Een Koerd in de Pijp

Een verhaal voor Burgemeester van der Laan

Kitty Nooy

Na schooltijd ren ik naar opa. Eigenlijk ga ik iedere middag naar hem toe, maar vandaag ren ik met betraand gezicht. “Vuile Turk” hadden ze geroepen. Er wordt wel vaker gepest en gescholden, net als op iedere school en af en toe was ik aan de beurt. De kinderen in mijn klas doen stoer en bieden tegen elkaar op. We lachen elkaar uit en sarren wat, maar “vuile Turk” kwam hard aan.

Het is niet ver van mijn school naar opa’s naaiatelier. Ze liggen allebei in De Pijp. Ik zigzag lenig om de toeristen heen die hier in de zomer massaal door de straten drommen. Mijn sandalen klepperen op de stenen stoeptegels. Ik ren een pleintje over en houd op de hoek stil voor de deur van opa’s winkeltje. De tranen op mijn wangen zijn opgedroogd. Even wacht ik, om op adem te komen. Dan open ik de glazen deur, beplakt met letters vol openingstijden en het loshangende bordje met sierlijke krullen waarop het uitnodigend OPEN staat.

Altijd als iemand de deur opendoet, klingelt er een vrolijk belletje en het OPEN-bordje tikt zachtjes tegen de ruit. In de winkel ruikt het naar kruidnagel en wierook. Geuren die opa aan vroeger doen denken en die helpen de muffe reuk van kleren te verdrijven. Langs de wanden staan rekken vol kledingstukken, netjes op een rij gehangen aan houten knaapjes. Daartussenin zit opa gebogen over de naaimachine. Een tanige oude man met een verweerde huid, diepe groeven in zijn gezicht en spierwitte grijze haren die van onder zijn witte ronde fez vandaan steken.

Opa kijkt op van achter de machine en lacht: “Welkom Hamid, mijn jongen. Wat ben je vroeg uit school!” Ondertussen werken zijn handen gewoon door. Ik sluit de deur en loop naar de bank die speciaal voor mij in het hoekje van de winkel is gezet. Daar maak ik iedere middag na schooltijd een uurtje huiswerk voordat ik opa help om de winkel af te sluiten.

De theepot staat al klaar. Ik schenk voor ons alletwee een glas verse muntthee in en doe er voor mezelf een scherp extra suiker bij. Dan ga ik zitten en pak mijn tas uit. “Ze zeiden vuile Turk tegen me.” Weer prikken er tranen achter mijn ogen. “Zo zo”, zegt opa bedachtzaam. Ik heb hem nog nooit van mijn leven op iemand boos horen worden. “Ben je daarom eerder van schoolgegaan?” Snel schud ik mijn hoofd. Opa moet niet denken dat ik een lafaard ben die wegloopt. “Goed zo jongen, je moet je door zoiets onbenulligs niet je opleiding laten ontnemen”, voegt hij me toe. Opa is zelf nooit naar school geweest en is daarom apetrots dat ik nu kan doorleren, zoals hij dat noemt. En hoewel ik al langer weet dan vandaag dat mijn lieve barmhartige opa nooit kwaad spreekt over iemand, verbaast het me toch dat hij het voorval onbenullig noemt. “Ze zeiden vuile Turk tegen mij, opa.” Er verschijnt een lachje op opa’s gezicht, terwijl hij de jurk waar hij mee bezig is omkeert en opnieuw onder de machine legt. “Zij hebben het je één keer gezegd, jij hebt het zelf nu al twee keer gezegd, straks ga je het nog geloven.” “Nooit!”, schreeuw ik fel, “Ik ben geen Turk.” Opa zit nog steeds te grinniken en haalt zijn schouders op. “Hoe moeten zij dat weten? We komen er wel vandaan.” Verbouwereerd kijk ik naar de oude man voor mij. Zijn handen werken snel. Onder de tafel trapt zijn in een sandaal gestoken blote voet de motor van de naaimachine aan.

