwege gezondheidsredenen de taak te zwaar vond en daar was niets van gelogen. Hij sloot af met hartelijke woorden van troost en medeleven voor al zijn Yorkse vrienden die het enorme verlies van hun bijzondere aartsbisschop moesten dragen en raadde tot slot een van zijn oud-leerlingen aan voor de positie.
“Er was nog een jongen die Eanbald heette, net zo kien en kundig als zijn naamgenoot. Hij zou een waardige opvolger zijn.”
Tot zijn genoegen volgde men zijn raad terstond op en werd Eanbald II de nieuwe aartsbisschop van York.
Alcuïn bleef in Tours en na een maand van rondkijken, wennen en rouwen, voerde hij drastische veranderingen door. De nieuwe abt had de situatie eens aangezien, hier en daar zijn licht opgestoken en overal zijn oor te luisteren gelegd, maar de gang van zaken in het Sint Maartensklooster beviel hem totaal niet.
Alcuïn schreef aan zijn oud-leerling en vriend Benedictus. De man die ooit het kloosterleven had verlaten omdat hij het niet godvruchtig genoeg vond, als kluizenaar ging leven, maar zoveel volgers kreeg dat hij wel gedwongen was om een nieuw klooster te bouwen. Als abt in Aniane stelde hij duidelijke regels op waar al zijn medebroeders zich aan moesten houden. Per brief vroeg Alcuïn hem om deze regels en Benedictus zond meteen een bode terug.
Niet alleen voerde de abt van Tours de leefregels van Benedictus in zijn eigen klooster in, maar hij liet een kopie naar Karel de Grote sturen zodat die bij wet de benedictijnerregels in alle kloosters van zijn rijk verplicht kon stellen. Hetgeen geschiedde!
In het begin was Alcuïn beslist geen makkelijke abt. Met strenge hand eiste hij orde en regelmaat. Gedreven als hij was voor het hogere doel wilde hij van geen wijken weten. Met het ware geloof viel niet te sjoemelen. Dus verlangde hij van al zijn broeders een sober leven, absolute stilte en aanwezigheid in de gebedsdiensten.
Konden de monniken nog wennen aan de tucht en discipline, meer moeite hadden ze om hun dagelijkse bezigheden te veranderen. Tot dan toe waren de mannen gewend om op het land te werken in de wijngaard of op het maïsveld. De geleerde Alcuïn verzocht hen hun schep en hark te vervangen door een ganzenveer en inkt.
“Het is belangrijker een boek te schrijven dan een wijngaard te onderhouden. De wijn voedt slechts het lichaam, maar gedachten voeden de ziel en alleen de ziel blijft eeuwig leven,” betoogde de geleerde en hij benadrukte dat kennis ons meest waardevolle bezit is. “Er bestaat niets hogers of bevredigenders dan leren, studeren en onderwijs. De bijbelse Salomo zei al dat wijsheid meer waard is dan robijnen en hij had gelijk.”
Tijdens het eten liet Alcuïn speciale teksten voorlezen met allemaal dezelfde boodschap: “Bidden is spreken met God, maar lezen is luisteren.” Vooral voor geestelijken was dit een ijzersterk argument.
Wie de geleerde eenmaal geestdriftig had horen spreken over zijn grote passie, kon niet anders dan warmlopen voor zijn goede doel: een groot kenniscentrum opzetten in Tours. Er was al wel een klein schooltje met een paar leerlingen, maar die kenden net genoeg Latijn om de heilige Schrift te lezen en konden net voldoende rekenen om de dag waarop Pasen viel te bepalen. Dat moest en kon beter!
Alle broeders kregen eerst zelf onderwijs. Leer om les te geven, was het motto. In het begin stuitte dat op veel verzet.
“Hoe weet u zo zeker dat ik kan leren,” riep een van de oudere monniken vertwijfeld uit. Hij had nog nachtmerries van de tijd dat hij ooit zelf op school had zitten zweten en ploeteren.
“In ieder mens zit de vonk der wijsheid,” beweerde de geleerde. “Net als in een vuursteen de vonk al reeds aanwezig is. Je moet de steen alleen op de juiste manier aanslaan om de vonk eruit te krijgen.” Alcuïn wist als geen ander hoe hij het vuur bij iedereen moest aanwakkeren. Uiteindelijk werd de meest tegenstribbelende monnik zelfs zijn meest enthousiaste leerling.
Een aantal van de kloosterlingen werden gepassioneerde docenten en algauw kwamen er van heinde en verre nieuwe leerlingen naar de school van Tours om les te krijgen. Omdat het zo goed liep, kregen zelfs de onwillige kloosterbroeders plezier in hun werk.
Er was echter een schromelijk tekort aan boeken. Alcuïn klaagde zijn nood bij Karel de Grote. “Kun je niet iemand naar Engeland sturen? De gedachten aan de boekenkamer in York zou mij bijna naar mijn geboorteland doen terugverlangen. Laat alsjeblieft de belangrijkste boeken overschrijven en naar mij in Tours opsturen, zodat ook de jeugd van heel het Frankenrijk kan genieten van de heerlijk geurende bloemen der grammatica en literatuur.”
Vanuit Aken werd Witzo naar Engeland gestuurd en die bracht een jaar later stapels met boeken vol waardevolle kennis naar Tours. Daar liet Alcuïn de teksten in zijn flink uitgebreide scriptorium kopiëren, zodat hij de boeken ook weer verder kon verspreiden, want geen van de verworven kennis hield hij ooit enkel en alleen maar voor zichzelf.
Wie op een gewone doordeweekse dag door het kloostergebouw in Tours liep, zag overal ijverige monniken die met plezier meewerkten aan Alcuïns bruisende plannen. In een klaslokaal met veel licht zaten leerlingen hard te studeren om later wijze staatslieden en geestelijken te worden en het land als goede christenen te besturen. In een ruime kamer waar boven de deur een bordje hing met de naam Het Museum, zaten geestelijken in lange rijen geconcentreerd oude teksten over te schrijven, allemaal in de nieuwe Karelsletter natuurlijk!
Toen dit alles eenmaal liep, trok Alcuïn zich terug in zijn cel en schreef staande achter zijn lessenaar alles wat hij nog op zijn hart had. Wie een reeds bestaande tekst overschrijft moet zich rustig concentreren en kan dat zittend doen, maar wie zelf boeken verzint moet een beweeglijke geest hebben en kunnen gaan lopen zodra de zinnen blokkeren. Dus stond de geleerde alle dagen achter zijn lessenaar, ijsbeerde regelmatig met een ganzenveer in de hand zijn kleine kloosterkamer op en neer, en schreef.
De schoolmeester legde al zijn levenswijsheid vast in boek na boek. Gedichten, heiligenlevens, fabels en raadsels. Dikke werken met commentaren op de bijbel of een nieuw schoolboek voor de grap vervat in een vraaggesprek tussen koning Karel de Grote en een geleerde man die toevallig Alcuïn heette.
De onderwerpen waren allemaal niet nieuw. Alcuïns kracht lag erin dingen die zo oud waren als de wereld zelf op een frisse levendige manier te vertellen.
Via brieven onderhield hij contact met al zijn oud-leerlingen die inmiddels over het hele rijk hun goede werken deden. Karels bastaardzoon Drago was aartsbisschop van Metz. Ebbo – de aangenomen broeder van prins Lodewijk – stond zijn mannetje als aartsbisschop in Reims. Al deze jongens waren groot gegroeid onder Alcuïns bezielde leiding en zetten zelf het ene centrum na het andere op om leren te bevorderen en richtte stuk voor stuk goede bibliotheken in. Zo hadden de neefjes van koning Karel een school in Corbey gesticht die inmiddels beroemd was geworden. Het deed de oude schoolmeester onnoemelijk veel deugd om dat te horen.
Alcuïn schreef ook veel met Theodulfus, die net aartsbisschop in Orleans was geworden, maar het allermeest correspondeerde hij toch met Arno, die tot zijn grote vreugde van bisschop was gepromoveerd tot aartsbisschop van Salzburg. Jammer dat hij daar niet bij had kunnen zijn.
Hoe vaak vlogen Alcuïns gedachten in die tijd niet even naar Salzburg. In het echt was de geleerde er nog nooit geweest, in zijn fantasie woonde de abt van Tours soms als simpele monnik bij de nieuwe aartsbisschop van Salzburg in het klooster en kwam tot rust. Alleen al door de adelaar in zijn verbeeldingskracht even naast zich te voelen tijdens het eten, het zingen en het slapen.
Hoe hard hij ook werkte en hoeveel goeds hij ook deed, de alom gewaardeerde geleerde voelde zich op een bepaalde manier altijd tekort schieten vanwege zijn zondige gedachten en om de verkeerde dingen die hij gedaan had. Wat eenmaal was gebeurd, kon niemand ooit meer ongedaan maken. Met ieder jaar dat hij ouder werd, steeg zijn angst voor de dood en voor het uur waarop hij voor zijn Schepper moest verschijnen. Met dat gevoel kon hij geen kant uit. Nergens in zijn verlichte geest kon hij de moed vatten om alles wat hem bezwaarde op te biechten, hetgeen wellicht enige verlichting had kunnen geven. In zijn eigen beleving waren zijn daden echter te erg.