Ooit woonde mijn familie in de meest zuidoostelijke uithoek van Turkije, dicht bij de grens met Iran en Irak. Opa kan mooie verhalen vertellen over zonnige dagen met zijn geiten in de bergen. Als hij het over de tijd van zijn jeugd heeft, dromen zijn ogen weg. Maar mijn volk heeft ook andere tijden gekend. De Koerden zijn nergens welkom. Wij zwerven over de aarde zonder eigen land. De Turken hebben ons weggepest. Bommen vol gifgas moordden onze dorpen uit. Toen mijn vader nog maar een kleine jongen was, heeft opa zijn gezin opgepakt en zijn ze met zijn vieren gevlucht. Mijn oom, vaders jongere broertje, was toen nog maar een baby van een paar weken oud, maar ze konden echt niet langer blijven en oma heeft het kind onder haar kleren op haar blote huid gedragen. Alle andere familieleden waren dood.

Het zijn dingen waar opa niet graag over praat, hooguit indirect, want in vergelijking met wat hen is overkomen is het land waar we nu wonen heilig. Alle rottige dingen die ons hier gebeuren zijn in zijn ogen onbenullig, te begrijpen en te verdragen. Oma huilt vaak en mist haar ouders, hoewel ook die er allang niet meer zijn. Ze vindt het hier koud en nat. Het was in het begin niet moeilijk om werk te vinden, wel om voldoende geld te verdienen. Opa draaide lange uren in de fabriek. Oma zorgde voor de kinderen en het huishouden. Ze hadden geen energie over om de taal te leren. Mijn vader en zijn broer pikten het Nederlands wel snel op. Sommige woorden veranderde in de loop der jaren. Toen mijn familie hier kwam, heetten we gastarbeiders. Daarna buitenlanders. Toen immigranten. Tegenwoordig scheldt men ons uit voor allochtonen. Maar ik ben hier geboren en heb een Nederlands paspoort. Ik ben een Nederlandse Koerd of een Koerdische Nederlander, daar ben ik nog niet uit, maar zeker geen Turk. Opnieuw laait de woede in mij op. “Ik ben geen vuile Turk”, roep ik nog maar eens naar opa. Die lijkt het nog steeds grappig te vinden. “Had je liever gehad dat ze kut-Marokkaan tegen je zeiden?” De klok van vijf uur slaat. Het is tijd om de winkel te sluiten. Opa vouwt de jurk op en veegt de spelden bij elkaar in het doosje. Hij is klaar voor vandaag en rekt zich uit. Vlug stop ik mijn spullen terug in m’n tas. Mijn huiswerk is er bij ingeschoten. Ik draai het OPEN-bordje om naar GESLOTEN en help opa met het afsluiten van de winkeldeur.

Buiten is het heerlijk weer. De zon staat nog hoog aan de hemel, terwijl het toch al over vijven is. Het is druk op straat. Ook op dit uur zijn er nog altijd veel toeristen, spelende kinderen en mensen die op het laatste moment nog een boodschap willen doen of zich van hun werk naar huis haasten. Samen lopen we net als iedere middag naar het einde van de straat, waar ons bankje langs het water geduldig op ons staat te wachten. Opa slaat een arm om mijn schouder. Dat voelt goed. Het troost mij meer dan zijn woorden konden doen. Innigverbonden schuiven we langzaam in de richting van het einde van de straat. Opa heeft geen haast. Hij laat iedereen die wél haast heeft voorgaan. Dat ziet hij niet als voordringen. Hij voelt zich ook nooit als een mindere aan de kant geschoven. In zijn beleving hebben die mensen allemaal iets heel belangrijks te doen en van hem mogen ze.

Gelukkig is er op ons bankje nog een plekje vrij en we gaan naast elkaar zitten. Dit is het fijnste moment van de dag. In de schaduw van de boom turen we naar het voorbijstromende water. Opa geniet van een uurtje buiten zijn, verder zit hij de hele dag binnen. Hier hebben wij onze meest intieme gesprekken. Zelfs in de winter gaan we op dit bankje aan de waterkant zitten. Al is het soms maar voor even. Midden in de gedempte stilte van een witte sneeuwwereld luisteren wij dan samen naar het zachte kraken van het ijs. Of we voeren de zwanen in het wak een overgebleven boterham.

“Wat heb je eigenlijk gezegd jongen?”, verbreekt opa de stilte. “Heb je ze verteld dat je geen Turk bent?” Ik knik. Net als ik adem wil halen om trots te vertellen dat ik die pesters maar al te duidelijk heb gemaakt dat ik geen Turk ben, hoor ik de stem van opa opnieuw: “Dat is niet zo aardig voor de Turken.” Hij klinkt teleurgesteld, alsof ik degene ben geweest die de Turken voor vuil heeft uitgescholden. Toch begrijp ik het niet, dat volk heeft opa’s hele familie uitgemoord en dat zeg ik hem ook. Het is mijn mond uit voordat ik er erg in heb. Meteen heb ik al spijt, maar opa blijft rustig als altijd. “De kinderen uit jouw klas valt dat niet te verwijten.” Daarmee laten we het onderwerp rusten en gaan naar huis.