“Wie zichzelf vernederd zal verhoogd worden.” De boekengeleerde wist het allemaal zo mooi te vertellen, uiteindelijk schaamde hij zich daardoor alleen nog maar meer.
Op een keer, middenin de nacht, toen de gewetensnood tot wanhopige proporties was opgelopen, schreef Alcuïn bij kaarslicht een brief aan Arno waarin hij in bedekte termen vroeg hoe zijn geliefde adelaar met dit probleem omging. Werd zijn ziel niet evenzeer verteerd door schuld? Hij gaf de brief verzegeld mee aan een zendbode en wachtte benieuwd het antwoord af.
Hoofdstuk 2: Een halve mantel
Karel de Grote deed bijna niets zonder eerst zijn raadsman Alcuïn om advies te vragen. Regelmatig klopten er koningsbodes aan bij de poort van het klooster in Tours met smeekschriften vanuit Aken om hulp. “Alcuïn weet zoveel, soms lijkt het erop alsof hij de wereld zelf geschapen heeft,” grapte koning Karel altijd. De abt van Tours was blij dat hij van dienst kon zijn en het was handig dat hij altijd een hele stapel brieven mee terug kon geven naar Aken om vandaar uit door allerlei zendboden te laten verspreiden tot in de verste uithoeken van het land.
Alcuïn stond net driftig te schrijven aan zijn biografie over Sint Maarten, de heilige naar wie het klooster in Tours was vernoemd en wiens botten het bewaarde, toen er weer eens een bode vanuit Aken aankwam. In eerste instantie liet Alcuïn de man voor de deur van zijn cel wachten. De geleerde had namelijk net begrepen waarom Sint Maarten slechts de helft van zijn mantel had weggeschonken. Dat had hij altijd maar een vreemd verhaal gevonden.
Volgens de overlevering was Maarten soldaat in het Romeinse leger geweest. Op een dag zag hij een bedelaar in de kou lopen, sneed zijn mantel in tweeën en schonk de helft weg. Die nacht verscheen Jezus in Maartens droom en vertelde de soldaat dat Hij de bedelaar was geweest die de Romein gekleed had. Maarten verliet het leger, liet zich dopen en werd later de bisschop van Tours. Uiteindelijk was Maarten zelfs heilig verklaard.
Op zich een mooi verhaal, maar de geleerde kon niet bevatten waarom de heilige niet gewoon zijn hele mantel had weggegeven. Dat zou in zijn ogen veel barmhartiger zijn geweest dan zelf de helft te behouden.
Alcuïn zou Alcuïn niet zijn als hij de zaak niet grondig tot op de bodem zou onderzoeken en juist op die dag had hij in een dik wetboek over Romeins recht gelezen dat soldaten in het leger van de keizer in de tijd dat Maarten dienst deed de helft van hun uitrusting van de staat kregen en de andere helft zelf moesten betalen.
Daarom kon Maarten zijn mantel niet zomaar weggeven. De andere helft behoorde zijn keizer toe. Als een ware heilige had Maarten toch alles wat van hemzelf was weggeschonken, zoals het in de ogen van Alcuïn een goed christen betaamde.
De geleerde was zo blij met zijn vondst dat hij het meteen wilde opschrijven. Die brief van de koning moest maar even wachten. De bode echter wist waar het om ging en werd na verloop van tijd zo ongeduldig dat hij al zijn moed bijeen raapte en na een kleine aarzeling nogmaals hard op de deur van Alcuïns cel klopte.
Toen kon de abt van Tours het bezoek van de bode niet langer uitstellen, legde zijn ganzenveer neer, liep naar de deur en nam de brief aan. Wat hij daarin las was inderdaad een zaak van de hoogste prioriteit. De paus was aangevallen!
Sinds een paar jaar was er in Rome een nieuwe plaatsbekleder op de troon van Petrus. Paus Adrianus was overleden en Leo III tot nieuwe paus gekozen. Als belangrijkste wereldlijke beschermheer van het geloof had Karel de Grote zijn vaste koningsbode Angilbert over de Alpen gestuurd met felicitaties en geschenken om de band met de nieuwe paus te bevestigen. Alles leek rustig.
Maar Leo had alle hoge functionarissen van paus Adrianus ontslagen en vervangen door zijn eigen mensen. Dat namen de mannen die zomaar opeens hun macht kwijt waren de nieuwe paus niet in dank af. Ze zworen samen en beraamden in het diepste geheim een aanval om paus Leo weg te werken.
Op 25 april 799, zo las Alcuïn in de brief, vond in Rome een feestelijke processie plaats voor de heilige Marcus.
“Paus Leo reed vooraan op zijn paard, maar werd op een onbewaakt ogenblik plotseling door een groep mannen van zijn ros afgetrokken en vervolgens zwaar mishandeld. Daarna hebben ze de arme man Gods gevangen gezet in een klooster.”
Alcuïn moest even stoppen met lezen. Dit was heel erg. Niet alleen voor paus Leo, maar vooral voor het aanzien van de hoogste bekleder van het christelijk gezag. Wat goed dat Karel de Grote hem om raad vroeg. De status van de hele moederkerk was door deze wandaad beschadigd!
Zonder op te kijken las de abt verder.
“Waarde vriend,” zeiden de haastig opgetekende letters in Karels handschrift die altijd iets van een onbehouwen hanenpoot bleef houden. “Ik zit hier met mijn legerkamp in Paderborn, midden in een veldtocht tegen de nog altijd onrustige Saksen. Het is paus Leo gelukt om te ontsnappen en hij verblijft nu veilig in mijn tentenkamp. In Rome verspreiden zijn tegenstanders echter de smerigste geruchten over hem, dat hij omkoopbaar is en ontucht pleegt. Wat moet ik doen? Jij die alles weet, heb je ook in deze penibele situatie een wijs advies voor mij? In gedachten kus ik de voeten van mijn meester en zend hem mijn innig gevoelde vriendschapsgroeten.”
Ondanks de ernst van de situatie schoot Alcuïn in de lach. De hoog verheven koning die zijn voeten kuste, dat was ook zo’n ondenkbaar beeld!
Toen toog Alcuïn meteen aan het werk. Er moest snel gehandeld worden. Eerst schreef hij een aantal belangrijke punten op voor de koning in Paderborn.
“Wat je ook doet, verdedig de paus met al je kracht. Jij bent toch de beschermer van het christendom? Doe dan nu je plicht en zorg dat de herder nimmer ten prooi valt aan de wolven. Ik geloof niets van die praatjes over corruptie en overspel die de nieuwe paus verweten worden, dat is kwaadsprekerij en werpt een smet op de hele kerk. Dat mogen we niet laten gebeuren. Roep een paar alom geëerde geestelijken op om de paus terug naar Rome te begeleiden en zet hem met alle eer en glorie die maar mogelijk is terug op troon. Laat dan de schuldigen aan dit onrecht oppakken. We zullen er later op toezien dat zij hun verdiende straf krijgen. Ik kan niet naar jou toekomen vanwege mijn zwakke gestel, maar zodra je kunt, na je bezigheden tegen de Saksen, kom dan naar Tours en we bespreken deze hachelijke situatie. Ik zal zorgen dat ik een plan heb.”
Bijna had hij het perkament opgerold. Op het laatste moment krabbelde hij er nog snel een zinnetje onder: “p.s.: je weet hoe ik erover denk om de Saksen te onderwerpen. Een nieuw geloof komt van binnenuit en leer je niet door de punt van een zwaard. Hun leider Wittekind heeft zich tenslotte inmiddels al bijna vijftien jaar geleden onder dwang laten dopen en nog heerst er onrust. Misschien moet je toch eens overwegen de belasting in dat gebied wat te verlagen en de Saksische leiders iets van hun zeggenschap terug te geven.”
Toen was de brief klaar en werd meegegeven aan de bode die nog dezelfde dag de terugreis naar Paderborn aanvaardde.
Hoofdstuk 3: Een verboden brief
Niet lang daarna verscheen er opnieuw een bode van de koning met antwoord. Tot Alcuïns grote genoegen was het Fredigius die hem vanuit Aken hoogstpersoonlijk een aantal brieven kwam brengen. De voormalige schoolassistent was door Karel de Grote gestuurd om de abt van Tours te verlichten van zijn dagelijkse taken, zodat die zich helemaal kon wijden aan het bedenken van een goede oplossing voor de crisis waarin de christelijke kerk zich bevond. Was het wel mogelijk om uit de ontstane situatie zonder kleerscheuren en met opgeheven hoofd weg te komen?
Het weerzien tussen Alcuïn en Fredigius was allerhartelijkst en de twee mannen spraken de hele ochtend samen.
“Kon je de paleisschool zomaar achterlaten?” informeerde de abt.
Fredigius knikte.
“Sigwulf kan het werk prima in zijn eentje aan en Witzo is naar de aartsbisschop van Salzburg.”
Alcuïn fronste zijn wenkbrauwen.
“Naar Arno?”
Fredigius knikte opnieuw, alsof het de normaalste zaak van de wereld was.
“Witzo is door hem gevraagd om te helpen daar een centrum voor onderwijs op te zetten en een goede bibliotheek aan te leggen. Er zit een brief van de aartsbisschop van Salzburg in stapel die ik u gaf.”
De muren in de kamer draaiden voor Alcuïns ogen. Zijn hersenen werkten op topsnelheid.