Mijn ouders zijn inmiddels thuis van hun werk. Mijn moeder staat te koken. Ik dek de tafel. We eten in stilte. Opa vertelt niets over het voorval. Hij is geen verrader. Ik zeg ook niets. Het zou mijn ouders alleen maar ongelukkig maken. Ze zijn als de dood dat ik op school niet geaccepteerd zal worden, dat ik er buiten val. Zo vastgeroest zit het in hun gedachtenwereld dat Koerden nergens echt een plekje gegund wordt. Het zou me weer weken kosten om te bewijzen dat ik er wel bij hoor in mijn klas. Iedereen wordt weleens gepest. Het ene scheldwoord komt alleen harder aan dan het andere. Opa weet dat. Hij weet ook dat mijn woede altijd wel weer slijt. Daarom begint hij de volgende ochtend, als ik hem voor schooltijd naar zijn winkel breng, vrolijk over voetbal en hoe fijn het zou zijn als er ooit een Koerdisch team naar de Olympische Spelen zou kunnen gaan. Ik ben hem er dankbaar voor en laat opa achter op het plein, waar hij iedere ochtend met de andere mannen uit de buurt kleine kopjes sterke zwarte koffie drinkt en herinneringen ophaalt aan vroeger.

2

Een paar dagen later is het feest. Vroeger pasten we met z’n allen in de auto, maar “de kinderen worden groot”, zo zei pappa dat en ik gloeide van trots. Hij doelde niet alleen op mij. Oom Mehmet heeft samen met zijn vrouw een tweeling van drie jaar. Ze zaten in hun roze feestjurken achterin bij opa en tante Noor op schoot. Toen was de achterbank vol. Daarom loop ik nu samen met oom Mehmet naar de moskee.

Papa’s broer is een grote gezette man. Toch lijkt hij op een dag als vandaag heel licht over het trottoir te schrijden in zijn prachtige jalabba. Ik zie de mensen wel kijken. Ze stoten elkaar aan en fluisteren giechelend achter onze rug: “Moet je die gekke soepjurken zien”. Vroeger stak mij dat erg. Opa haalde er later zijn schouders over op: “Zij weten niet beter, voor hen lijken onze jalabba’s erg op jurken. Het is maar een woord”. Hij haalde het dichtsbijzijnde knaapje met een bloemetjesjurk eraan uit het rek en wees naar het model. Toen pakte hij een wijd nachthemd dat in de winkel hing om een een nieuwe zoom te krijgen. “Ze hadden het ook nachtpon kunnen noemen…” en hij trok zo’n gek gezicht dat we er allebei van in de lach schoten. Daar denk ik aan als ik de mensen op straat zie kijken. Ik steek mijn borst vooruit en loop rechtop naast mijn oom. Wij dragen tenminste mooie jurken.

De moskee ligt buiten het centrum. We moeten een heel eind met de bus. Er is verder niemand op de halte en we staan vrolijk te praten over school en voetbal. Het duurt niet lang tot de bus komt. De chauffeur stopt precies voor ons en de deur zwenkt open. Oom Mehmet stapt lachend in en koopt een kaartje. Als ik achter zijn rug op de eerste trede sta, zie ik nog net hoe een aantal oude dames naar hun handtas grijpt en ze voor zich op schoot zetten of dicht tegen zich aantrekken. Het treft me pijnlijk.

Oom Mehmet is klaar met betalen en zoekt een plaatsje. Ik plof op de stoel naast hem. De hele verdere weg zijn we stil. Zou hij het gebaar ook gezien hebben? Mijn oom moet dagelijks met de bus naar zijn werk. Maar hoe kun je hier ooit aan wennen? Ik staar uit het raam. Er borrelt een ongelooflijke woede in me op tegen al die mensen in hun lelijke bloemetjesjurken met hun stomme handtassen. Ik weet wel wat opa zegt als ik weer eens roep dat de mensen in dit land ons alleen maar haten. “Zorg dat jij niet terug gaat haten jongen”. Dat zegt hij dan. Altijd hetzelfde. Maar vandaag heb ik moeite mijn boosheid te bedwingen.

In de moskee is het feest, maar ik heb nergens zin in. Opa ziet mijn boze bui en komt naast me zitten. Als ik hem vertel wat ik in de bus heb gezien, zegt hij dat de mensen gewoon bang zijn en opa zegt zelfs dat hij best begrijpt dat de mensen bang zijn. Je hoort zoveel rare verhalen op straat. Als je oud bent en slecht ter been, moet je voorzichtig zijn. “En u dan opa? U bent toch ook oud?” Opa lacht. “Ik probeer de mensen mijn vertrouwen te schenken jongen, en bovendien heb ik geen handtasje.” Nu schiet ik ook in de lach. Het verzacht de pijn een beetje en als één van mijn nichtjes mij een zoete krakeling voorhoudt, slissend roepend dat het “feefft” is, laat ik het rotgevoel varen.

Op de terugweg in de bus zijn er gelukkig geen oude dametjes meer en is er niemand die angstvallig naar zijn tas grijpt als wij binnenkomen. Een paar haltes later betrap ik mezelf erop dat ik dichter tegen oom Mehmet aankruip wanneer er een groep voetbalsupporters luidruchtig de bus instroomt. Hoofdschuddend ga ik rechter zitten. Opa heeft gelijk. We moeten niet zo bang zijn voor elkaar.

3

Het is laat geworden. De volgende dag is een gewone schooldag. Nog half slaperig loop ik met opa mee naar het pleintje. Hij groet de mensen op het terras vriendelijk en gaat rustig op zijn vaste plekje zitten voor zijn kleine kopje sterke ochtendkoffie. Ik krijg een slokje van hem om vandaag goed wakker te blijven en niets van de lessen te missen. Het hete zwarte water smaakt bitter. Ik drink liever de mierzoete muntthee die opa ’s middags schenkt als ik uit school kom. Voordat ik wegga sla ik mijn armen om zijn hals en geef hem een zoen. Heel zachtjes fluister ik “Bedankt” in zijn oor. Opa hoort het en drukt me stevig tegen zich aan. Onderweg naar school bedenk ik hoe blij ik ben dat opa er is en hoezeer hij mij helpt om in dit moeilijke land te leven.

De schooldag is lang en saai. De jongens die mij vorige week gepest hebben zitten steeds samen te smoezen, heimelijk naar mij te kijken en te grinniken. Ze zijn iets van plan. Ze weten dat ze een zwakke plek bij me geraakt hebben. Als ik niets doe zullen ze mij daarmee het hele jaar blijven treiteren. Ik denk aan de woorden van opa. Wat zal ik zeggen? Wat zou hij doen?

Na schooltijd wachten de twee jongens mij op en midden op een plek waar iedereen het kan horen roepen ze opnieuw “vuile Turk” naar mij. Ik sta stil en kijk om mij heen. Alle kinderen op het schoolplein staren naar mij. Een paar meter bij ons vandaan zie ik een groepje Turkse kinderen: Achmed, Aisja en Emre. Het zijn leerlingen uit mijn klas waar ik niet veel mee optrek. Ze kijken mij achterdochtig aan. Iedereen houdt zijn adem in. Ik recht mijn rug, zet een paar passen alsof ik wegloop, maar wanneer ik precies tussen de Turken en de pesters in sta, draai ik me abrupt om, kijk de grootste treiteraar recht in de ogen en zeg met luide stem: “Ik ben een Koerd, maar ik vind het niet zo aardig van jullie dat je onze Turkse medeleerlingen voor vuil uitschelden.” De jongens lijken niet erg onder de indruk en ik begin me al zorgen te maken: wat moet ik nu? Mijn daad had minder effect dan ik dacht.

Dan voel ik opeens beweging achter mij. Achmed, die een stuk groter is dan de beide pestkoppen, is naast mij komen staan en spreekt hen kwaad toe: “Dat vinden wij inderdaad niet zo aardig, dat jullie ons of wie dan ook voor vuil uitmaken”. “Nee”, hoor ik aan de andere kant naast mij. En een krachtige meisjesstem: “Zo is het maar net!” Emre en Aisja zijn ook naar voren gekomen. Het is vier tegen twee. De jongens schrikken en deinzen terug. Ze weten zich geen houding te geven, roepen nog wel kwasie-stoer van “rot toch op!”, maar maken zich dan snel uit de voeten. Ik haal opgelucht adem, van hen zal ik geen last meer hebben. De drie Turken naast mij lachen. We raken aan de praat en het blijken best sympathieke gasten te zijn. Misschien zouden we zelfs wel vrienden kunnen worden.