Buiten sloeg de kerkklok.
“Is het al zo laat? Dan moet ik eerst hoognodig een middagslaapje doen,” veinsde de abt en stuurde de brave Fredigius met een vermoeid gebaar de gang op. Die deed onmiddellijk wat de oude man van hem vroeg en trok de deur zachtjes achter zich dicht.
Het was stil in de kamer. Alleen het geritsel van perkamentrollen was te horen toen Alcuïn de net gekregen stapel brieven haastig doorzocht. Daar herkende hij het handschrift waar hij het meest op aarde van hield. “Aan de weledelgeleerde Alcuïnius van Tours” stond er in prachtige letters opgeschreven. Met trillende handen rolde hij de brief open.
Wat had hij verwacht? Een lange verklaring met uitleg dat het de adelaar speet, maar dat hij een nieuwe zwaluw had gevonden in de jongere Witzo? Of kwam Arno met raad over de delicate situatie met de paus? Niets van dat alles.
In een piepklein, haast onleesbaar lettertje, maar onmiskenbaar geschreven door Arno’s eigen hand, kwamen er woorden tot Alcuïn die eigenlijk nooit geschreven hadden mogen worden.
“Als antwoord op je vraag van de vorige keer, mijn geliefde,” las de abt van Tours. Zijn ogen raasden over de regels. Hoe verder hij vorderde, des te roder kleurden zijn oren en wangen. Hij kreeg het heet en koud tegelijk en zijn hart bonsde in zijn borstkas.
Ja, Arno had dezelfde strijd gestreden als zijn vriend en het moment dat hij zijn Schepper onder ogen zou moeten komen heel lang gevreesd. Totdat hij had bedacht dat God liefde was.
“Met heel mijn hart en tot diep in mijn ziel heb ik gevoeld, nee voel ik nog altijd dat ik van jou houd, mijn zwaluw. De Schepper die al het goede heeft geschapen, heeft ook onze liefde in het leven geroepen. Dus veroordeel jezelf alsjeblieft niet, liefste Alcuïn, want eigenlijk veroordeel je dan God. Maar verbrand deze brief wel, want van onze hemelse vader heb je niets te vrezen, maar niet al zijn schepselen zullen het begrijpen.”
Over de situatie met de paus repte Arno met geen woord, wel over Witzo.
“Om jou te eren en als ode aan onze innige band laat ik hier een enorm centrum voor onderwijs en cultuur oprichten. Wie kon ik voor die klus beter vragen dan een van jouw voormalige assistenten om alles naar jouw visie en gedachtegoed in te richten?! We zijn begonnen om vele boeken over te schrijven, waaronder Augustinus en Ambrosius. En Chrysostomos natuurlijk. Je kunt trots zijn op je trouwe adelaar!”
Alcuïn was net bij de slotzinnen aanbeland, waarin de aartsbisschop van Salzburg beweerde nergens spijt van te hebben en droomde zijn zwaluw ooit weer in zijn armen te kunnen sluiten, toen er plotseling op de deur geklopt werd en Fredigius – nog voordat de abt “binnen” had kunnen roepen – zijn hoofd al om de hoek van de deur stak.
Daar stond Alcuïn met een hoogrode kleur op zijn kaken en een verboden brief in zijn hand. Fredigius herkende het handschrift van Arno van verre.
“Hoe is het met Witzo?” riep hij vrolijk en stapte de cel binnen. “Wat schrijft de aartsbisschop van Salzburg over hem? Toe, laat eens lezen.”
De smalle kamer leek nog kleiner dan anders. Alcuïn kreeg het dodelijk benauwd. In een reflex draaide hij zich om. Achter hem zag hij de kaars die daar alle dagen ter nagedachtenis aan zijn gestorven broeder Eanbald brandde. Zonder verder nadenken stak Alcuïn de punt van de brief diep in de kaarsvlam. Het perkament verzette zich even. De vlammen likten langs de rand. Toen kreeg het vuur greep en begon de levensgevaarlijke letters stuk voor stuk op te eten.
“Wat doet u nu,” vroeg Fredigius geschrokken. Dit gedrag was hij totaal niet van zijn oude meester gewend. Woorden en gedachten waren heilig voor de geleerde oude man. Hoe vaak had hij niet gezegd dat het geschreven woord de behoeder van de geschiedenis was. “Alles wat ooit bedacht is, is wel ergens opgeschreven. Boeken zijn schatkamers vol ideeën.” Dat soort dingen beweerde Alcuïn altijd en nu stond hij hier zomaar een brief te vernietigen, van de aartsbisschop van Salzburg nog wel!
Fredigius zag hoe ongemakkelijk Alcuïn zich voelde. De abt van Tours opende zijn mond om iets te zeggen, sloot hem weer, dacht even na, haalde adem en opende toen zijn mond opnieuw. Hij stamelde een verontschuldiging, brandde bijna zijn vingers aan het laatste snippertje van de brief, liet het op de grond vallen, waar het op de koude tegels vanzelf doofde en vertrapte het vervolgens onder zijn sandalen.
Pas toen er niets meer van de perkamentrol over was, herpakte Alcuïn zichzelf weer.
“De aartsbisschop van Salzburg schreef allerlei beschuldigingen aan het adres van de nieuwe paus,” loog hij. “Aantijgingen die Arno alleen van horen zeggen heeft, maar komende uit zijn pen geeft het de woorden gezag. Deze roddels mogen beslist niet in verkeerde handen vallen. Dat is slecht voor de reputatie van paus Leo.”
Het merendeel van zijn uitleg sprak hij tegen het hoopje as op de vloer. Om Fredigius af te leiden richtte hij zijn aandacht daarna volledig op zijn assistent en vroeg hem de rest van de stapel perkamentrollen hardop voor te lezen. Allemaal onschuldige brieven waar hij de hele middag antwoorden op dicteerde, die Fredigius geduldig op schrift stelde. Het incident met de verbrande brief leek gelukkig vergeten.
Een paar weken later meldde Karel de Grote aan zijn raadgever dat hij diens advies had opgevolgd en enkele van de meest gezaghebbende mannen als escorte met de paus naar Rome had gestuurd: “Drie graven, vier bisschoppen en de twee beste aartsbisschoppen van het rijk, te weten Theodulfus van Orleans en Arno van Salzburg”.
Bij het horen van die naam ging er een schok door Alcuïns oude lichaam. Even keek hij op naar Fredigius, maar die leek niets te merken en las vlijtig verder.
Alcuïn kon zijn gedachten amper nog bij de tekst houden. Vlak nadat hij mij die verboden brief heeft geschreven, is mijn adelaar door de koning naar Rome gestuurd om de paus te begeleiden, schoot het door zijn hoofd. Dan weet ik precies waar hij nu is. In het gastenverblijf van de Sint Pieterskerk waar ik ook ooit verbleef. Slechts met de grootst mogelijke moeite dwaalden zijn gedachten niet weg naar Rome.
Hoofdstuk 4: Het geheime plan
De hele zomer van het jaar 800 trok Karel de Grote langs de kusten van zijn rijk om te zien of die overal wel voldoende beschermd waren tegen de Vikingen. Al die tijd hield hij Alcuïn op de hoogte van zijn beveiligingsmaatregelen. De Engelsman kon de Frankische koning wel zoenen. Ook omdat die eindelijk zijn tips met betrekking tot de Saksen had uitgeprobeerd: “en je had natuurlijk andermaal gelijk, gewaardeerde vriend. Ze lieten zich nu veel makkelijker dopen.” Fredigius moest lachen toen hij de brief mocht voorlezen.
Aan Arno had hij eigenhandig geschreven: “Ik heb je woorden verbrand, maar bewaar ze voor altijd in mijn hart. Let in het vervolg op wat je schrijft, want ik heb sinds kort een voorlezer die alles onder ogen krijgt.”
Sindsdien waren de brieven uit Salzburg gesteld op een algemeen vriendschappelijke toon, zonder verdachte toespelingen of woorden. Nimmer heette Alcuïn meer “mijn zwaluw”, zelfs dat niet en dat miste Alcuïn zeer. Die regelmatige blijken van liefde, hoe klein ook, waren het bloed in zijn aderen geweest. Zonder dat verloor het leven zijn glans.
Zelfs toen de koning hoogstpersoonlijk een bezoek aan Tours bracht, zoals Alcuïn had gevraagd, zag de oude schoolmeester er teneergeslagen uit. De gezondheid van koningin Leutgarde liet echter nog veel meer te wensen over. Ze zag bleek en smal en ze lag veel op bed die eerste dagen van juni.
Karel en Alcuïn namen in de vergaderruimte plaats. Daar konden ze ongestoord praten. Na een beetje algemeen gebabbel hield de koning het niet meer uit.
“Zeg op, wijze man. Heb je een plan?”
En of Alcuïn een plan had! Met zekere trots legde hij aan zijn koning voor wat hij had uitgedacht en tot diep in de nacht spraken ze alle consequenties van het geniale idee door.
“Als dit lukt, schrijven we geschiedenis,” riep Karel de Grote verheugd uit.
“Ssst, niet zo luid. Niemand mag het nog weten. Het effect is nog groter als het een verrassing is.”