Veel later dan anders verlaat ik het schoolplein, maar dat vindt opa vast niet erg. Wat zal hij opkijken als hij van mijn overwinning hoort. Die opa, hij had toch maar mooi gelijk. Door zijn goede raad heb ik nu opeens drie Turkse vrienden! Lachend loop ik het pleintje op. Dat is vreemd. De deur van opa’s winkel staat op een kier. Opa zorgt altijd dat de deur netjes gesloten is en als klanten hem per ongeluk open laten staan, dan kruipt opa achter zijn naaimachine vandaan om hem persoonlijk dicht te doen. Een winkel hoort opgeruimd te zijn. De buitengevel is je visitekaartje. Het bevalt mij niets dat de deur een klein beetje openstaat en opa niet komt om hem dicht te doen. Ik ga sneller lopen. Een akelig voorgevoel bekruipt me. Het laatste stukje tot de hoek ren ik.

Door de open kier zie ik beweging. Vreemde geluiden komen op me af. Stemmen. Een soort gekreun. Ik doe de deur open. Boven mijn hoofd klingelt de bel. Het interieur van opa’s winkel is onherkenbaar. Er staat geen rek meer overeind. De hele vloer is bezaaid met kleren. Te midden daarvan een kluwen worstelende mensen. Verschrikt opkijkende hoofden. Bivakmutsen. Geschreeuw. Commando’s. “Weg! Weg!” In een flits schieten drie mannen aan mij voorbij. De zon schittert in de lemmetten van de messen in hun hand. Dan is er stilte. Alleen het OPEN-bordje tikt nog tegen de ruit. Ik sta in de deuropening met de deurkruk in mijn hand. Een seconde ben ik als verdoofd. Vanuit de berg met kleding op de grond klinkt een kreunend geluid. Opa! In een paar passen ben ik bij hem. Overal ligt bloed. Ik kniel bij opa neer. Hij ligt voor over, maar lijkt niet de kracht te hebben zich om te draaien. Ik help hem op zijn rug. Zijn hemd is een stukken gescheurd. Zijn armen voelen kleverig en warm. Het is bloed. Op zijn borst en in zijn hals donkerrode vlekken die langzaam groter lijken te worden.

“Opa!”, roep ik. Ik durf hem niet wakker te schudden, dat doet vast teveel pijn. Voorzichtig neem ik zijn hand in de mijne en buig me over zijn slappe lijf. “Opa”, fluister ik indringend. Gespannen staar ik naar zijn gezicht. Opa heeft moeite om zijn ogen te openen, maar het lukt hem toch. Zijn vrije hand grijpt naar zijn borst. Ik moet hulp halen, realiseer ik me ineens. Als ik wil opstaan, verschijnt er plotseling een gestalte in de deuropening. Even schrik ik, maar dan zie ik dat het de ober van het terras op het plein is. Hij heeft net drie mannen met bivakmutsen naar buiten zien rennen. In een oogopslag overziet hij de situatie en roept mij toe dat hij 1-1-2 zal bellen. Weg is de ober, in de richting van het café. Daar is een telefoon. Ik hoor zijn schoenen over het plein klepperen. Intussen zijn er meer mensen toegestroomd. Publiek dromt voor de etalageruit, maar niemand komt naar binnen.

“Jongen”, hoor ik zachtjes onder mij. “Hou vol opa”, spreek ik hem bemoedigend toe, “de ober is hulp gaan halen”. Opa knikt dat hij mij verstaan heeft. Ik kijk om mij heen. De theepot en onze glazen liggen in scherven op de grond. De naaimachine is gevallen en de lege kassa ligt ernaast. “Beroving! Hoe konden ze dat nou doen?” Opa kreunt. “Ze waren vast armer dan wij jongen”. Ik word boos. “Hou in godsnaam een keer op met al die zouteloze praatjes!”, val ik tegen hem uit. “Jij ligt hier dood te gaan en nog wil je niet haten. Denk je dat het die kerels ook maar iets kan schelen wat er met jou gebeurd?” Als ik opa’s borstkas snel op en neer zie gaan, heb ik alweer spijt van mijn felle woorden. Wat moet ik doen? Straks gaat hij echt dood! Het is net alsof zijn oude longen niet genoeg lucht krijgen. In de verte hoor ik sirenes aankomen. Laat ze alstublieft op tijd zijn God!