Dicht naar elkaar toe gebogen smoesden ze verder. Zo betrapte Fredigius de twee machtige mannen toen hij de koning kwam roepen. Hij wist dat ze gewichtige zaken aan het bespreken waren, maar hij had geen idee waarover het ging en de assistent brandde van nieuwsgierigheid. Geen van beiden liet echter ook maar iets los.
“Het gaat niet goed met koningin Leutgarde,” kondigde Fredigius aan toen hij toch niet meer van hun gefluisterde conversatie kon opvangen dan de woorden paus en Rome. “De dokter laat u dringend roepen, koninklijke hoogheid.”
Bij het horen van dat bericht stoof Karel de Grote de kamer uit. Op de voet gevolgd door Alcuïn en Fredigius.
De eens zo mooie Leutgarde lag uitgemergeld en lijkbleek op een bed in de gastenkamer. Het stonk er verschrikkelijk, alsof ze zichzelf had bevuild. Fredigius werd misselijk van de geur en rende kokhalzend weg. De koning leek zich niets van de stank aan te trekken en knielde bij zijn vrouw neer. Huilend pakte hij haar hand en drukte er een kus op. Zijn grote sterke knuist omvatte haar tere handje helemaal.
Alcuïn was er getuige van dat koning Karel de hele nacht bij Leutgarde waakte, af en toe over haar wang of voorhoofd streelde, troostende woordjes tegen haar sprak en voor haar zielenheil bad. Hij zag hoe het hart van die grote sterke kerel brak door het overlijden van zijn vrouw, want op de ochtend van de zesde juni stierf Leutgarde in het bijzijn van koning Karel en Alcuïn.
De volgende dag werd de koningin plechtig begraven in de kathedraal van Tours.
“Ik zal goed voor haar zorgen,” probeerde Alcuïn zijn vriend te troosten.
Soms maakte het niet uit of je heerser over een wereldrijk was of een gewone boer. Het verlies van een dierbare trof iedereen even hard.
Een week lang rouwde Karel om zijn vrouw. Toen trok de plicht weer aan hem en ging hij op weg. Via de grote stad Parijs en langs Theodulfus in Orleans eerst naar Mainz om daar met een aantal andere Franken te verzamelen en dan als eindbestemming Rome waar hij paus Leo ging bezoeken. Dat was een onderdeel van het hoogst geheime plan.
Vlak voor vertrek vroeg koning Karel voor de zoveelste keer of Alcuïn echt niet mee wilde naar de paus, maar de geleerde hield af. Hij had last van telkens opvlammende koortsen en zou zo’n tocht over de hoge Alpen niet overleven. Bij het afscheid beloofde koning Karel op de terugweg opnieuw Tours aan te doen. “Om je alles te vertellen,” voegde hij er geheimzinnig aan toe. Alleen Fredigius wist dat er iets speelde en het irriteerde hem ondertussen mateloos dat hij niet wist wat.
De hele maand na het vertrek van de koninklijke delegatie zat Alcuïn in zijn kamer aan tafel ijverig te werken aan een prachtig boek. Op paars perkament schreef hij met gouden letters het evangelie over in een regelmatige welgevormde Karelsletter. Het was een lust voor het oog. Fredigius begreep dat het boek een cadeautje was voor de koning als die terugkwam uit Rome, maar kon niet bedacht krijgen wat er te vieren viel.
Begin augustus kwam er met spoed nog een laatste brief vanuit Mainz, waarin de koning Alcuïn haast smeekte om mee te gaan.
“Wat moet ik zonder jou, lieve vriend? Als raadgever en leraar hoor je er toch gewoon bij te zijn. Toe, wees zo goed en verruil de rokerige daken van Tours één keer voor de gouden paleizen van Rome,” vlijde de koning.
Helaas, Alcuïn kon werkelijk niet. Hij lag juist met hoge koorts in bed. Meestal hielden die hoge temperaturen een dag of twee à drie aan, maar dan was hij de rest van de week te verzwakt om veel te doen, laat staan te reizen.
Het gouden evangelieboek lag echter klaar. Met moeite kroop Alcuïn uit bed en schreef een briefje. Aan tafel dit keer, omdat zijn benen te wiebelig waren om te staan. Hij zou Fredigius met het cadeau naar de koning sturen in zijn plaats.
“Ik kan momenteel echt niet reizen,” schreef hij kort maar krachtig. “Bovendien moet ik mij voorbereiden op mijn eigen laatste reis naar de plaats waar nooit iemand van is teruggekeerd, behalve Jezus.”
Al een tijdje dacht de oude man na over zijn eigen dood. Vooral door de vele koortsen. Vuur had een reinigende werking, zo wist hij. Zou zijn lijf door deze hoge temperaturen zichzelf proberen te zuiveren? En zou het voldoende zijn? Hoewel hij omringd was door geestelijken had hij nooit de moed kunnen opbrengen om zijn zonden op te biechten, dus hoe konden die hem dan ooit vergeven worden?
Plotseling kreeg Alcuïn een idee. Misschien deed de koorts rare dingen met zijn hoofd en was het een krankzinnig plan, maar dit was zijn kans en hij moest het erop wagen.
Op een nieuw vel perkament richtte de oude man zich tot paus Leo. Hij legde hem uit dat die zijn eervolle terugzetting op de troon geheel aan hem, Alcuïn, te danken had.
“Waar iedereen lasterpraatjes over uwe hoogheid rondslingerde, heb ik voor uw deugdelijkheid ingestaan en de koning geadviseerd u met alle egards die een man in uw functie toebehoren terug te brengen naar Rome en weer op de pauselijke troon te helpen.”
Alcuïn zat te zweten aan zijn tafel. Telkens stokten zijn gedachten omdat zittend schrijven echt veel moeilijker is dan staand. De onbeweeglijkheid van het vastzittende lichaam verlamde de geest, zo leek het, of kwam de moeite met schrijven omdat het volgende stukje van de brief zo lastig was. Het ingewikkeldste van allemaal. Maar na veel nadenken en opnieuw beginnen stond het er dan toch. Of de paus als wederdienst zijn trouwe dienaar niet wilden vergeven van alle zonden.
“Ik ben bijna vijfenzestig jaar en in zo’n lang leven doet een mens veel dat tegen de goddelijke wetten ingaat. Per ongeluk of onopgemerkt hebben we allemaal weleens een hoogmoedige gedachten tijdens de mis of een inhalige bui bij het eten. Hebben niet alle monniken in hun jonge jaren gestreden met het celibaat of ons weleens opstandig gevoeld over het ons opgelegde leven? Wilt u mij alstublieft voor al deze zonden, groot en klein, de volledige absolutie geven?”
Zo, het stond er. Nu leek het net of Alcuïn biechtte dat hij weleens gemasturbeerd had. Nou, dat was de paus vast al wel vaker tegengekomen in de ontelbare biechten die hij in de loop van zijn leven had afgenomen. Alcuïn ondertekende zijn brief met de hoogst welgemeende nederigheid en riep Fredigius bij zich.
Of zijn behulpzame assistent zin had in een reisje? Fredigius was nog nooit in Rome geweest en reageerde opgetogen.
“Als je morgenochtend vroeg vertrekt, ben je nog op tijd bij het verzamelpunt in Mainz om in het gevolg van Karel de Grote mee te rijden over de Alpen. Geef hem dat kleine briefje meteen, maar het cadeau pas met Kerstmis. En…” Daar pakte de zieke geleerde een volgende brief van tafel, verzegeld nog wel, en op zijn gezicht verscheen een mysterieuze glimlach. “Deze is voor de paus. Persoonlijk door jou aan hem te overhandigen en wacht op antwoord.”
Fredigius was blij dat hij een beetje in het complot betrokken werd. Er stond duidelijk iets te gebeuren in Rome, zoveel was wel zeker. Iets tussen de koning en de paus. Hij vroeg niet verder, want hij zou toch geen antwoord krijgen, maar nu zou hij er in ieder geval bij zijn.
Verheugd nam de assistent de spullen aan, maar legde ze acuut terug op tafel. Alcuïn was namelijk opgestaan om weer naar bed terug te keren en hoewel het slechts een paar passen lopen was, konden zijn benen hem amper dragen. Snel ondersteunde Fredigius zijn geliefde leraar en hielp hem zijn bed in. De assistent dekte de oververmoeide man toe en haalde wat te drinken, maar tegen de tijd dat hij met de beker warme melk terugkwam uit de kloosterkeuken was Alcuïn al weggezakt in een diepe slaap.
Fredigius zette de beker op tafel, stond even bij zijn oude meester te kijken, tekende met zijn duim heel zachtjes een kruisteken op diens voorhoofd en prevelde een zegen. Hij hoopte van harte dat de zieke weer was opgeknapt als hij over een halfjaar terugkwam. Toen pakte hij het cadeau en de beide brieven van tafel en vertrok.
Hoofdstuk 5: De kroning
Fredigius was op tijd in Mainz aangekomen om met koning Karel en zijn gevolg de Alpen over te steken. Op de vooravond van de heilige Catharina bereikten ze Rome waar het volledige koninklijk gezelschap feestelijk en royaal door paus Leo werd onthaald.
Slechts via de brieven die zijn assistent schreef, maakte Alcuïn mee hoe paus Leo tijdens de eerstvolgende zondagsdienst vrijwillig een zuiveringseed afgelegde. Hij verklaarde niets te hebben gedaan van alles waar hij door kwade tongen van beschuldigd was. Die knieval was een behoorlijke vernedering voor de paus, maar maakte wel dat zijn naam voortaan van alle blaam gezuiverd was.