Dan vaart er een nieuwe kracht in opa. Hij legt zijn vrije hand om mijn nek en trekt mij zo naar zich toe. Onze hoofden zijn heel dicht bij elkaar. Met zijn andere hand knijpt hij hard in de mijne en kijkt me indringend aan. “Laat mensen jouw altijd iets kunnen schelen jongen! Belooft me dat! Beloof het jezelf! Je zult er een beter leven door hebben.” Verbaasd over zoveel nieuwe energie knik ik, zonder woorden. Onze ogen houden elkaar gevangen. Onze handen vastgegrepen in een innige omhelzing. De sirenes zijn nu heel dichtbij. Piepende banden. Het openen van autodeuren. Net als ik tegen mijn lieve moedige barmhartige opa wil zeggen dat de hulp gekomen is, breken zijn ogen. Zijn adem stokt. Zijn greep verslapt. De kracht vloeit uit hem weg. Voor mijn ogen zie ik mijn opa uit het leven glijden.

Mannen in fluoriserendgroene pakken komen binnen en duwen mij weg. Ze leggen een brancard naast opa boven op alle rondslingerende kledingstukken. Met een paar snelle en vakkundige grepen onderzoeken ze het zwaarbebloede lichaam. Hun latexhandschoenen zijn meteen rood. Als ik de ziekenwagenbroeders mismoedig met hun hoofden zie schudden, begin ik over mijn hele lijf te trillen. Opa is dood. Opa is voor altijd dood.

In de verte klinken nog meer sirenes. Politie. De klok van vijf uur slaat. “Het is tijd om de winkel te sluiten jongen”, denk ik. Het is alsof ik de stem van opa in mijn hoofd hoor. Ik wil hier weg en loop naar de deur. De mannen in hun groene pakken zijn druk bezig om opa’s wonden te inspecteren. Ik draai het bordje om. In sombere robuuste letters keert het woord GESLOTEN zich naar de wereld. Ik stap naar buiten, de volle zon in en trek de deur achter mij dicht. De deurbel klingelt vrolijk als altijd. Er is niemand die het lijkt te horen. Buiten verdringt een menigte mensen zich voor de etalageruit. Als ze mij zien, deinzen ze een stap terug. Ik zit onder het bloed: mijn handen, mijn t-shirt en er zitten grote donkerrode knieën in mijn lange broek. Ik loop door de mensenmassa de straat uit. Ze laten mij gaan. Niemand spreekt mij aan of houdt mij tegen. Als in een droom loop ik naar het einde van de straat, waar ons bankje als altijd op ons wacht. Daar ga ik zitten aan de rand van het water. Er is plaats genoeg voor twee. De plek naast me is akelig leeg. Maar als ik in het water kijk, naar de rimpeling in het oppervlak en de weerkaatsing van de zon op de beweeglijke golfjes, dan is het net alsof ik opa voor mij kan zien: hoe hij hoofdschuddend en half lachend naast mij plaatsneemt. Dan kan ik me voorstellen hoe hij tegen me praat en herhaalt, telkens weer: “Je hebt het beloofd jongen, je hebt het beloofd”.

Vanuit mijn ooghoek zie ik iets naast mij op de bank bewegen. Even denk ik dat opa echt naast mij komt zitten. Maar als ik opkijk zie ik dat het oom Mehmet is. Hij vraagt niets, maar slaat zijn armen om mij heen en duwt mij – vies en plakkerig als ik ben – stevig tegen zich aan. Nadat ik ben uitgehuild, zitten we nog een tijdje in stilte naast elkaar. Ik ben hem dankbaar voor het zwijgen. Pas wanneer we samen teruglopen naar opa’s naaiatelier en naar de politie die mij wil ondervragen, zegt hij: “Dat is een fijne plek jongen, met veel herinneringen aan opa. Daar kun je altijd naar terug wanneer je hem mist.” Ik knik. Dat zal ik zeker doen. Misschien kan ik daar af en toe nog met opa praten, net als vroeger, want ik heb een belofte te vervullen. Een moeilijke belofte, en daarbij zal ik zijn goede raad hard nodig hebben.