Op de ochtend van Kerstmis van het jaar 800 was Fredigius in de Sint Pieterskerk. Hij wist dat er vandaag iets te gebeuren stond. Karel de Grote was de hele ochtend al zenuwachtig geweest en voor het eerst in zijn leven liep de koning niet in zijn gewone Frankische dracht, maar in de kleren van een Romein. Dat had Fredigius nog nooit gezien, schreef hij aan Alcuïn.
De zieke geleerde wist dat koning Karel zich één keer eerder als Romein had verkleed, op verzoek van de toenmalige paus. Dat was de dag dat Alcuïn zelf in de ziekenboeg had gelegen en Karel zijn zoon Karloman in de Sint Pieter had laten omdopen tot Pepijn. Er was alleen niemand om dit aan te vertellen. Alcuïn zat alleen in zijn kamer en las zijn post. Soms was het jammer dat stilte de regel was in het klooster. Deze brief had hij graag met iemand willen delen.
De omgedoopte Pepijn was er dit keer ook weer bij, schreef Fredigius. De zoon lag voor de dienst samen met zijn vader in diep gebed bij het graf van de heilige Petrus toen de paus op Karel de Grote afliep en hem “totaal onverwacht” – zoals Fredigius schreef, hetgeen de oude man deed glimlachen – de keizerskroon op het hoofd zette. Hij zegende koning Karel en promoveerde hem tot keizer. Het volk was in een uitbundig juichen uitgebarsten.
Het plan was gelukt! Wat spijtig dat Alcuïn deze grote gebeurtenis had moeten missen. De kroning van Karel de Grote tot keizer was een historisch moment in de geschiedenis, realiseerde de geleerde zich. Er begon niet alleen een nieuw jaar en een nieuwe eeuw op die eerste kerstdag van het jaar 800, een volledig nieuw tijdperk was aangebroken voor de hele wereld. Zo voelde het ook voor alle aanwezigen, bleek uit de brief van Fredigius.
Karel de Grote was door de paus tot keizer gekroond, daarmee leek het voor iedereen alsof de heerser over het onmetelijk grote Frankenrijk door God zelf was uitgeroepen tot keizer van het Westen. Spontaan, als door een goddelijke inspiratie. Alleen Fredigius begreep bij nader inzien dat dit het plan was dat de wijze Alcuïn voor Karel had uitgedacht!
Door die ene daad veranderde de hele christelijke wereld. Een keizer is zoveel hoger in rang dan een koning. Nu was er eindelijk weer een keizer in het Westen als tegenwicht tegenover de machtige heersers in het Oosten. Voor het eerst kon Karel de Grote zich meten met de eindeloze rij aan keizers in Byzantium. Opeens bestond er weer een volwaardig westers rijk naast het eeuwige oosterse rijk. Daarmee was het oude Romeinse Rijk onder paus Leo in zijn volle glorie hersteld.
De wereld trilde op zijn grondvesten. Geen mens kon de gevolgen van deze kroning overzien. Toen keizerin Irene in haar paleis aan de Bosporus hoorde over de nieuwe keizer was ze woest. Maar niemand kon de reeds voltrokken gebeurtenissen ongedaan maken.
Fredigius had koning Karel… ehh, keizer Karel – dat was even wennen – nog diezelfde avond het prachtige boek van Alcuïn ten geschenke gegeven en die had ontroerd de opdracht voorin gelezen: “Om evenveel zegeningen als dit boek letters telt.”
“Daar was de nieuwgekroonde keizer zichtbaar blij mee,” schreef Fredigius.
Alcuïn stuurde meteen een brief aan zijn behulpzame assistent terug en een aan Keizer Karel om hem te vertellen hoezeer hij ernaar verlangde hem te zien en het hele verhaal te horen.
“Je moest eens weten hoe ik aan de lippen van iedere bezoeker hang die het klooster hier in Tours aandoet. Ik vraag ze helemaal uit en drink hun woorden in. Kom toch snel, opdat ik mij voor mijn keizer op de grond kan werpen en jouw voeten kan kussen.”
Hoofdstuk 6: Het antwoord van de paus
Het duurde echter lang voordat de sneeuw in de bergpassen gesmolten was en men de Alpen kon oversteken. De hele winter verbleef Fredigius bij Keizer Karel aan het hof in Rome.
In zijn cel in Tours knapte Alcuïn genoeg op om overdag wat te schrijven. Hij besloot aan de biografie van Karel de Grote te beginnen. Toen de keizer op de terugweg eindelijk de oude abdij aan de Loire aandeed, zei de geleerde er niets over. Hij wilde het verhaal eerst afmaken. Fredigius, die in het gevolg van de keizer mee teruggereisd was en de abt al werkend aantrof, lichtte hij wel in over het levensverhaal.
“Mocht ik eerder sterven dan de keizer, dan moet jij het afmaken,” drukte Alcuïn zijn assistent op het hart. Wat heerlijk dat zijn hulpje weer terug was.
Fredigius hielp de abt meteen met opstaan, maakte een betere knoop in het koord om zijn pij en ondersteunde hem vervolgens bij het lopen. Zo schreden ze samen de keizer tegemoet. Voor de beloofde nederwerping was Alcuïn veel te zwak, maar Karel had zich er vast ook ongemakkelijk bij gevoeld als de oude man zijn voeten daadwerkelijk had gekust. Als koning, en helemaal nu als keizer, was Karel er volledig aan gewend geraakt dat onderdanen zich voor hem op de grond lieten vallen als teken van nederigheid. Maar van zijn oude leermeester zou hij een dergelijk gebaar niet hebben verdragen.
De keizer omhelsde hem en bedankte Alcuïn voor het mooie evangelieboek en de fijne brieven. Fredigius mocht bij het gesprek blijven wat volgde. Uit de bespreking werd hem duidelijk dat Alcuïn het plan van de keizerlijke kroning vooraf tot in de puntjes had bedacht.
“Alleen is keizerin Irene uit het Oosten nu woest, wat moeten we doen?”
Blijkbaar had Karels raadsman daar al over nagedacht, want Fredigius hoorde Alcuïn antwoorden: “Trouw met haar. Zij is weduwe en jij bent vorig jaar ook net je vrouw verloren. Door een huwelijk tussen jullie zouden Oost en West verenigd kunnen worden.”
De mond van Fredigius viel open van verbazing. Dit was werkelijk geniaal. Hij ging meteen perkament en inkt halen en sneed een extra scherpe punt aan een paar ganzenveren. De keizer zou vast een brief naar Byzantium willen opstellen. Karel de Grote lachte toen Fredigius met de schrijfspullen kwam aanzetten.
“Wat een geweldige assistent heb jij, Alcuïn. Mag ik hem niet van je overnemen?”
De oude abt schudde heftig zijn hoofd.
“Ik kan hem hier niet missen. En bovendien wil ik graag dat hij mij hier in Tours opvolgt.”
Het hele gezicht van Fredigius gloeide van trots toen hij dat hoorde.
De mannen spraken nog tot diep in de nacht. Er werd een plechtig huwelijksaanzoek voor keizerin Irene opgesteld.
Na een zeer korte nacht vertrok de keizer en zijn gevolg in alle vroegte. Fredigius hielp hen op weg en zwaaide de keizer na. Toen hij zich omdraaide en het klooster van Tours inliep, nam Alcuïns assistent zich voor om nog beter voor zijn oude leermeester te zorgen. Er daalde een diepe rust in zijn ziel en de monnik glimlachte. Zijn roeping lag hier, in Tours, dat voelde hij opeens heel sterk. Hij ging meteen even bij de geleerde kijken. Die lag nog in diepe rust op zijn dunne matras in de koele kloostercel.
Gisteravond had de keizer al afscheid genomen van zijn wijze raadsman. Lang en innig, alsof ze beiden het gevoel hadden dat het de laatste keer was dat ze elkaar in dit aardse leven zouden zien. Adieu, hadden ze elkaar toegefluisterd. Tot weerziens bij God. Alcuïn zou deze morgen uitslapen. Hij had zijn nachtrust hard nodig.
“Slaap is het beste medicijn, mijn zoon,” riep hij iedere dag opnieuw.
Fredigius vond het heerlijk wanneer zijn oude leermeester hem “mijn zoon” noemde. Zo voelde het ook een beetje. Als een vader had Alcuïn alle leerlingen van de Yorkse kathedraalschool onder zijn vleugels genomen. Ook die van de Akense paleisschool en elke nieuwe student hier in Tours, telkens opnieuw. Hij had van hen gehouden, hun hoofden gevuld met interessante verhalen en altijd geduldig begeleid. Geen vraag was de geleerde ooit te gek geweest. Alcuïn had zijn leerlingen opgeleid tot mooie zelfbewuste mensen en in de wereld laten uitvliegen, maar als een echte vader hield hij met de meesten nog intensief contact via de post. Nu lag dat wijze hoofd hier met half open mond zachtjes te snurken. De jongeman keek er vertederd naar en verbaasde zich erover hoeveel één enkel mens in zijn leven kan betekenen voor de wereld.
Na een paar uur ging Fredigius weer even bij Alcuïn kijken. De oude man leek nog te slapen, maar toen Fredigius de deur weer uit wilde lopen, deed de abt net zijn ogen open. Even knipperde hij. Keek rond. Zag Fredigius. Er gleed een teken van herkenning over zijn gezicht en toen meteen daarna een zorgelijke frons.
“Is er ook antwoord van de paus?”
Oh, natuurlijk. Fredigius was het helemaal vergeten, maar hij was in Rome speciaal voor Alcuïn bij paus Leo III op audiëntie geweest en had na eindeloos lang wachten een antwoord meegekregen. Het moest hier ergens zijn. In deze stapel die hij gisteren bij aankomst op tafel had gelegd. Daar wat het! Een netjes opgerold stuk perkament verzegeld met het pauselijke stempel.
Nieuwsgierig wilde hij al het zegel verbreken en de brief voorlezen, maar de abt stak zijn hand uit. Met lichte teleurstelling legde Fredigius de pauselijke rol in de magere gerimpelde hand. De vingers trilden toen ze het zegel verbraken en het papier uitrolden.
De ogen van de geleerde waren nog nooit zo snel langs de zinnen van een brief geleden. Of het was slechts een zeer korte brief met hooguit een paar woorden. Dat laatste dacht Fredigius eerder vanaf die afstand op te maken. Maar waarom had de paus daar dan zo lang over gedaan?
Alcuïns gezicht klaarde helemaal op. Het leek zelfs te glansen, alsof hij licht gaf.
“Ga naar de wasruimte en zet een emmer water op het vuur, mijn lieve zoon,” zei de geleerde stralend. “Vandaag ga ik in bad.”
Fredigius wist niet of hij verontrust of geamuseerd moest zijn. Was zijn meester nu gelukkig of opnieuw ziek? Hij keek nog eens goed. De oude man leek opgelucht en blij. Er was een twinkeling in de ogen die Fredigius lang niet gezien had en om zijn mond speelde een verholen glimlach.
Met grote stappen snelde de assistent naar het washok om aan Alcuïns wens te voldoen.
Zodra de abt van Tours gelukzalig in de tobbe zat, kon Fredigius zijn nieuwsgierigheid niet meer onderdrukken. Hij moest weten wat er in de brief van de paus stond. Kon hij de oude man wel even alleen achterlaten? Hij keek naar Alcuïn. Die zat neuriënd te poedelen in het water en leek op slag tien jaar jonger. Onder het mom dat hij nog even een handdoek uit de linnenkamer ging pakken, sloop Fredigius naar de kamer van de abt en zocht de pauselijke rol. Toen hij het perkament open rolde las hij tussen de hoffelijke aanhef en hoogachtende afsluiting slechts één zin:
“De paus heeft in al zijn wijsheid besloten om de geleerde Alcuïn, abt van Tours, absolute vergeving te schenken voor al zijn zonden.”
Hoofdstuk 7: De vluchteling
Eindelijk kon Alcuïn met een gerust hart voor zijn Schepper verschijnen. Toch leefde hij nog gewoon het hele jaar. Ook 802 vergleed en het leven kabbelde rimpelloos voort. Regelmatig kwamen er brieven van keizer Karel met het verzoek of de geleerde naar Aken kon komen. Zijn aanwezigheid werd dringend gewenst voor advies, maar de keizer wist niet wat hij vroeg. Fredigius was blij dat hij zijn meester nog bij zich had. Dat advies moest Alcuïn maar per brief geven.
Goede raad was echter duur. Keizerin Irene had namelijk wel oren gehad naar een huwelijk met Karel de Grote. Maar in haar paleis aan de Bosporus was zij flink tegengewerkt door haar eerste minister, een eunuch met de naam Aetios, die bang was zijn macht te verliezen en uiteindelijk ging de trouwerij niet door.
Iedere middag hielp Fredigius met het lezen en beantwoorden van post. Alcuïn kreeg stapels brieven vanuit het hele land. Ook vanuit Engeland. De geleerde was alom geliefd.
Alleen gebeurde er op een zekere dag iets dat alles dreigde te veranderen. Die middag kwam Fredigius met de mededeling dat een onbekende jongeman een veilig heenkomen had gezocht in het heiligdom van Tours. De vreemdeling had een misdaad begaan, was door Theodulfus van Orleans berecht en opgesloten, maar de jongeman was gevlucht en hield zich nu schuil in de kerk van Tours.
“Breng me naar hem toe,” gebood Alcuïn zijn helper meteen.
Samen liepen ze gearmd door de lange kloostergangen naar de kerk. Zodra de vreemdeling de mannen zag binnenkomen, greep hij het altaarblad met beide handen vast.
“Is het niet zo dat elk mens asiel krijgt zolang hij in het huis van God is,” riep hij al van verre.
“Zo is het,” beaamde Alcuïn kalm en schreed langzaam verder in de richting van het altaar.
“En is het waar dat ik veilig ben van vervolging zolang ik het altaar aanraak?” vroeg de voortvluchtige wanhopig.
“Dat is waar,” antwoordde Alcuïn terwijl hij aan de arm van Fredigius nog een paar stappen naderbij deed.
“Klopt het dat God allen vergeeft die oprecht berouw tonen?”
Nog altijd leek de onbekende indringer niet gerustgesteld.
“Dat klopt,” zei Alcuïn rustig. Hij zette zijn laatste passen en bleef op een paar meter afstand staan. “Gods huis is een toevluchtsoord. Vrees niet, je hebt een veilige haven bereikt.”
De man keek naar de oude wijze abt. Tot dan toe hadden alle angstige cellen van zijn lichaam gespannen gestaan, klaar om te vechten of te vluchten. Maar door de vriendelijke ogen van de abt en diens kalmerende woorden, ontspande hij en zakte met een zucht van verlichting op de grond.
Alcuïn liet zich door Fredigius naast de jongeman op de grond zetten en stuurde zijn helper weg. Zo’n gesprek ging makkelijker één op één.
Het zat niet erg comfortabel op de harde vloer. De marmeren poot van het altaar, die als steun in zijn rug diende, trok koud op. Afwachtend keek de geleerde opzij. Hij schatte de jongen niet veel ouder dan vijfentwintig jaar. Het was wat je noemt een knappe man met een volle bos zwart haar en lichtgrijze ogen. Aan de kale plek op zijn kruin was te zien dat hij tot priester was gewijd.
“Hoe heet je?” vroeg Alcuïn.
Het hoofd van de priester schudde van nee. Zijn naam wilde hij liever niet zeggen.
Het zag er verlaten uit, zoals de jongeman daar zat, met zijn benen opgetrokken en zijn handen rondom zijn knieën.
“Ben je berecht voor een daad die je niet op je geweten hebt?” probeerde de abt opnieuw het gesprek te openen.
Het neerhangende hoofd schudde nog altijd heen en weer.
“Ik heb het wel gedaan,” fluisterde de stem naast Alcuïn. “Ik heb iets heel ergs gedaan. Maar ik heb spijt en zal het nooit meer doen.”
Dikke tranen drupten uit zijn ogen en spatten uiteen op de vloer. Het meesten werd echter opgevangen door de pij.
“Vertel het maar, mijn zoon,” sprak de oude man vaderlijk.
Even zweeg de stem nog. Toen kwam het hele verhaal er hakkelend en stamelend uit.
“Ik was nog nooit verliefd geweest, weet u. Ik herkende het niet en wist niet wat voor sterke kracht het was. Eén nacht heb ik me laten gaan. Het vlees is zwak, dat besef ik nu.”
Alcuïn knikte.
“Dat is een zwaar vergrijp. Was het verlangen wederzijds?”
Nu knikte de priester.
“Dat wel.”
Alcuïn dacht na.
“Het is mooi dat je berouw hebt en beterschap belooft. Je zult boete moeten doen, maar ik heb nog nooit gehoord dat iemand voor één keer vrijen met een parochiaan gevangenisstraf kreeg.”
De man zuchtte.
“Het is niet wat u denkt, vader.”
Zijn stem klonk heel zacht. Alcuïn kon hem amper nog verstaan.
“Ik heb de liefde niet bedreven met een vrouw uit de parochie, maar met een geestelijke uit het klooster waar ik woon in Orleans.”
Even was het stil. Toen voegde de priester er voor de duidelijkheid aan toe.
“Het was een man.”
Alcuïns hart stond stil. Hier was een jongen van amper vijfentwintig jaar die door dezelfde gevoelens heenging als hijzelf ooit. Alleen had deze jongeman de moed om het aan iemand te bekennen en hardop uit te spreken. Aan een wildvreemde nog wel, midden in een huis van God.
“Ik hou van die man,” hoorde hij de biechteling zeggen, “maar ik ben een priester en kies voor God. Laat aartsbisschop Theodulfus mij overplaatsen naar een ander klooster. Daar zal ik iedere vorm van boete doen die hij mij oplegt en mijn leven aan de Heer wijden. Door mij op te sluiten word ik beroofd van mijn levenspad. Toe, vader, red mij. U als geestelijke zult begrijpen wat ik bedoel.”
Alcuïn begreep het beter dan de gevluchte priester kon vermoeden.
“Hier ben je voorlopig veilig, mijn zoon,” zei hij. “Ik zal zien wat ik voor je kan doen.”
Hoofdstuk 8: De aanval
Nog voordat Alcuïn goed en wel kon bedenken wat hij met de situatie van de asielzoekende jongeman aanmoest, had bisschop Theodulfus van Orleans al een klein legertje naar Tours gestuurd. Zonder aankondiging vielen diens soldaten zomaar de kerk binnen om de voortvluchtige op te pakken en mee terug naar Orleans te voeren.
Een van de monniken zag het handje gewapende mannen de kerk in gaan. Hij waarschuwde snel zijn medebroeders en rende vervolgens de straat op en de stad in.
“Vreemde lieden met wapens overvallen onze kerk,” riep hij tegen iedereen die hij tegenkwam. “Kom ons helpen de heilige botten van Sint Maarten te beschermen.”
Van alle kanten kwamen burgers toesnellen. Vooral de arme lieden van Tours die leefden van de vrijgevigheid van de geestelijken in het klooster gaven massaal gehoor aan de oproep en stormden de kerk binnen. Daar waren alle monniken al verzameld om hun rijkdommen te verdedigen. Met rieken en stokken stortte men zich op de aanvallers, die zich geschrokken terugtrokken en met lege handen richting Tours verdwenen.
Alle commotie was aan Alcuïn voorbijgegaan. De abt had weer eens ziek op bed gelegen, maar zodra hij het hoorde, kwam hij aan de arm van Fredigius poolshoogte nemen. Tot zijn genoegen zag hij dat er niets miste. Zelfs de gevluchte priester zat nog veilig weggedoken onder het altaar.
Terug in zijn cel liet de abt Fredigius direct een boze brief aan Theodulfus van Orleans schrijven en ook meteen eentje aan keizer Karel. Sinds wanneer mochten gewapende mannen zomaar een godshuis in? Om een vluchteling die asiel zocht op een veilige plek terug te sleuren in gevangenschap nog wel. Alcuïn was kwaad en liet dat in beide brieven goed blijken. Maar zijn voormalige leerlingen reageerden allebei met minder respect dan de oude schoolmeester zou verwachten.
Theodulfus vond dat een man die hij berecht had en ontsnapt was, gewoon in de gevangenis hoorde. En ook Karel de Grote was niet meteen overtuigd van het gelijk van zijn wijze raadsman en liet een onderzoek instellen.
De onderzoeker die hij stuurde was echter zo’n arrogante man en die gedroeg zich zo lomp tegenover de monniken dat Alcuïn hem per omgaande onverrichter zake terugstuurde naar Aken.
Keizer Karel reageerde diep teleurgesteld. Hij kon niet geloven dat Alcuïn zelf de aanstichter van al deze ongehoorzaamheid was en richtte zijn verwijten op de monniken. Het klooster in Tours had altijd al een slechte naam gehad. Het ontbrak de geestelijken daar aan discipline. “Nu heb ik jullie de meest wijze en vrome man gestuurd uit heel het keizerrijk om jullie als voorbeeld te dienen en het blijkt niets geholpen te hebben.”
Hoofdschuddend las Alcuïn de beschuldigende woorden van de keizer. Ze troffen hem onaangenaam in het hart. Als antwoord dicteerde hij Fredigius drie perkamenten vellen vol waarin hij het in iedere zin opnam voor zijn monniken. Aan het eind liet hij de volgende passage opnemen: “Overigens was de voortvluchtige reeds de volgende dag van onder ons altaar verdwenen, dus daar hoeft geen leger uit Orleans hem meer te zoeken. Wellicht werd het de priester te heet onder de voeten en heeft hij elders een veilig heenkomen gezocht.”
Deze woorden waren niet gelogen, maar verdoezelden toch de waarheid. De voortvluchtige priester was inderdaad niet meer onder het altaar te vinden, omdat hij op bevel van Alcuïn onder een schuilnaam een plaats in het klooster van Tours had gekregen om als monnik een nieuw leven op te bouwen.
Alcuïn had de jongeman de naam Aquila gegeven. Niemand wist waarom. Alleen Arno moest glimlachen toen hij het hele voorval per brief vernam. Aquila is Latijn voor adelaar. De aartsbisschop van Salzburg begreep uit Alcuïns oplossing voor de situatie en die verwijzing naar zijn naam dat zijn zwaluw eindelijk vrede in zichzelf had gevonden.
Tussen Alcuïn en Theodulfus van Orleans kwam het nooit meer helemaal goed. Keizer Karel daarentegen hield te veel van zijn oude meester om lang te blijven mokken. Al na een paar maanden schreven ze weer even vriendschappelijk als voorheen. Die winter vroeg de keizer als vanouds om raad en zelfs of Alcuïn in de lente niet voorgoed naar Aken wilde komen. “Hier in het paleis kunnen we ook goed voor je zorgen,” beloofde Karel de Grote. Maar reizen zat er echt niet meer in.
Hoofdstuk 9: Pinksteren
De lente was bijna voorbij. Alcuïn voelde zijn einde naderen. Hij was al vrij lang af en aan ziek geweest, maar dit was anders. Met Pasen had hij al zijn taken aan Fredigius overgedragen. Vanaf Hemelvaartsdag lag hij in bed. Een mooie dag om te gaan hemelen, maar hij stierf niet.
Tussen alle slaapjes door dicteerde hij nog een laatste brief aan iedereen die hij maar kon bedenken. Aan Sigwulf die in Aken als hoofd van de paleisschool werkte. Aan al zijn oud-leerlingen waaronder de prinsen Karel junior, de beide Pepijnen, Lodewijk en diens aangenomen broer Ebbo. Aan Witzo en Clemens en zelfs aan Theodulfus van Orleans. Een extra lange brief vol dankbaarheid aan alle bewoners van het klooster in York. “Door jullie klooster ben ik geworden wie ik ben. Jullie voorgangers hebben mij in de tere jaren van mijn jeugd gekoesterd met moederlijke liefde en gecorrigeerd met vaderlijke discipline. Zij doorstonden de baldadige tijd van mijn jongensjaren totdat ik volwassen was en volledig gesterkt in de instructie van het heilige leven mijn taak kon volbrengen. Mijn dank is groot.”
Nog een laatste woord aan keizer Karel waarin hij hem wijsheid en gezondheid wenste voor zichzelf en zijn zonen en welvaart voor heel het keizerrijk. “Vergeet nooit wat we samen hebben bereikt. Een onderwezen land is een verlicht land!”
Als allerlaatste schreef hij aan Arno. Zijn eigen handen konden helaas niet meer, dus moest hij zijn woorden wel dicteren.
“Schrijf maar: Voor mijn eigen lieve adelaar, met dank voor alles, je zwaluw. Dan begrijpt hij het wel.”
Fredigius begreep er niets van. Wat een onduidelijke taal. Blijkbaar was de geest van de geleerde niet meer zo helder.
“Wacht,” hoorde hij de abt vanaf het bed nog zeggen. De ogen van de oude man waren alweer gesloten. Hij had tussen zijn slaapjes door slechts één brief per keer kunnen dicteren voordat hij alweer moe was.
“Wacht,” herhaalde Alcuïn en wees met zijn vinger naar de brief voor de abt van Salzburg. “Adieu, wil je dat nog even als allerlaatste toevoegen? Gewoon, Adieu.”
Nu wist Fredigius zeker dat Alcuïns tijd gekomen was. Dat kwam door de manier waarop de abt het woord over het weerzien bij God had uitgesproken, alsof het zijn keel van ontroering had dichtgeknepen. Adieu. De liefdevolle assistent krabbelde de slotgroet op het perkament en besloot die nacht bij zijn meester te waken.
Op de ochtend van Pinksteren, 19 mei 804, sloeg Alcuïns laatste uur. Letterlijk. De mis stond op het punt van beginnen en de kerkklokken lieten hun uitbundige gebeier horen.
Fredigius ging niet naar de verplichte dienst, maar lag net als de gehele afgelopen nacht op zijn knieën op de harde grond naast het bed van Alcuïn. De ademhaling van zijn geliefde leermeester verliep steeds moeizamer. De gerimpelde handen lagen gevouwen tesamen boven op het laken alsof hij al in zijn kist lag. Het zou nu niet lang meer duren of hij gaf de geest. Ondanks de luid beierende kerkklokken die iedereen opriepen om naar de dienst te komen, verroerde Fredigius geen spier. Hij liet de abt nu niet alleen. Niets troostelozer dan een mens die eenzaam sterft. Een mooi leven verdient een mooi einde, vond Fredigius en hij hield trouw de wacht.
In de cel was het gezang van de monniken tijdens de ochtenddient te horen. Pinksteren. Alcuïns lievelingsfeest. Viering van de heilige geest die eens door God (én de zoon, filioque) aan de aarde geschonken was en die Alcuïn iedere dag opnieuw had mogen ontvangen. Wat had hij er niet allemaal voor goeds mee gedaan?! Boeken geschreven, mensen geïnspireerd, onderwijs gebracht in het hele keizerrijk.
Alcuïn had van de paus vergeving gekregen voor alle grote en kleine zonden die hij óók had begaan in zijn leven. Hij was tenslotte gewoon maar een mens. Door de pauselijke brief had Alcuïn vrede met zichzelf kunnen sluiten. Omdat de hoogste plaatsbekleder van Christus op aarde hem genade had geschonken, kon hij zichzelf vergeven. Hij was geschapen als mens van vlees en bloed met alle uitdagingen die dat met zich meebracht. God zou het wel begrijpen. Was hij niet geschapen naar Zijn beeld?
Alcuïn was eindelijk bereid zijn Schepper te ontmoeten. Hij was er helemaal klaar voor en opende zijn hart om de heilige geest te ontvangen. Het voelde alsof hij zich aan God overgaf zoals hij zich ooit aan Arno had overgegeven. Op zijn gezicht verscheen een gelukzalige glimlach. Er was niets engs aan. De hemel stond klaar om hem met open armen te ontvangen.
Op de ritmische gregoriaanse gezangen van zijn medebroeders die in de kerk de Pinksterliederen zongen, steeg zijn ziel op van de aarde en nam al zijn voor de eeuwigheid vergaarde kennis mee. Het was goed zo.
.
DEEL VII
Hoe het verder ging (804 en verder)
.
Hoofdstuk 1: Hoe het verder ging
Alcuïn werd in Tours begraven, dicht bij de plek waar ook de botten van Sint Maarten hun eeuwige rust hadden gevonden en waar de overblijfselen van Leutgarde, de vijfde vrouw van Karel de Grote lagen.
Fredigius volgde Alcuïn op in Tours, maar was lang niet zo’n bevlogen leider als zijn leraar en al vrij snel nam de abdij in Fulda de positie als belangrijkste kenniscentrum van het rijk over. Onder leiding van de beroemde Rabanus Maurus die slechts een jaar les had ontvangen van Alcuïn, maar die daardoor al voldoende geïnspireerd was geraakt. Menig oud-leerling zorgde voor scholen en bibliotheken. Het licht van de fakkel der kennis was echt bij velen aangestoken en werd almaar verder doorgegeven. Aartsbisschop Arno stichtte in Salzburg met Witzo’s hulp een centrum voor onderwijs en legde een enorme bibliotheek aan. Hij liet maar liefst honderdvijftig boeken vervaardigen. In zijn collectie bevond zich een kopie van alle werken die Alcuïn ooit had vervaardigd!
Via tijdgenoten weten we dat Alcuïn het levensverhaal van Karel de Grote ooit heeft opgeschreven, maar daar is helaas nooit een kopie van teruggevonden. Wel hebben we nog de biografie over Alcuïn zelf die Sigwulf twintig jaar na de dood van zijn oude meester maakte, Vita Alcuinius genaamd.
Tegen de tijd dat Karel de Grote overleed waren zijn oudste zoons allemaal al gestorven. Pepijn-Karloman in 810 en het jaar daarop vonden zowel Karel junior als Pepijn met de bult de dood. Daardoor werd Lodewijk in 814 Karels opvolger. De keizer kroonde zijn zoon eigenhandig tot volgende keizer, daar kwam dit keer geen paus meer aan te pas.
Lodewijk kreeg niet voor niets de bijnaam De Vrome. Hij was heel gelovig, maar had beter monnik kunnen worden dan leider van een land, want hij bleek veel te volgzaam. Het reusachtige rijk dat hij van zijn vader erfde, werd na zijn vroegtijdige dood onder zijn drie zonen verdeeld en dat was het einde van het grote keizerrijk. Door velen wordt dit verenigde gebied nog altijd gezien als de voorloper van ons huidige Europa.
De Noormannen bleven nog een paar eeuwen lang de schrik der zeven zeeën. Zij plunderden niet alleen zeer vaak in Engeland, maar evenzeer in Frankrijk en in de rest van de wereld. In 866 vernielden Deense Vikingen de befaamde boekenkamer van York, waar zich de beroemdste bibliotheek van het christendom bevond. Alles ging verloren. Ook werd in de negende eeuw door woeste Noormannen Karel de Grote’s favoriete palts in Nijmegen vernietigd en de abdij van Tours waar Alcuïn ooit woonde in brand gestoken.
In 1054 leidde de filioque-discussie alsnog tot een scheuring tussen de oosterse en de westerse kerk.
Het lot dat Alcuïn op zijn zevende jaar overkwam trof velen in die tijd. Jongens die in het klooster werden opgevoed met het doel in te treden, werden oblati genoemd. Een oblaat is een offer, zo’n kind wordt opgedragen aan God. Dit kwam vooral bij de benedictijnen voor. In de twaalfde eeuw raakte deze gang van zaken in onbruik en sinds het concilie van Trenthe (1545-1573) zijn oblati helemaal afgeschaft.
Op initiatief van keizer Frederik Barbarossa, wiens naam roodbaard betekent, werd Karel de Grote op 29 december 1165 zowaar heilig verklaard. Tegenwoordig wordt de vader van Europa in de katholieke kerk (en ver daarbuiten) niet meer als heilige gezien.
De geleerde Alcuïn van York is daarentegen nooit heilig verklaard, al was hij nog zo belangrijk voor de Christelijke wereld.
NAWOORD
Wie het over het leven van Karel de Grote heeft, noemt meestal in één adem ook Einhard. Dat was een hoffunctionaris die als bijnaam De Kleine had, al zal hij vast niet zo klein geweest zijn als ik hem heb beschreven. Deze man is beroemd geworden door de biografie die hij over Karel de Grote maakte. In werkelijkheid heeft Einhard slechts kort onder de keizer gediend. Toch zou dit verhaal niet compleet geweest zijn zonder dat de naam Einhard erin voorkwam, daarom heb ik de goede man een flink aantal jaren eerder aan het hof laten rondlopen, want zoals E.H. Kossman al schreef: “Zonder een vorm van anachronisme geraakt geen enkele historicus thuis.”
Alcuïn van York heeft echt geleefd en was daadwerkelijk de leraar van Karel de Grote. Al was hij misschien geen originele denker, hij was een fervent verzamelaar van kennis en deelde daarvan uit aan de wereld. We hebben veel aan hem te danken. Doordat zijn gebedenboek in heel Europa gebruikt werd, kwam er eenheid in de kerkelijke liturgie en doordat hij zich sterk maakte voor de zuivere vorm van het Latijn kunnen wij nu nog alle oude teksten lezen.
Zijn belangrijkste vondst was de Karels letter. Deze zogenaamde Karolingische minuskel was een veel leesbaarder lettertype dan men eerst gebruikte en ligt aan de basis van ons huidige Romeinse schrift. Natuurlijk heeft één man niet in zijn eentje onze moderne manier van schrijven ontdekt. In Ierland gebruikte men in de zesde eeuw soms al spaties tussen de afzonderlijke woorden en er bestond al een Merovingische letter waar de Karolingische op voortborduurde. Toch zijn er juist in deze periode vele boeken in dit heldere elegante lettertype overgeschreven en is er een hele erfenis aan Karolingische manuscripten tot ons gekomen. Daarmee zijn zowel klassieke als Germaanse en vroegchristelijke teksten aan de vergetelheid ontrukt. Niet alleen grote kerkvaders als Ambrosius, Augustinus en Hieronymus werden gered, ook heidense werken van Cicero, Vergilius en Tacitus hebben hierdoor overleefd, evenals handboeken over geneeskunde en vele Griekse wiskundige boeken uit Spanje. “Vrijwel alles van de klassieke literatuur is tot bij ons gekomen via Karolingische manuscripten” (Raoul Bauer).
Volgens sommige historici kon Karel weldegelijk al in het Frans schrijven en is het een fabel dat de koning als volwassene nog zat te zwoegen op de letters. Hij zou van Alcuïn slechts in het Latijn hebben willen leren schrijven. Aangezien Karel de Grote al wel gewoon Latijn sprak vond ik de mythe niet alleen mooier, maar ook logischer en heb daaraan vastgehouden.
Eileen Power zegt over Karel de Grote dat iedere eeuw hem met zijn eigen gewaden bekleedde en nieuwe verhalen over hem zong. Hetzelfde geldt in mijn ogen voor iemand als Alcuïn. Misschien is het voor sommige mensen schokkend dat ik een geestelijke homo-erotische gevoelens heb toegedicht (al ben ik niet de enige), maar in de 21ste eeuw kan aan het seksuele aspect van iemands leven niet voorbijgegaan worden.
Niemand kent Alcuïns seksuele voorkeur. Maar hoe geleerd ook, hij was een mens van vlees en bloed en zal zeker wel eens in zijn leven verliefd zijn geweest. Als geestelijke was het hem verboden om seksuele relaties aan te gaan en of hij nu gevoelens had voor een man of voor de koningin van Frankrijk, in alle gevallen zou hij op een bepaald moment in zijn leven te maken hebben gekregen met zijn natuurlijke lichamelijke verlangens. In dit boek wilde ik een stukje van die strijd beschrijven en heb ze vastgeknoopt aan Arno (bijgenaamd de adelaar) en door Alcuïn meermaals “mijn trouwe vriend” genoemd, omdat zij van alle leerlingen waar Alcuïn mee schreef de levendigste correspondentie hadden (van hen zijn meer dan dertig brieven bewaard gebleven).
De vlam der kennis werkt nog altijd door. Het overbekende raadsel van de boer met zijn kool, geit en wolf is ooit door Alcuïn bedacht en wordt eeuwen later nog altijd gebruikt om kinderen mee te vermaken. Dat ook mijn verhaal aan de vermeerdering van eeuwige kennis mag bijdragen!